006 Koning Albert en het pijnlijk besef (2 augustus 1914)

Niet een geruststellend briefje van Wilhelm, de keizer met het grote ego, maar een onheilspellend ultimatum. Dat is de tijding uit Duitsland die Albert van Saksen Coburg Gotha, de derde koning der Belgen, op de avond van 2 augustus bereikt. Binnen twaalf uur moet België de deuren open zetten voor de Duitsers op weg naar Frankrijk. Blijft die toezegging uit, dan beschouwt Duitsland dat als een vijandige daad – met alle consequenties van dien. De Belgen moeten weten dat Frankrijk de ware agressor is. Dat Duitsland alle recht heeft om via Belgische bodem de Fransen voor te zijn.

 

Albert weet nu: het heeft niet mogen baten. De avond van tevoren heeft hij een laatste poging ondernomen om – onder vorsten – het onheil voor zijn bevolking af te wenden. Zijn vrouw, koningin Elisabeth, heeft hem geholpen bij het opstellen van een brief aan keizer Wilhelm. Elisabeth is de dochter van een Beierse hertog, uit het huis Wittelsbach. Zin voor zin heeft ze de door Albert behoedzaam gekozen woorden  in het Duits vertaald.

 

Dat hij wel begrijpen kon dat Duitsland niet openlijk kan ingaan op de klemmende eis van de Britten om de neutraliteit van België te garanderen. Maar dat hij er tegelijk op vertrouwde dat de keizer hem persoonlijk zou beloven België met rust te laten. Er waren toch immers ‘banden van vriend- en verwantschap’? Wilhelm werd in de brief met ‘Du’ aangesproken. Albert sloot af met ‘jouw trouwe en toegewijde neef’. Volle neven waren de twee overigens niet. De moeder van Albert was net als Wilhelm wel een Hohenzollern, maar dan van de Sigmaringen-tak.

 

Hoewel schuchter van aard, is Albert niet naïef. Hij vreest al lange tijd de Teutoonse furie, een karaktereigenschap waar de Duitsers zo fier op gaan. Een jaar eerder is Albert in Berlijn geweest. De keizer heeft hem daar apart genomen. Albert heeft ‘m zien tieren en razen. Die Fransen moesten eens ophouden met hun provocaties. Daar kwam nog oorlog van. Dat kon niet anders. Helmuth von Moltke, de Duitse chef van de generale staf, had in een gesprek met de Belgisch militair attaché ook al gehengeld: hoe zou België handelen als een zeker land op enige dag zou binnenvallen?

 

Terug in Brussel had Albert meteen omgekeken naar de mobilisatieplannen. Het Belgische leger stond er niet best voor. Alle aandacht was naar binnenlandse problemen gegaan. Katholieken en liberalen hadden het belang van de landsverdediging decennialang niet ingezien. De neutraliteit van België was in 1839 immers gegarandeerd door Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk-Hongarije én Duitsland. In de eeuwen daarvoor waren de Belgische gewesten geregeld overlopen, door Bourgondiërs, Fransen, Spanjaarden, Oostenrijkers en ten slotte Nederlanders. Maar de afgelopen driekwart eeuw had het jonge land enkel vrede gekend. De Frans-Pruisische Oorlog van 1870 was ook keurig aan de Belgen voorbijgegaan. Albert wist echter beter. Zoals zijn oom Leopold II voor hem, had hij slag met de politieke elite moeten leveren om de defensie op orde te brengen. Het was de kern van zijn ‘actieve koningschap’ geweest.

 

Na de aanslag in Sarajevo was ook Albert eerst nog op vakantie gegaan: bergen beklimmen in Zwitserland. Eind juli, toen de situatie nijpend werd, wist de Belgische regering nog altijd niet hoe het zich tegen een binnenvallende vijand ging verweren. Moest het een grensverdediging worden, achter de Maas, of een centrale verdediging op een terrein dat zich daarvoor leende, achter stroompjes als de Gete, de Nete of de Velpe. Albert heeft jaren voor een verdediging van de landsgrenzen gepleit en het handhaven van de forten bij  Luik en Namen. Onder druk van de omstandigheden moet hij zich nu bij een compromis neerleggen.

 

Als op de avond van 2 augustus 1914 de koning zijn ministerraad bijeenroept om zich over het ultimatum van de Duitsers te buigen, kan hij het niet laten de gebrekkige militaire voorbereiding zijn ministers voor de voeten te werpen. Voor het overige zijn de koning en zijn ambtsdragers het volledig eens. Ze zeggen luid en duidelijk ‘nee’ tegen het ultimatum van de Duitsers en hun suggestie dat Franse troepen de Belgische grenzen al hebben overschreden. België is een vrij land, niet een marsroute. Vervolgens mogen de generaals nog maar eens hun degens over het strategische plan kruisen.

 

Als op 4 augustus de Duitse troepen bij Gemmenich de grens oversteken, is de martelaarstatus van poor little Belgium een feit en kan Albert de geschiedenis als ridder-koning tegemoet treden. Geestdriftig toegejuicht in de Brusselse straten, spoedt hij zich in zijn laarzen met sporen naar het parlement. Hij roept er op tot een ‘résistance opiniaitre’, een hardnekkig verzet. De volksvertegenwoordigers onderbreken zijn toespraak herhaaldelijk met kreten als ‘vive le roi’ en ‘vive la Belgique!’ Na een staande ovatie verlaat de koning het parlement, het front tegemoet. In het hoofdkwartier bij Leuven spreekt hij een dag later ‘het leger van de Natie’ toe: ‘Caesar heeft van Uwe voorvaderen gezegd: onder alle volkeren van Gallië zijn de Belgen de dappersten. (..) Herinnert U Vlamingen, de Slag der Gulden Sporen, en gij Luiker Walen dat op dit ogenblik de eer der 600 Franchimontenaars U te beurt valt.’

 

De overmacht is te groot. De koning moet zich met zijn leger terugtrekken op de vesting Antwerpen. Als ook daar de situatie onhoudbaar wordt, tekent zich een heuse Koningskwestie af. Eerste minister Charles de Broqueville dringt er bij Albert op aan eieren voor zijn geld te kiezen en zich bij de geallieerde legers aan te sluiten. De koning wenst de Antwerpse bevolking echter niet in de steek te laten. Uiteindelijk moet Albert toch de wijk nemen, tot achter de IJzer.

 

Hoewel hij bepaald geen militair in hart en nieren was, en ook ruiterlijk voor zijn strategische tekortkomingen uitkwam, heeft hij vier jaar lang hoogstpersoonlijk leiding gegeven aan het Belgische leger, de ministeriële verantwoordelijkheid voor lief nemend. Het was bij Albert niet alleen een kwestie van plichtsbesef: gevolg geven aan de koninklijke eed om ‘’s lands onafhankelijkheid te handhaven en het grondgebied ongeschonden te bewaren’. Albert wantrouwde ook zijn generale staf. Zelfs autocratische collega’s als Wilhelm II en Nicolaas II lieten de oorlogsvoering aan hun generaals over. Albert weigerde ook het opperbevel aan de geallieerde legerleiding over te dragen. Hij wenste baas in zijn eigen land te blijven, hoe weinig daarvan in vrijheid ook overgebleven was.

 

Zeker, de geallieerde vrienden hebben het daar moeilijk genoeg mee gehad. De Franse generaal Joseph Joffre moet al op 6 augustus tandenknarsend aanvaarden dat de Belgen eigenzinnig passen voor de door hem geplande tegenaanval. Albert gruwelt van het gemak waarmee Engelsen en Fransen tienduizenden van hun soldaten opofferden voor wat terreinwinst. Nauwkeurig houdt hij de statistieken van de gevallenen bij, blijkt uit zijn oorlogsdagboek. ‘Ze zullen zich moeten rechtvaardigen voor de Almachtige’, spreekt de Belgische koning zijn afschuw over het jusqu’au boutisme uit. Samen met zijn vertrouweling, kapitein-commandant Emile Galet, hangt hij de doctrine van reële krachtsverhoudingen aan.

 

Hoewel de Duitsers de integriteit van zijn land hadden geschonden, houdt Albert de oorlog lang vast aan het neutraliteitsbeginsel. Een compromisvrede is zijn streven. Zonder zijn ministers daarvan te verwittigen, laat hij zijn gezant Emile Waxweiler aftastende gesprekken voeren met de Duitse gezant Hans Veit Graf zu Törring-Jettenbach, die met de zuster van Alberts vrouw is getrouwd. Albert slaagt echter niet in zijn opzet. De Belgische vorst weet de grootmachten, die zijn land vertrappelen, niet bij zinnen te brengen.

 

Als gaandeweg de oorlog zijn Belgische ministers gaan dagdromen van een vrede die België groter zal maken, met flinke happen grond uit het neutrale Nederland en het ook overlopen Luxemburg, roept Albert ze tot de orde. In een oorlog waarin emoties boven het verstand gingen, houdt de koning der Belgen het hoofd behoorlijk koel. Het kost hem overigens wel vier ministers van Buitenlandse Zaken.

 

Zijn kabinet zit in Frankrijk, vlakbij Le Havre, maar Albert verblijft de oorlog lang pal achter het front. De koninklijke familie huist tot 1917 in een villa bij het badplaatsje De Panne – zonder stromend water, elektriciteit of centrale verwarming. Als De Panne in 1917 binnen de Engelse sector komt te liggen, schuift de koning op richting Veurne.

 

Geregeld brengt hij een bezoek aan zijn soldaten in hun loopgraven. Te paard op weg naar het hoofdkwartier in Houtem pleegt hij geregeld een praatje te maken met een landarbeider. En zo nu en dan stapt hij ook in een vliegtuig om van boven de frontlinie te verkennen. Zo houdt de koning samen met zijn Belgen de wacht aan het IJzer-front, achter de watervlakte die was ontstaan nadat ene Karel Cogge eind oktober 1914 het Kattesas bij Nieuwpoort open had gezet.

 

Elf dagen na de wapenstilstand van 11 november maakt Albert zijn joyeuze rentree in de hoofdstad Brussel. Het is een ongekend feest. Hangend aan hekken en bungelend aan takken bejubelen de Belgen hun koene vorst. Albert kan niet stuk bij zijn door taal gespleten volk. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om het algemeen kiesrecht te regelen. Conservatieve krachten grommen. Maar Albert wil er niet aan dat de frontsoldaten die het vaderland vanuit de modder verdedigd hebben, in vredestijd zonder stem blijven. Al voor de oorlog heeft hij zich laten kennen als een vorst die de sociale kwestie onder ogen ziet, zoals hij bij zijn aantreden in 1909 ook van zich had doen spreken door zijn volk in het Frans én het Nederlands toe te spreken – een novum. Zijn biograaf, Jan Velaers, noemt Albert I een ‘integrerende kracht in de Belgische samenleving’.

 

In de decennia na de wapenstilstand bleef hij de zaak van de Vlaamse ontvoogding een warm hart toedragen. Maar als constitutioneel monarch verdween hij stilaan toch uit het centrum van de macht, waar hevige crises woedden van financiële, politieke en taalkundige aard.

 

***

 

Albert moet zich hoog in de bergen – eenzaam en alleen – het gelukkigst hebben gevoeld. Hij was een ervaren alpinist; een feit waardoor menigeen niet kon geloven dat een ongeluk in 1934 een einde aan het leven van de 59-jarige vorst had gemaakt. Op een boshelling bij de rotsen van Marche-les-Dames, niet ver van Namen, is zijn lichaam gevonden. Zijn bril lag verderop, in een spleet. De koning kende het terrein. Was het geen moord geweest? Of zelfmoord? Speculaties, waar weinig grond voor bleek te zijn.

 

Zijn zoon Leopold III moet dan aan het roer gaan staan. Hij heeft niet het karakter van zijn vader. Als de Duitsers in 1940 opnieuw België binnenvallen, stelt Leopold zich net als zijn vader aan het hoofd van het Belgisch leger. Maar deze keer is geen kruid gewassen tegen de overmacht. Leopold moet capituleren en besluit er het beste van te maken. Hij gaat op de koffie bij Hitler en maakt zich daarmee na de oorlog onmogelijk. Niet elke koning is een Albert.

 

Advertisements

One thought on “006 Koning Albert en het pijnlijk besef (2 augustus 1914)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s