014 Herbert Hoover en de versierde cotton bags (27 september 1914)

Hij is vooral de geschiedenis in gegaan als de Amerikaanse president die de crisis niet aan wist te pakken. Maar in de Grote Oorlog ontpopte hij zich als ‘vriend van de Belgen’ en nog lang daarna ging hij met voedsel rond in de wereld. Zing maar mee dus: ‘Mister, we could use a man like Herbert Hoover again.’

De versierde cotton bags

Op 1 oktober 1914 slaat de Amerikaanse diplomaat Hugh Gibson alarm. De bevolking van Brussel is aan het verhongeren. De noodkreet van Gibson resoneert thuis, in de Verenigde Staten. Een humanitair offensief komt er op gang, met de Commission for Relief in Belgium als vehikel. Het hulpcomité krijgt een energieke voorzitter in de persoon van Herbert Hoover, die veertig jaar oud is en zijn schaapjes al op het droge heeft.

 

Herbert Hoover heeft carrière gemaakt als mijningenieur, maar nu lonkt een publiek leven. Vanuit Londen heeft hij zich de eerste oorlogsweken ingespannen om Amerikaanse burgers veilig van het Europese continent af te halen. Hij gaat zich nu het lot aantrekken van de Belgische bevolking, die vermalen dreigt te worden in het oorlogsgeweld. Er wordt gesproken van the rape of Belgium: de verkrachting van België. Het is een beeld dat de geallieerde propagandisten prima uitkomt. De Hun die meedogenloos zijn tanden zet in een weerloos volk: zo’n karikatuur is goed voor de fighting spirit.

 

De feiten logen er niet om, wat de Britse burggraaf James Bryce betrof. In mei 1915 publiceerde hij een schrikbarend rapport over Duitse gruweldaden in het bezette België. Bryce somde daarin vier conclusies op: 1) systematisch en opzettelijk hebben de Duitsers in verschillende plaatsen slachtpartijen onder burgers aangericht 2) kinderen en vrouwen waren onder de slachtoffers 3)  Duitse officieren hebben opdracht gegeven tot plundering, brandstichting en vernieling van eigendommen 4) burgers zijn gebruikt als menselijk schild, gewonde soldaten vermoord en de vlag van het Rode Kruis en de Witte Vlag misbruikt.

 

‘Het eerste slachtoffer in een oorlog is de waarheid’, zo heet het en terecht. De talrijke voorbeelden zijn van alle tijden. De Irakese soldaten die in 1990 Koeweitse baby’s uit couveuses haalden en op de vloer legden, bleken door een pr-bureau te zijn gefabuleerd. Maar zo origineel was dat helemaal niet. Afgrijselijke verhalen over babymoord hadden in de Grote Oorlog al effect gesorteerd.

 

Zo tekende Bryce deze getuigenverklaring op: ‘Toen ik in de keuken keek, zag ik hoe de Duitsers de baby uit de armen van de boerin grepen. Er waren drie Duitsers, één officier en twee soldaten. De twee soldaten hielden de baby vast en de officier nam zijn zwaard en onthoofdde het kind.’[2] Het kinderleed is bij Bryce niet te overzien. Acht Duitse soldaten die een tweejarig kind op hun bajonet spiesden; baby’s die in kokend water werden gedompeld; zuigelingen die tegen de muur werden geslingerd… Historici hebben na de oorlog gespeurd naar bewijzen voor dergelijke gruweldaden, foto’s met name, maar die niet gevonden. Bryce heeft onmiskenbaar zijn wetenschappelijke reputatie opgeofferd aan het oorlogsbelang, zoals ook tal van journalisten hun huik naar de vaderlandse wind hingen.

 

Onverlet blijf wel dat in plaatsen als Dinant en Andenne in Wallonië en Leuven en Aarschot in Vlaanderen zich afgrijselijke slachtpartijen hebben voltrokken. Wat lag aan die orgieën van barbaars geweld ten grondslag? In verklaringen duikt steevast de mythe van de franc-tireur op. Met afgrijzen herinnerden de Duitsers zich dergelijke vrijschutters nog uit de Frans-Pruisische Oorlog. Vanachter muurtjes of vanuit dakraampjes schoten ze lafhartig op passerende soldaten. ‘Man hat geschossen!’, riep iemand. En dan ging het als een lopend vuurtje door de Duitse rangen. Wat volgden: represaillemaatregelen, die in geen verhouding stonden tot het bescheiden verzet van Belgische burgers.

 

Neem het stadje Aarschot, niet ver van Leuven. Op 19 augustus 1914 levert het Belgisch leger er nog slag met de Duitsers. Maar om zeven uur ’s avonds staat de Duitse kolonel Stenger op het balkon van het huis van de burgemeester, Tielemans geheten. Er klinken schoten. Stenger zakt in elkaar. Dood. Wie de trekker over heeft gehaald, is nooit duidelijk geworden. Een afgeketste kogel uit een Duits geweer is het meest waarschijnlijk. Maar de Duitsers trekken al snel een andere conclusie: Stenger is in zijn rug neergeschoten door de zoon van de burgemeester – een franc-tireur dus.

 

Een jacht op meer van die ‘vrijschutters’ volgt in het stadje, dat ook aan brandschatten en plunderen ten prooi valt. Mannen worden verzameld op een veldje. In groepjes van drie worden er 76 in koelen bloede afgemaakt. Een andere groep, met daarin burgemeester Tielemans, wordt de hele nacht vastgehouden. Tielemans wil de Duitsers ervan doordringen dat hij voor hun komst zijn burgers heeft opgeroepen om toch vooral van geweld af te zien. Het mag niet baten: de burgemeester, zijn broer en zijn zoon horen bij de volgende groep mannen die gefusilleerd worden. Het zijn dit soort gruwelverhalen die de wereld over gaan, al is voor menigeen de aangestoken brand van de universiteitsbibliotheek van Leuven het duidelijkste bewijs dat Duitsland niet langer tot de westerse beschaving moet worden gerekend.

 

België zucht. Gaandeweg de oorlog wordt ook de economie ondergeschikt gemaakt aan het Duitse oorlogsbelang. Boeren draaien zo slecht nog niet, maar de industrie komt op een beduidend lager pitje te staan. Voorbeeld: in 1913 telt België 54 actieve hoogovens. Door gebrek aan ertsen draait er in 1917 nog maar één. Belgische mannen worden gedeporteerd om in fabrieken de plaats in te nemen van Duitse arbeiders die naar het front zijn afgereisd. De Duitsers hebben een doorzichtige smoes voor die maatregel: bestrijding van de hoog opgelopen werkloosheid in België. Het land wordt als bezet gebied ook getroffen door de geallieerde handelsblokkade, die fnuikend is voor de voedselvoorziening, waaraan de Duitsers zich toch al niet te veel gelegen laten liggen. Men heeft wel wat anders aan het hoofd dan Belgen eten geven.

 

In dat humanitaire vacuüm moet de Commission for Relief – een organisatie van vrijwilligers, inclusief Herbert Hoover zelf – de Belgische noden zien te lenigen. De commissie van Hoover zorgt voor de fondsenwerving, de aankoop van voedsel en het transport naar Europa. In België zelf regelt een Nationaal Hulp- en Voedingscomité, aangevoerd door Emile Francqui, vervolgens de verdeling van de levensmiddelen. Vanuit Rotterdam worden die per boot naar België  vervoerd. De samenwerking tussen Hoover en de tien jaar oudere Francqui gaat met wederzijdse ergernissen gepaard. Dertien jaar voor de oorlog hebben de twee al een aanvaring gehad in een mijnaffaire.

 

Hoover loopt sowieso op eieren. Met beide oorlogspartijen moet zijn commissie afspraken maken en onderhouden. De Amerikaanse filantroop weet in oktober 1914 de Engelsen er al toe te bewegen voedsel door te laten. Duitsland moet dan wel beloven die levensmiddelen niet te vorderen voor de eigen achterban. Maar het blijft schipperen. Veertig keer steekt Hoover de Noordzee over. Zonder dat spookbeeld van lange rijen voor hulppunten in België was hij er al lang mee opgehouden.

 

Hoover beseft in oktober 1914 niet dat zijn humanitaire taak een zaak van jaren gaat worden. Maar zijn missie houdt hem gaande: kinderen laten lachen. Koning Albert zal hem er aan het eind van de oorlog een speciale titel voor verlenen: ‘Friend of the Belgian people.’ Hoover was het boegbeeld, waarachter in Amerika talloze inzamelingsacties voor poor little Belgium schuilgingen. Her en der werd geld opgehaald op Belgische bazaars en bals masqués.

 

De hulp komt niet alleen uit Amerika. In de eerste maanden van de oorlog gaat een miljoen pond vanuit Australië naar de Belgische vluchtelingen. Uit Argentinië, uit China, uit Spanje maar ook uit Frankrijk worden goederen verzonden.

 

Ruim 300 miljoen kilo bloem heeft Hoovers commissie verscheept naar België. Het werd vervoerd in cotton bags. Van die zakken maakten Belgische vrouwen vervolgens kleren of kussens, maar een groot aantal ook werd versierd met borduurwerkjes en kant. Zo werden ze verkocht om van de opbrengst weer nieuw voedsel voor de Belgen aan te kunnen schaffen. Herbert Hoover heeft ook  honderden van die versierde cotton bags als cadeautje gekregen. In het Amerikaans museum met zijn naam is een verzameling ervan te zien.

 

Als in 1917 Amerika de zijde van de geallieerden kiest, moet de commissie van Hoover een pas op de plaats maken. Gezanten van de neutrale landen Spanje en Nederland nemen het werk over, maar Hoover is daar aanvankelijk niet gerust op. Hij spoort in een brandbrief beide regeringen aan de Belgen toch vooral niet in de steek te laten.

 

De rest van de oorlog wordt Hoover thuis door president Wilson aan het werk gezet. Als directeur van de Food Administration gaat hij nu de voedselschaarste in eigen land te lijf. Hij doet dat met slogans als ‘voedsel beslist de oorlog’ (‘food will win the war’) en ‘maak alle kliekjes op’ (‘use all leftovers’).

 

De reputatie van Herbert Hoover kan niet stuk. Hij staat te boek als een Napoleon van de Genade. Een weeskind uit Iowa, die zich heeft ontpopt als vijand van  de honger. Zo iemand zou je president van de Verenigde Staten moeten maken. En dat wordt hij dan ook. Maar het jaar van zijn inauguratie is 1929, het jaar waarin Wall Street crasht en Amerika wegzinkt in een Great Depression. Het hooverisme, gericht op loonsverhogingen om de economie te stimuleren, pakt desastreus uit. En zo gaat de weldoener ook de geschiedenis in als de president die geen antwoord op de crisis had. Een tweede termijn blijft dan ook uit. Franklin Roosevelt verslaat Hoover glansrijk na een bittere strijd. Tijdens Hoovers campagne is zijn trein meerdere malen bekogeld met rotte eieren en fruit. O ironie!

 

Als zes jaar later Duitsland Polen binnenvalt, kruipt oud-president Herbert Hoover achter de radiomicrofoon. Hij voorspelt een uitputtingsslag en roept zijn land op zich daar toch vooral verre van te houden. Ondanks Hoovers waarschuwing, zal Amerika ook in de Tweede Wereldoorlog tegen Duitsland ten strijde trekken. En Herbert Hoover, die reist direct na de oorlog naar Duitsland om daar de voedselvoorziening weer op gang te helpen – een speciale opdracht van president Truman. De Duitsers maken zo kennis met Hoover-maaltijden: Hoover-speisung.

 

Direct na de Eerste Wereldoorlog had hij in Duitsland hetzelfde gedaan. Maar ook in het door de bolsjewieken overgenomen Rusland was Hoover met eten rondgegaan. Op de kritische vraag of hij zo de communisten niet in het zadel hield, luidde zijn antwoord: ‘Twenty million people are starving. Whatever their politics, they shall be fed!’

 

Herbert Hoover – zoon van een smid uit een geslacht van godsvruchtige Quakers – sterft in 1964, een halve eeuw na het uitbreken van de Grote Oorlog. Herbert Hoover is negentig jaar oud geworden. Hoeveel kinderen hij aan het lachen heeft gehouden, is in de statistieken niet terug te vinden.

Advertisements

One thought on “014 Herbert Hoover en de versierde cotton bags (27 september 1914)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s