011 Joseph Gallieni en zijn kaarsrechte gestalte (6 september 1914)

 

Bij Joseph Gallieni horen de taxi’s van Parijs. ‘Eh bien, dat is nog eens bijzonder’, mompelde de redder van Parijs toen hij ze beladen met soldaten naar het front zag rijden. Eh bien, dat zijn nog eens de verhalen die oorlogsmisdaden doen verbleken.

De kaarsrechte gestalte

Als Frankrijk hem roept de hoofdstad te verdedigen, is zijn vrouw juist gestorven. Hij is al 65. Drie jaar geleden heeft hij de hoogste post in het Franse leger aan zich voorbij laten gaan. Hij is ziek. De komende twee jaar zal hij voor zijn prostaatklier tweemaal onder het mes moeten. Tevergeefs, halverwege de Eerste Wereldoorlog komt hij te overlijden.

 

Zijn naam: Joseph Gallieni, de man die Parijs in september 1914 uit de klauwen van de Duitsers wegrukte. Bij dat verhaal denk je meteen aan de taxichauffeurs van Parijs, die er door Gallieni opuit werden gestuurd om soldaten naar het front te vervoeren. Het is een verhaal dat mythische proporties heeft aangenomen. Gallieni zelf zou langs de kant van de weg hebben gestaan en goedkeurend hebben gemompeld: ‘Eh bien, voilà au moins qui n’est pas banal!’ ‘Kijk aan, dat is nog eens bijzonder.’

 

Niet dat die taxi’s het verschil hebben gemaakt in de vreselijke Slag bij de Marne, waaraan ook het lot van Parijs verbonden was. Het spoor was, niet alleen in Frankrijk, de levensader van het leger. Militaire successen of nederlagen waren niet zelden terug te voeren tot de capaciteit van het spoorwegennet. Het Duitse Von Schlieffen-plan was op het spoorboekje geënt. Maar die taxi’s van Gallieni spraken natuurlijk enorm tot de verbeelding. Het idee moet ook van Gallieni zelf zijn gekomen. Toen de overbelasting van het spoor aan de orde kwam, opperde hij: ‘Mmm, waarom gebruiken we dan geen taxi’s?’

 

Het is mogelijk er een te gaan bekijken, in het Legermuseum van het Hôtel des Invalides in Parijs. Honderden van die koddige karretjes verzamelden zich op 7 september om soldaten te laden voor het Zesde Leger van de Fransen. Dat was haastig gevormd om de laat opgemerkte zwaai van generaal Von Kluck zijn kracht te ontnemen. ‘Wat doen we met het tarief?’, moet een taxichauffeur nog gevraagd hebben. Bij het konvooi sloten zich vrachtwagens, limousines en zelfs racewagens aan. Menig taxichauffeur keerde om bij de eindbestemming, Nanteuil, voor een tweede ritje. Vijf soldaten konden aan boord. In totaal werden er zo’n 4000 manschappen per taxi naar het front gebracht. ‘Eh bien, voilà au moins qui n’est pas banal!’, zeggen we Gallieni nog maar een keer na.

 

Hij keek naar die taxi’s door zijn lorgnet, die boven zijn statige neus en grijze hangsnor hing. Lang en mager was Joseph Simon Gallieni. Van de Franse president Poincaré komt deze karakterschets:  ‘Met zijn kaarsrechte gestalte, zijn opgeheven hoofd en zijn indringende oogopslag kwam hij ons tegemoet als een indrukwekkend voorbeeld van menselijke kracht.’ En daarvan getuigde ook zijn curriculum vitae. Gallieni had op z’n 21e als tweede luitenant gevochten bij Sedan, de voor Frankrijk fatale slag in de Frans-Pruisische Oorlog. Hij was als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd. Daar had hij zich de Duitse taal ook eigen gemaakt, zoals hij zich later ook op het Russisch ging toeleggen. Hij hield een dagboek bij in het Duits, Engels en Italiaans met de vreemde, veeltalige titel ‘Erinnerungen of my life di ragazzo’.

 

Gallieni, zoon van een Italiaanse immigrant, was al met al een man van de wereld. Zijn carrière in het Franse leger speelde zich buiten het moederland af. Gallieni was een koloniaal militair. Zijn loopbaan voerde van La Réunion, het eiland in de Indische Oceaan, via West-Afrika, Martinique, de Soedan, Frans Indo-China naar tenslotte Madagascar. Er waren er in het Franse leger die de koloniale dienst typeerden als le tourisme, maar Gallieni heeft zich bepaald niet beperkt tot het aanbidden van de zon. Hij toonde zich een meester in de politiek van de olievlek: vanuit een centrum met gezond verstand de koloniale invloedssfeer uitbreiden door inheemse allianties aan te gaan.

 

Meedogenloos was hij ook. Op Madagascar met name heeft Gallieni flink huisgehouden. Hij volstond niet met het uitbannen van Britse invloeden op het eiland, maar drukte met harde hand ook een inheemse opstand de kop in. De term genocide wordt door menigeen aan die operatie verbonden. Aan zijn periode in Madagascar hield Gallieni deze inlandse bijnaam over: jeneraly masiaka. Vertaald: ‘de wrede generaal’.

 

Zijn reputatie van ijzervreter kan hem in 1911 de hoogste militaire post van het vaderland opleveren. Opperbevelhebber Victor-Constant Michel is terzijde geschoven. De man is zich bewust van het Duitse gevaar en heeft daarom een defensief plan opgesteld. Maar verdediging is een verboden woord in het Frankrijk van na Sedan. Attaquer à l’outrance, aanvallen tot het uiterste, dat is het parool. Michel, de verdediger, moet dus plaats maken voor een spits met scorend vermogen. Gallieni bedankt echter voor die eer. Hij voelt zich te oud, maar is ook bang dat het vaderlandse leger een koloniaal als hij niet vreet.

 

Hij kent nog wel iemand, een ondergeschikte uit zijn tijd in Madagascar. Joseph Joffre, die moet het maar gaan doen. Joffre wordt inderdaad de man aan wie het vaderland in nood zal worden toevertrouwd. Hij zal al zijn kaarten op de aanval via Elzas-Lotharingen zetten. Joffre heeft lange tijd geen oog voor de spierballen die het Duitse leger laat rollen aan zijn rechterkant, in België en niet veel later ook Noord-Frankrijk. Gallieni wel.

 

Gallieni is een vertrouweling van de minister van Oorlog, Adolphe Messimy. Eind augustus komen ze samen tot een dubbele conclusie: Parijs staat op vallen en Joffre heeft dat niet door. Messimy vraagt Gallieni de verdediging van Parijs als gouverneur op zich te nemen. Navrant detail: dat is dan nog de taak van de eerder weggestuurde opperbevelhebber Michel. Briesend zal die zich voor een tweede maal heen laten zenden, waarna de oude Gallieni zich op de stadswallen van Parijs positioneert. Hij eist meer eigen troepen, die onttrokken moeten worden aan de legers van Joffre. Maar die legt dat bevel naast zich neer. Eerder had Joffre Gallieni ook maar een belet van twee minuutjes gegeven, toen die hem kwam wijzen op het gevaar dat Von Kluck heette. De eigenzinnige opperbevelhebber hield er kennelijk niet van dat een superieur uit voorbije dagen nog maar eens in zijn nek kwam hijgen.

 

Gallieni zal desondanks de verdediging van Parijs ferm ter hand nemen. De stemming in de hoofdstad is daar ook naar. De eerste dagen van september had de Parijse bevolking nog geamuseerd naar de hemel gekeken, waarin een Taube cirkelde, een wit Duits vliegtuigje. De duif liet niet alleen bommen los. Ook briefjes voor de Parijse bevolking liet het naar beneden dwarrelen. Het Duitse leger stond voor de poorten van Parijs, luidde de boodschap, er zat niets anders op dan zich over te geven. Eén oude vrouw is nog slachtoffer geworden van een bom uit de Taube, maar daarna ging er vooral amusementswaarde uit van het vliegtuigje, dat op gezette tijden aan kwam zeilen.

 

Een Amerikaanse attaché, Eric Fisher Wood, heeft beschreven hoe ‘heel Parijs’ op vrijdag 3 december wachtte op de ‘Taube van zes uur’. Maar ‘Von Heidssen’ – zoals Fisher Wood hem abusievelijk noemde – bleef weg. Een geweerkogel had hoog in de lucht zijn hart doorboord. ‘Von Heidssen’ werd op de grond, met riemen vastgesnoerd, in zijn onbeschadigde kist teruggevonden, zo zou de volgende dag bekend zijn gemaakt. Propaganda misschien, want uit andere bronnen blijkt dat Ferdinand von Hiddessen – zijn werkelijke naam – begin 1915 krijgsgevangen is gemaakt. Diezelfde naam duikt jaren later ook weer op in een Amerikaanse lijst van nazikopstukken.

 

Begin september wordt de situatie in Parijs wel degelijk penibel. Een ware exodus komt op gang. Het is vluchten voor de Hunnen geblazen. Ook de regering neemt, op aandringen van Gallieni, de wijk  Maar dezelfde dag juichen twee stafofficieren in het hoofdkwartier van Gallieni. Het blijkt dat Von Kluck zijn leger naar het oosten heeft laten afbuigen, weg van Parijs, richting de Marne. Gallieni ziet dan zijn kans schoon. Van Joffre krijgt hij het commando over het Zesde Leger toevertrouwd. Bij de rivier de Ourcq valt Gallieni de ongedekte rechterflank van Von Kluck aan. Het is de openingsfase van de ongekend gruwelijke Slag bij de Marne, waarin de Duitse opmars stokt.

 

Anders dan in 1871 en 1940, valt Parijs in 1914 niet. De eer gaat naar Gallieni, wie door de historicus Liddell Hart zelfs een ‘Napoleontisch coup d’oeuil’ zal worden toegedicht, maar het is de opperbevelhebber Joffre die het ‘Wonder van de Marne’ achter zijn naam weet te schrijven. Papa Joffre kan voorlopig niet stuk bij het Franse volk. Gallieni, die niet eens een Croix de guerre voor zijn aandeel heeft gekregen, denkt daar bepaald anders over.

 

Als gouverneur van Parijs speelt Gallieni geen prominente rol meer. Na terugkeer van de regering is hij het vijfde wiel aan de wagen. Aan de zijlijn van het westelijk front onderkent hij de patstelling. Samen met een politicus als Aristide Briand en een collega-generaal als Louis Franchet d’Espèrey meent Gallieni dat het openen van een tweede front, op de Balkan, een noodzaak is.

 

In oktober 1915 wordt hij door een nieuwe Franse regering, met Aristide Briand als premier, tot het ambt van minister van Oorlog geroepen. Voortvarend als altijd gaat hij aan het werk. Hij ziet het vooral als zijn taak de missers van de generale staf, onder leiding van Joffre, aan te kaarten. Het verwaarlozen van de verdediging bij Verdun groeit uit tot een splijtzwam. Maar in maart 1916 wordt het Gallieni pijnlijk duidelijk dat hij deze slag niet gaat winnen. De regering handhaaft de al te populaire Joffre.

 

In de maand van zijn dood heeft hij het Franse kabinet een nota over de wijziging van het opperbevel voorgelegd. Gallieni draaide niet om de hete brij heen. Militairen dienden over militaire operaties te gaan. Bestuurlijke verantwoordelijkheid lag bij de minister van Oorlog. Bevelvoerders die ‘anachronistische ideeën en gedateerde procedures’ aanhingen, hoorden aan de kant te worden geschoven.

 

Gallieni dient zijn ontslag in om niet veel later in een ziekenhuis te worden opgenomen. Hij sterft op 27 mei 1916. Van de militaire top is niemand bij de uitvaart aanwezig. Maar vijf jaar later wordt postuum aan Joseph Gallieni de rang van maarschalk verleend.

 

***

 

Gallieni is niet in vergetelheid verzonken. In Parijs is het metrostation Gallieni een belangrijk knooppunt, dat in directe verbinding staat met het busstation Gallieni. Een stadje als Fréjus, in de Provence, herbergt niet alleen een lyceum en tennispark die naar Gallieni zijn vernoemd. Er staat ook een museum van de maritieme troepen met als pronkstuk het negentiende-eeuwse autootje waarmee Gallieni rondreed op Madagascar.  Zo gaat dat. Wie Parijs redt, ontsnapt aan het etiket Slachter van Madagascar.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s