010 Alexander von Kluck en de ommezwaai (30 augustus 1914)

‘Macht mir nur den Rechten stark.’ Het moet de laatste smeekbede zijn geweest van Alfred graaf Von Schlieffen, de architect van het Duitse aanvalsplan, die een jaar voor de oorlog hemelde. De man aan de rechterkant van het Duitse leger, de sterke kant dus, heette in augustus 1914 Alexander von Kluck, een in Münster geboren generaal die over voldoende Sturm und Drang beschikte om Von Schlieffen postuum te behagen. Zijn vuurdoop had de man 48 jaar eerder beleefd, tijdens de oorlog die Pruisen van Oostenrijk won met de Germaanse hegemonie als trofee. Meer een militair van het veld dan van de staf , deze Von Kluck.

 

Von Klucks Eerste Leger, de grootste van de zeven Duitse legers aan het westelijk front, moest, ‘de mouwen langs het Kanaal schurend’, een grote zwaai door België maken; vervolgens onder Parijs door duiken; en dan het Franse leger in de tang nemen, samen met de Duitse troepen die in het oosten eerst de kat uit de boom hadden gekeken. Von Kluck was de Duitse hamer.

 

Vanaf zijn benoeming tot chef-staf in 1891 had Von Schlieffen aan zijn plan geschaafd, niet zelden tot middernacht. Ter ontspanning mocht hij graag militaire geschiedenis aan zijn dochters voorlezen. Eerst had hij zijn kaarten gezet op vernietiging van de Franse forten langs de grens, maar toen hij vreesde dat het Duitse geschut daar zijn tanden op stuk ging bijten, ging hij het over een andere boeg gooien. Voor een snelle overwinning was het nodig over het grondgebied van Luxemburg, België én Nederland te trekken. Bij de politieke gevolgen van dat alles stond de militair Von Schlieffen niet al te lang stil. Groter was zijn angst voor een geconcentreerde aanval op de Centrale machten door Frankrijk, Rusland, Groot-Brittannië en wie weet Italië. Toen Rusland in 1905 in een oorlog met Japan was verwikkeld, drong Von Schlieffen er dan ook – tevergeefs – op aan om Frankrijk preventief aan te vallen.

 

De oorlog moest razendsnel afgewerkt worden, stipuleerde Von Schlieffen onder verwijzing naar economische belangen: ‘De machine met haar duizenden raderen, waardoor miljoenen de kost verdienen, kan niet lange tijd stilstaan. Je kunt niet een of twee jaar lang van de ene positie naar de andere trekken in veldslagen van twaalf dagen tot de oorlogvoerende partijen volledig uitgeput zijn, allebei om vrede smeken en allebei de status quo accepteren.’

 

Het Schlieffen-plan, in 1905 vervat in zijn beroemde Grosse Denkschrift, werd tot in detail uitgewerkt. Het was hogere wiskunde, vooral waar het ging om troepenverplaatsingen volgens het spoorboekje. Het Militaire Reisplan liet aan de vooravond van de oorlog 11.000 treinen 2 miljoen manschappen en 600.000 paarden vervoeren, en wel in 312 uur tijd. Waar de infanterie te voet verder moest, rekende Von Schlieffen op een marstempo van twintig kilometer per dag – een gemiddelde dat voor augustus 1914 aardig zou opgaan. Von Kluck zou zelfs 22 kilometer per dag halen. Zes weken ging het duren – nog steeds volgens Von Schlieffen – om aan het westelijk front de Vernichtung van het Franse leger te voltooien. Daarna kon het Duitse leger zich gaan richten op de Rus, ervan uitgaand dat die er niet in was geslaagd om binnen zes weken gevechtsklaar aan het oostelijk front te staan.

 

Denk niet dat Von Schlieffen vrij van twijfels was. Hij bevroedde dat voor de beslissende slag in het hart van Frankrijk 200.000 man extra nodig was. Tweehonderdduizend man, waarvoor simpelweg geen plaats was op de wegen van België en Noord-Frankrijk. Sowieso was de uitbreiding van de Duitse strijdkrachten in vredestijd achtergebleven bij de ambities van het Schlieffen-plan. Het conservatieve element binnen het Duitse militarisme was daar debet aan. Om het aristocratische gehalte van het landleger zo hoog mogelijk te houden, hadden opeenvolgende ministers van Oorlog er vrede mee gehad dat de budgetten naar de vloot van admiraal Von Tirpitz gingen.

 

Er is door militaire historici veel discussie gevoerd over de vraag of een stipte uitvoering van het Schlieffen-plan tot een Duitse zege had gevoerd. Direct na de oorlog was dat in elk geval de teneur in Duitse, militaire kringen, maar later zijn meer en meer historici het Schlieffen-plan als een grote gok gaan beschouwen. Von Schlieffen had een mooi plan opgesteld om de oorlog mee aan te vangen. Het happy end had hij echter verzuimd erbij te leveren.

 

Even verdeeld zijn de meningen over Alexander von Kluck. De een ziet in Von Kluck de meest toegewijde leerling van Von Schlieffen. De ander wijt de Duitse stranding aan het persoonlijk misgrijpen van Von Kluck. Aan het falen van de veldtocht, dat Von Kluck door menigeen wordt toegeschreven, heeft de Engelse taal een fraaie belediging overgehouden: dumb Kluck. Het betekent zoiets als ‘domme gans’. De oude Von Kluck werd door de Engelse soldaten dan ook nog Old one o’clock genoemd.

 

Het is vooral chef-staf Helmut von Moltke geweest die behoorlijk aan het plan van zijn voorganger Von Schlieffen heeft zitten morrelen. Vóór de oorlog al had Von Moltke het besluit al genomen om Nederland links te laten liggen. Daar lagen handelsmotieven aan ten grondslag, maar ook de angst voor een Engelse aanval in de rug. In de openingsfase van de oorlog moest Von Moltke ook al snel bijsturen in Oost-Pruisen. Om de Rus daar een halt toe te roepen werden vele tienduizenden soldaten bij ‘Von Schlieffen’ in het westen weggehaald. De generaals in Lotharingen en de Ardennen zetten Von Moltke onder druk om ook daar snel in de aanval te gaan, wat Von Schlieffen nu juist had ontraden. Roet in het eten gooide voorts de venijnige tegenstand van de Belgen en die van het kleine Britse Expeditie Leger bij Mons en Le Cateau. Slot van het liedje was dat Von Kluck zijn rechterarm lang niet zo krachtig door Frankrijk sloeg als Von Schlieffen nog op zijn sterfbed nodig had geacht.

 

Toch heeft een onverstoorbare Von Kluck, die in de persoon van Hermann von Kuhl over een bekwame chef-staf beschikte, Parijs op enkele tientallen kilometers weten te naderen. Op 20 augustus had hij op zijn Grote Trek de Belgische hoofdstad Brussel te pakken. Drie dagen later naderde Von Kluck de Noord-Franse plaats Compiègne, waar vier lange oorlogsjaren later het Duitse opperbevel zijn wapenstilstand kreeg voorgelegd. Was die vernederende ervaring de Duitsers bespaard gebleven, als Von Kluck in 1914 conform Von Schlieffen westelijk van Parijs door had gepakt, in plaats van in het oosten de aansluiting te zoeken met het Tweede Leger van Karl von Bülow, die meer tegenstand van Fransen en Britten heeft ontmoet?

 

***

 

De ommezwaai vindt plaats in het kasteel van Lodewijk XV in Compiègne, waar Von Kluck op 3 september zijn hoofdkwartier heeft gevestigd. Hij krijgt daar over de radio de opdracht van Von Moltke om naar het zuidoosten af te buigen. Agressief en arrogant van aard, neemt Von Kluck de vrijheid om achter de Franse generaal Lanrezac aan te gaan.

 

John Keegan, gerenommeerd militair historicus van de Grote Oorlog, meent dat hij zich zo bij de neus heeft laten nemen door de Franse chef-staf Joseph Joffre. In het gat dat Von Kluck laat vallen, opgemerkt door een Franse vliegenier, zullen de Fransen op behendige wijze gaan duiken. Joffre laat manschappen vanuit Lotharingen aanrukken om de achterhoede van Von Kluck te bespringen. De bevoorrading van diens troepen is dan al een groot probleem. De nood is zo hoog dat Von Kluck alle Duitse doden en gewonden op patronen laat nazoeken.

 

De troepen zijn moe, doodmoe. Hoor hoe het 4e Reservekorps het op 5 september is vergaan: ‘Te midden van dikke stofwolken, opgeworpen door mensen en paarden, staan zo nu en dan hinkende soldaten stil en zakken in elkaar in de greppels, aan het einde van hun krachten en van hun wil. Fuseliers, grenadiers, jagers, artilleristen, ze marcheren al vanaf zonsopgang. Sterker nog, zij marcheren al bijna drie weken zonder een dag rust te hebben gehad. Zij hebben de hele weg afgelegd van het dal van de Rijn tot de Île-de-France, van Düsseldorf naar Nanteuil-le-Haudoin via de Kempen, Brussel, Henegouwen, Artois en Picardië.’

 

De Slag bij de Ourcq, een riviertje dat zich in de Marne verliest, leidt de grote clash in. Die Eerste Slag bij de Marne – in 1918 volgt de tweede, waarvan de betekenis niet minder groot zal zijn – duurt tot 12 september. Cruciaal voor het verloop ervan is de missie waarop Von Moltke vanuit zijn hoofdkwartier in Luxemburg een zekere luitenant-kolonel Richard Hentsch heeft gestuurd. Ter plekke onderkent Hentsch het gevaar het gat dat tussen het Eerste en Tweede Leger is ontstaan. Hij komt met Von Bülow een tactische terugtocht overeen en kan die door het mandaat van Von Moltke als ondergeschikte ook voor het Eerste Leger van Von Kluck afkondigen.

 

De wrevel daarover én de kift tussen Von Kluck en Von Bülow, die bij de Oberste Heeresleitung in hoger aanzien staat, is na te lezen in ‘De mars naar Parijs en de Slag bij de Marne’, dat Von Kluck in 1920 heeft gepubliceerd. Als Hentsch in Mareuil arriveert, staat het Eerste Leger van Von Kluck er in diens lezing behoorlijk gunstig voor, terwijl Von Bülows Tweede Leger al in noordwestelijke richting aan zijn aftocht is begonnen. Fijntjes merkt Von Kluck op dat hij pas ná diens vertrek van Hentsch’ komst te horen heeft gekregen. ‘Een betreurenswaardige omstandigheid’, zo deelt Von Kluck zijn zwartepiet uit.

 

Hoe dan ook, aan het eind van de Eerste Slag bij de Marne zijn de Duitsers hun initiatief kwijt. En omdat de Fransen en de Britten niet bij machte zijn het over te nemen, verandert de Eerste Wereldoorlog van een Blitzkrieg in een Grabenkrieg – een loopgravenoorlog die duurt tot aan sint-juttemis. Halverwege de Eerste Slag bij de Marne noteert een jonge officier, luisterend naar de naam Erwin Rommel, in zijn dagboek: ‘Onze recente ervaringen maken duidelijk dat er slechts één manier is om het aantal verliezen te beperken: de diepe loopgraaf.’

 

***

 

Voor Alexander von Kluck heeft de oorlog in elk geval te lang geduurd. Als hij in maart 1915 vooruitgeschoven posten aan het inspecteren is, wordt Old one o’clock vlakbij Vailly-sur-Aisne getroffen door shrapnel: granaatscherven. De verwondingen aan zijn been zijn zo ernstig dat de dan al 68-jarige generaal niet meer aan het front zal verschijnen. In oktober 1916 wordt hij met de Pour le Mérite op zijn borst uitgezwaaid. Hij sterft in 1934, in Hitler-Duitsland, 88 jaar oud.

 

Voor een onbeduidende voetnoot bij Von Klucks verhaal zorgt zijn kleindochter, Mulino von Kluck. Eind jaren twintig lijkt zij een vedette van het witte doek te worden. Daar is het niet echt van gekomen, maar dit heeft Time in april 1929 nog wel over haar geschreven: ‘Mulino von Kluck, – 17, lang, blauwe ogen, blond –  is de film ingegaan. Haar eerste rol is in 1813, een film over Duitslands bevrijding uit de handen van Napoleon. Ze zal, zo zegt ze, Parijs nooit bezoeken.’ Waarom  niet, dat laat Time in het artikeltje achterwege. Misschien omdat het niet mocht van opa Von Kluck. Zijn kleindochter wel in Parijs en hij niet. Dat zou wat zijn.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s