017 Käthe Kollwitz en de ernst van het oorlogskerkhof (18 oktober 1914)

 

Wie bijna een eeuw na dato over de slagvelden van de Grote Oorlog dwaalt, moet speuren naar littekens in het landschap. Een krater kan, te rond van vorm, het verleden verraden; of anders een bunker van beton, die zijn strijd met het onkruid koppig voortzet. Maar verder is er zand over het conflict gegooid door boeren, stedenbouwkundigen, wegenbouwers en niet in de laatste plaats moedertje natuur. Maakt dat het landschap schuldig? Dat is in elk geval de poëtische overpeinzing van de Nederlandse kunstenaar Armando.

 

Toch is de oorlog onontkoombaar in Noord-Frankrijk, de Westhoek of de IJzerstreek. Door tal van monumenten – bombastisch, sereen of onbeduidend. Maar vooral door de schier eindeloze reeks graven, verspreid over honderden dodenakkers – grote en kleine.

 

Op de ene begraafplaats heeft de wind vrij spel tussen de zerken. Op de ander rusten de jonge levens onder een bladerdak. Zo’n lommerrijke plek is Vladslo, niet ver van Diksmuide. Een Duits militair kerkhof ligt er aan de rand van het Praetbos. Een wat cynische naam, die dan ook wel van voor de oorlog zal zijn. De meer dan 25.000 jonge Duitsers die hier rusten, praten niet.

 

Peter Kollwitz is een van hen. Op 23 oktober 1914 is hij gesneuveld in de strijd bij de IJzer, waar het Belgische leger de hakken in het zand had gezet. Hij was een musketier, een bescheiden rang waarvan de naam valselijk herinnerde aan napoleontische tijden. Peter Kollwitz behoorde gewoon tot het voetvolk. Hij was dan ook pas achttien jaar oud.

 

Vervuld van jeugdig enthousiasme waren de Duitse bataljons in veewagons naar Vlaanderen afgereisd. Alleen voor de grens waren ze toegejuicht. Een militaire opleiding hadden ze nauwelijks gekregen. Van de schoolbanken naar het slagveld ging het in één grote, patriottische stap. Bij bosjes zijn ze neer gemaaid.

 

Op 10 november loopt zo’n meute studenten in het vuur van Britse soldaten, die wel door de wol zijn geverfd. Een dag later komt de Duitse legerleiding met dit bulletin: ‘We hebben mooie vooruitgang geboekt in de IJzer-sector gisteren. Ten westen van Langemarck braken jonge regimenten, ondertussen zingend Deutschland, Deutschland über alles, door de eerste vijandelijke linie en namen die in. Zo’n tweeduizend Franse infanteristen en zes machinegeweren werden buitgemaakt.’

 

Het was een leugenachtig staaltje propaganda. Duizenden Duitse doden op één dag: dat stond er sowieso niet in. En het strijdtoneel had dichter bij de plaatsjes Noordschote en Bikschote gelegen, maar Langemark zal prettiger in het Duitse gehoor hebben gelegen. Dat de jongens van hun stormloop een koorrepetitie hebben gemaakt, zullen we ook maar niet geloven. Maar de mythe van Langemark was geboren – met alle monumenten en herdenkingen in de Heimat van dien. Ook Adolf Hitler gaat Langemark exploiteren.

 

Er is een andere, meer treffende benaming voor het jeugdig sterven in de Duitse rangen: der Kindermord. En kinderen hebben een vader en een moeder. Als zijn broer is gesneuveld, moet ene Kurt Lommatsch zijn ouders en zuster op 28 oktober 1914 het slechte nieuws brengen. Het slot van zijn brief luidt: ‘Beste ouders, ik smeek u nog eens, geeft u zich niet té veel over aan uw smart om de jongen. Hij heeft toch zijn leven gegeven voor ons door vijanden omringde Duitsche vaderland, evenals zoovele anderen, die meekwamen uit Duitschland en nu in vreemde aarde rusten. Het beste met u allen. Hartelijke groeten van uw thans nog enige zoon.’

 

Peilloos is het verdriet van ouders die hun volwassen kind verliezen, leert een Frans praktijkhandboek: ‘Zij zijn veel zwaarder getraumatiseerd en vertonen een chronische rouw met psychische, somatische en dergelijke storingen. De dood van dit kind wordt voor de rest van hun leven het overheersende thema van hun gedachten en gesprekken.’

 

***

 

Käthe Kollwitz had twee zonen: Hans, de oudste, en Peter. Al snel na Peters  dood rijpt het plan om een monument voor niet alleen haar eigen zoon, maar al die andere jongens én hun ouders te maken. Käthe Kollwitz is een geëngageerd kunstenares. Ze is in haar werk begaan met de zwoegende en lijdende mens, die ze ook kent uit de spreekkamers van haar man Karl, een ziekenfondsarts, voor wie ze weinig passie voelt. Het socialisme heeft ze in het Oost-Pruisische Königsberg van huis uit meegekregen, maar de kadaverdiscipline van een politieke partij is haar vreemd.

 

Maar nu moet ze haar eigen pijn in kunst omzetten. En dat kost haar jaren. In december 1914 stelde ze zich nog een beeldengroep voor van een vader aan het hoofd van zijn languit liggende zoon en een moeder aan het voeteneind van de betreurde. In 1932 pas is ze klaar. Het is een ‘Treurend Ouderpaar’ geworden. Geen zoon. Alleen een vader en een moeder. Ze staan apart, verwijderd van elkaar door gezamenlijk verdriet. Er is geen troost te bekennen. Hij staart verlamd voor zich uit. Zij duikt ineen. Blokken van kommer, gespeend van finesse. Ze klemmen de handen om hun lijven, die anders in zouden storten. Vragen ze, allebei knielend, vergiffenis aan hun zoon, die daar verdonkeremaand in de aarde onder hun voeten ligt, één van de vijfentwintigduizend van Vladslo? Het is voor velen het meest indrukwekkende monument van de Eerste Wereldoorlog, hoewel het geen enkele relatie met een locatie of gebeurtenis verraadt. Zelfs de signatuur van de maker ontbreekt. ’s Winters staan de beelden ingepakt. Maar ieder voorjaar weer ontluikt hun verdriet, dat met wroeging is aangelengd.

 

Waarom had Käthe Kollwitz haar zoon er niet van kunnen overtuigen dat de oorlog geen doel diende? Ze had hem bij zijn vertrek naar het front, als zoveel moeders, roze anjelieren gegeven en na de val van Antwerpen de zwart-wit-rode vlag uit het raam van zijn kamer gehangen. Nu, na zijn dood, wist ze beter. Maar was dat besef ook weer niet verraad aan Peter, die voor zijn overtuiging gesneuveld was? ‘Breek ik het vertrouwen in jou, Peter’, richt ze zich in oktober 1916 via haar dagboek tot haar overleden zoon, ‘als ik nu alleen nog maar waanzin in deze oorlog kan herkennen?’

 

Käthe Kollwitz heeft haar beelden nooit in Vladslo zien staan. In 1956, ze was toen al elf jaar dood, zijn ze ernaartoe overgebracht. De regeringen van België en West-Duitsland hadden besloten tot een concentratie van Duitse begraafplaatsen in Vlaanderen. Hooglede, Menen, Langemark, Zeebrugge en Vladslo: alleen daar nog rusten Johann, Helmut, Heinrich, Kurt en Peter in Vlaamse velden. De stoffelijke resten van Peter Kollwitz – we moeten daar maar op vertrouwen – werden in 1956 overgebracht van Esen-Roggeveld, waar hij vlakbij was gesneuveld, naar Vladslo.

 

Een goede week voordat de Britten hun 45 meter hoge oorlogspoort bij Thiepval inwijden, een bakstenen eerbetoon aan de doden van de Somme, is Käthe erbij als haar van gips naar graniet getransformeerde beelden in Esen-Roggeveld geplaatst worden. ‘Als we vertrekken, ben ik eerder treurig dan vrolijk’, schrijft ze op 23 juli 1932 in haar dagboek. Ze moet ook andere begraafplaatsen hebben bezocht, want dit schrijft ze iets verderop: ‘De Engelse en ook de Belgische begraafplaatsen zijn helderder, in zekere zin vriendelijker en burgerlijker, vertrouwder dan de Duitse. Ik geef de voorkeur aan de Duitse. De oorlog was geen vrolijke zaak, het past niet om dit jong sterven met bloemen te verfraaien. Ernstig moet ieder oorlogskerkhof blijven.’

 

Een maand later, terug in Duitsland, noteert ze het volgende: ‘Terugblikkend op de tijd in België is mijn mooiste herinnering die van de laatste middag, toen Van Hauten ons nog een keer erheen reed. Hij liet ons alleen en we gingen van de beelden naar het graf van Peter en alles was zeer levendig en helemaal doorvoeld. Ik stond voor de vrouw, zag haar – mijn eigen – gezicht, huilde en streelde haar wangen. Karl stond vlak achter me – ik wist het niet eens. Ik hoorde hem fluisteren: ‘Ja, ja.’  Wat waren wij toen samen!’

 

Een jaar later komt Hitler aan de macht. Net als de schrijver Heinrich Mann wordt Käthe door de nieuwe machthebbers uit de Academie der Kunsten gezet. De kunst van Käthe Kollwitz is entartet – ontaard. De sculpturen van Ernst Barlach, die meer dan de vermaarde Auguste Rodin het werk van Kollwitz heeft beïnvloed, ondergaan hetzelfde lot. De Gestapo zal langs komen en Käthe met het concentratiekamp dreigen. Haar leeftijd zal haar niet redden, zeggen ze erbij. ‘We besluiten’, schrijft ze juli 1936 in haar dagboek, ‘het concentratiekamp, als dat onvermijdelijk lijkt, door zelfmoord te ontvluchten.’

 

Dat zal niet nodig blijken, maar een nieuwe oorlog blijft ook Käthe Kollwitz niet bespaard. Haar man sterft in 1940. Op oudejaarsavond 1941 schrijft ze een brief aan haar kleinzoon Peter, vernoemd naar de oom die hij nooit gekend heeft. Peter dient in het leger van Hitler. ‘Du geliebter Junge’, schrijft zijn oma. ‘Toen je vader gisteren belde en me mededeelde dat je in het lazaret ligt met een lichte vorm van geelzucht, kon ik niet zeggen hoe het me verging. Je leeft en bent op tijd geborgen. Hou je geelzucht maar, zolang je wilt.’

 

Oktober 1942 houdt ze het kort in haar dagboek. Hans, de oudste van haar twee zonen en de vader van haar kleinzoon Peter, is langs geweest. ‘Hij kwam heel stil binnen. Toen wist ik dat Peter dood is. Op 22 september is hij gevallen.’ Käthe Kollwitz heeft na haar zoon Peter ook haar kleinzoon Peter aan de oorlog moeten laten.

 

Maar ze gaat verder, omdat ze moet. Februari 1994 spoort ze Hans aan om zijn jongere zoon Arne alvast Russisch te leren: ‘Dan heeft hij later een voorsprong op de anderen.’ En in diezelfde maand noteert ze: ‘Het ergste van alles is dat iedere oorlog zijn antwoordoorlog in zich draagt. Iedere oorlog wordt met een nieuwe oorlog beantwoord. Hoe dan de wereld eruit mag zien, hoe Duitsland eruit mag zien, dat weet alleen de duivel. Daarom ben ik met heel mijn hart voor een radicaal slot aan deze waanzin en verwacht alleen van het wereldsocialisme iets.’

 

Juni 1944 verlangt ze naar het einde: ‘Van jullie weg te moeten gaan, van jullie en jullie kinderen, zal verschrikkelijk zwaar zijn. Maar het niet te stillen verlangen naar de dood blijft.’ Maart 1945: ‘Jij, mijn eerstgeborene, ik ben nu zeer oud en zal er nog maar een jaar bijdoen. Elke nacht droom ik van je, ik móet je nog een keer zien. Als het werkelijk zo is dat ik je onder geen enkele omstandigheid kunt komen, dan geloof ik je. Maar ik moet het van jou zelf horen.’ Kunst kan ze, oud en versleten, niet meer maken. Maar een moeder is ze tot het allerlaatst gebleven.

 

Op 22 april 1945 sterft Käthe Kollwitz op 77-jarige leeftijd. De oorlog, haar tweede, zal niet lang meer duren.

Advertisements

One thought on “017 Käthe Kollwitz en de ernst van het oorlogskerkhof (18 oktober 1914)

  1. Dag Tom
    Vandaag je artikel gelezen over de Grote Oorlog.
    Ook ik werd gegrepen door Kathe Kollwitz’ aangrijpende monument.
    Haar leven, haar verhaal bracht die oorlog zo dichtbij.
    Wij gingen in de winter naar de Westhoek, ik wilde haar beelden zien…ingepakt dus, maar het liet me nooit meer los. Bedankt!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s