013 Otto Weddigen en het levend aas (20 september 1914)

 

De duikboot ontpopt zich in 14-18 als de sluipmoordenaar van de zee. Het meedogenloos voorbeeld wordt in de tweede maand van de oorlog gesteld door de U-9 van Otto Weddigen. Drie Britse kruisers zendt hij niet ver van Hoek van Holland naar de bodem van de zee. De Duitsers hebben er een oorlogsheld bij, maar lang kan Weddigen daar niet van genieten. Zijn eigen zeemansgraf wordt een half jaar later al ten noordoosten van Schotland gedolven.

Het levend aas

Een heerlijk dagje uit, een absolute picnic, dat ligt de vroege ochtend van 22 september 1914 in het verschiet voor Otto Weddigen en zijn mannen van de Duitse U-9. Hij kan zijn ogen niet geloven als in de periscoop één, twee, drie Britse kruisers opdoemen. In een uur tijd vallen ze alle drie ten prooi aan de torpedo’s van de U-9. Twee Hollandse koopvaardijschepen, de Titan en de Flora, zullen nog 433 zeelieden uit het water weten te halen, maar 1459 man laten het leven, onder wie kadetten van vijftien, zestien jaar oud maar ook reservisten met gezinnen thuis. Weken aan een stuk spoelen hun lijken langs de Nederlandse kust aan.

 

De Aboukir is de eerste kruiser die overstag gaat. De Hogue snelt toe, maar maakt ook al gauw water. En als ten slotte de Cressy bezig is mannen uit het water te vissen, krijgt ook die kruiser de volle laag. Met veel empathie heeft een van de bemanningsleden van Weddigen het tafereel in de wateren bij Hoek van Holland beschreven. Citaat: ‘We probeerden het verschrikkelijke beeld weg te drukken van verdrinkende mannen, vechtend voor hun leven te midden van wrakstukken, zich vastklampend aan gekapseisde reddingsboten.’

 

Het waren verouderde kruisers, die het door het slechte weer zonder  escorterende torpedobootjagers hadden moeten stellen. De missie waar de drie deel van uitmaakten was van tevoren al cynisch the live bait squadron genoemd. Hard komt de klap aan in Engeland. De Britse almacht op zee, sinds eeuwen een feit, is door de Duitsers genadeloos ter discussie gesteld. Winston Churchill, verantwoordelijk voor de marine binnen de Britse regering, is uitleg verschuldigd. Wel degelijk had hij opdracht gegeven de kwetsbare kruisers uit Het Kanaal te halen. Maar toen daaraan geen gehoor werd gegeven, was Churchill zijn aandacht naar andere zaken gaan verleggen.

 

Ondertussen bejubelt Duitsland zijn nieuwe oorlogsheld: Otto Weddigen. De Britten spreken met afgrijzen over zijn daad, maar er is een collega-kapitein van Weddigen voor wie de Britse kranten wel vol lof zijn. Een ‘sieraad van de zee’ wordt hij zelfs genoemd, deze Karl von Müller. Op dezelfde dag, 22 september 1914, dient ook hij ter zee het Vaterland, maar dan aan het andere eind van de wereld. Von Müller staat aan het hoofd van de kruiser Emden en neemt vanaf de Indische Oceaan succesvol de Burmah Oil Company onder vuur. Niet zijn enige wapenfeit. De Emden is een ware plaag voor de Britten, maar zijn kapitein betoont zich een galante ridder van de hoge zee. Als Von Müller een schip op de korrel neemt, vergewist hij zich er altijd eerst van dat de bemanning het vege lijf kan redden.

 

In de eerste maanden van de oorlog nemen Duitse onderzeeërs de erecode van de zee in acht waar het gaat om de commerciële vaart. Op 20 oktober 1914 valt voor het eerst een Brits koopvaardijschip aan een Duitse onderzeeër ten prooi. De U-19 verrast de SS Glitra voor de kust van Noorwegen. De bemanning mag zich eerst in veiligheid brengen voordat de Duitsers het schip tot zinken brengen. Maar met dergelijke hoffelijkheid zal het gauw gedaan zijn. De duikboot wordt de sluipmoordenaar van de zeeën. Het meedogenloze voorbeeld dat Otto Weddigen heeft gesteld, krijgt op grote schaal navolging. Meest geruchtmakende voorbeeld: het zinken van de Lusitania door de U-20, mei 1915, voor de kust van Ierland.

 

***

 

De onderzeeboot is – anders dan de tank – geen noviteit in de Eerste Wereldoorlog. In 1776 al hebben de Amerikanen in hun vrijheidsstrijd tegen de Britten een onderwatervaartuig ingezet. Maar die Turtle heeft weinig potten weten te breken. Het is in de Eerste Wereldoorlog dat de duikboot als gevreesd wapen doorbreekt. De Engelsen hebben er lang geen antwoord op, zoals ze ook verrast worden door Duitse zeemijnen. Ze ontwikkelen een hydrofoon, een akoestisch instrument dat het geluid van een onderzeebootpropeller op vangt. Dieptebommen worden naarstig vervaardigd. Vanuit de lucht wordt naar U-boten gespied. Oorlogsschepen worden opgetuigd als koopvaarders: zogenaamde Q-schepen, die duikboten uit hun tent moeten lokken.  Patrouilles van torpedobootjagers schuimen ondertussen de jachtgebieden van de U-boten af.  En later in de oorlog worden Vlaamse duikbootbases aangevallen.

 

Ook voor zeelieden zonder claustrofobie is het een beproeving van jewelste  om in een ‘ijzeren doodskist’ onder water te gaan. Het leven aan boord is vreselijk monotoon: het lawaai van de motoren houdt dag en nacht aan. Als brugpersoneel doorweekt in de buik van de U-boot afdaalt, komt het terecht in een vochtige atmosfeer van oliedamp en roet. Schaars is de verlichting. Het kan er vreselijk tochten. Verkoudheid, oor- en longziekten – het ligt altijd op de loer.

 

Met hun onderzeeërs maken de Duitsers van de wateren rondom de Britse eilanden een gevarenzone. Zeker, de Britten slagen erin duikboten uit te schakelen, maar het grootste probleem voor de Duitsers is van diplomatieke aard. Duitsland jaagt neutrale landen tegen zich in het harnas door de handel met Engeland onder vuur te nemen. Met name de Amerikaanse president Wilson waarschuwt Duitsland keer op keer dat de zeeën vrij moeten blijven. Mare Liberum: het aloude beginsel dat de Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot in de zeventiende eeuw formuleerde.

 

Ondertussen proberen de Britten door een blokkade op zee de Duitse economie haar import te ontnemen. Een moeilijke klus, want de handel lekt aan alle kanten via neutrale landen als Nederland, Denemarken, Zweden en Noorwegen. De maritieme blokkade door de Britten gebruiken de Duitsers om hun onbeperkte duikbootoorlog te rechtvaardigen – en omgekeerd.

 

Als een paar maanden na de Lusitania de Duitsers ook de Arabic naar de bodem van de zee jagen, met opnieuw Amerikaanse staatsburgers onder de slachtoffers, lijkt de maat voor Amerika vol. Duitsland gaat door de knieën en besluit zijn onbeperkte duikbootoorlog te staken. Maar twee jaar later, als de oorlog te lande hopeloos verzand is, wordt de verleiding te groot en gaan de U-boten opnieuw jagen op de zeeën, in een uiterste poging een beslissing in de oorlog te forceren. Al wie rond dobbert in aangewezen Sperrgebieten, moet  Duitse torpedo’s vrezen. De piek valt in april 1917: in twee weken tijd verliezen de Britten 400.000 ton aan scheepslading. Een schip dat vanuit het Verenigd Koninkrijk de oceaan oversteekt, heeft een kans van één op vier dat het ook weer veilig terugkeert.

 

Binnen vijf maanden krijgen de Duitse U-boten  Engeland op de knieën, voorspelt  admiraal Henning von Holtzendorff. Een miscalculatie. Voor de nekslag is het aantal U-boten te klein. Begin 1917 hebben de Duitsers er 148. De Duitsers betalen ook een zware prijs voor hun onbeperkte duikbootoorlog: voor Amerika is het een voorname reden om zich alsnog in de oorlog te storten.

 

Dat jaar 1917 baart ook een woest Brits offensief dat als ‘Passchendaele’ bekend zal komen te staan. Het doel ervan, de Duitse duikbootbases in Zeebrugge en Oostende uitschakelen, wordt niet gehaald. De U-boten blijven hun tol eisen, maar het konvooisysteem blijkt uiteindelijk toch een probaat tegengif. De Britse admiraliteit moest er eerst niets van weten. De trefkans van een U-boot blijkt echter wel degelijk veel kleiner, wanneer schepen niet verspreid van elkaar de zee oversteken, maar onder bescherming in een konvooi bij elkaar kruipen. Het resultaat is ronduit spectaculair: van de ruim 5000 koopvaardijschepen die in 1917 in konvooi uitvaren, gaan er maar 63 verloren.

 

Het is de UB-123 geweest die voor het trieste slotakkoord van de onbeperkte duikbootoorlog heeft gezorgd. In de Ierse Zee torpedeert op 10 oktober 1918 de U-boot van Oberleutnant zur See Robert Ramm de postboot RMS Leinster. Meer dan 500 opvarenden komen om. Laten we bij zes ervan even stilstaan. Catherine Gould was aan boord gegaan met haar zoon Michael en haar dochters May, Essie, Alice, Angela en Olive – in leeftijd variërend van 1 tot 20 jaar. Aan de andere kant van de Ierse Zee wachtte vader Gould, die in een munitiefabriek werkte. Alleen Essie heeft ie van zijn gezin teruggezien. Behalve kinderen en postsorteerders had de Leinster ook honderden soldaten aan boord, met het westelijk front als bestemming aan boord.

 

***

 

Terug naar Otto Eduard Weddigen. Hij is als jongste van elf kinderen geboren te Herford, Noordrijn-Westfalen, in een familie van linnenfabrikanten, die tot op vandaag het bedrijf Weberei Weddigen voert.

 

Voor de genadeslag die hij bij Hoek van Holland uitdeelde, heeft Weddigen de  Pour le Mérite gekregen, een hoge onderscheiding die in het Duits ook onder de klinkende naam van Blaue Max bekend stond. Weddigen publiceerde een boek over de drie voltreffers. Deze passage gaat over de tocht terug naar huis: ‘Ik bleef zo lang mogelijk onder water, maar slaagde erin een radioboodschap uit te doen gaan aan de Duitse vloot dat ik naar huis kwam en achtervolgd werd. Door me af en toe te laten zien hoopte ik de vijand in de zone te lokken waar ze blootgesteld zouden worden aan verovering of vernietiging door Duitse oorlogsschepen.’

 

Dat plannetje ging niet op, maar het kostje van Weddigen was wel gekocht. Bierkroezen, medailles, muurtegeltjes, beeldjes: de verering van Weddigen laat zich vergelijken met die van de Duitse oorlogsvlieger Manfred von Richthofen, de Rode Baron, al zal de faam van Weddigen minder lang doorklinken.

 

Kapitein-luitenant Weddigen, die als vele anderen binnen enkele weken na het uitbreken van de oorlog is getrouwd, krijgt niet echt de tijd om van zijn heldenstatus te genieten.  De U-9 zelf zal de oorlog wel weten te overleven. Onder Otto Weddigen heeft het in oktober 1914 ook nog de Britse kruiser Hawke getorpedeerd. Maar dan verdwijnt Weddigen in de ziekenboeg om eenmaal genezen het commando te krijgen over de grotere en snellere U-29. Die wordt in maart 1915 geramd wordt door de Dreadnought.

 

Ten noordoosten van Schotland rust Otto Weddigen in zijn zeemansgraf. Hij was aan zijn 33e levensjaar bezig toen Neptunus hem bij zich riep. Het moet de Britten goed hebben gedaan dat juist de Dreadnought, gebouwd in 1906, dat klusje klaarde. ‘Dreadnought’ was een soortnaam geworden voor het zwaarste type slagkruisers.  De wapenwedloop tussen Engeland en Duitsland die aan de Eerste Wereldoorlog vooraf ging, spitste zich toe op het bouwen van zoveel mogelijk dreadnoughts. Er is zoveel prestige en geld in de kapitale schepen gaan zitten, dat vooral de Duitsers er niet aan moesten denken ze in een paar uur tijd te verliezen. Van een echte strijd op zee is het in de Eerste Wereldoorlog dan ook niet gekomen. Niet boven, maar onder water dreigde het gevaar.

 

In Versailles zullen de geallieerde overwinnaars pogen de Duitse schrik van de onderzeeërs voorgoed uit te bannen. Maar in juni 1935 rolt er weer een U-1 bij Kiel in het water. Aan de flottielje van duikboten, waar die U-1 deel van uitmaakt, geven de nationaal-socialisten een welluidende naam mee: Weddigen.

 

Het Britse drama van de Aboukir, Hogue en Cressy verdween uit het collectief geheugen, totdat de Nederlandse schrijver Henk van der Linden het niet alleen te boek stelde, maar nabestaanden ook bijeen ging brengen in The Live Bait Squadron Society. Een herdenkingsplechtigheid in Chatham, met de Hertog van Kent, is voorzien op 22 september 1914.

 

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s