020 Kato Takaaki en het snelle herstel van de vrede (zondag 8 november 1914)

In zijn meest banale vorm is oorlog een kosten-batenanalyse. Wie de Eerste Wereldoorlog bestudeert, krijgt de indruk dat de kosten – aan mensenlevens vooral – wat lichtjes gewogen zijn, terwijl de baten vooral op de lange duur flink tegenvielen. Er is één land dat ’14-‘18 uiterst efficiënt heeft afgewikkeld: Japan. De politicus die bij uitstek zijn natie met minimale inspanningen en verliezen wist op te stuwen in de vaart der volkeren, heette Kato Takaaki, minister van buitenlandse zaken. De Pruisische strateeg Carl von Clausewitz indachtig was oorlog voor een man als Takaaki slechts een voortzetting van het politieke verkeer.

 

Het officiële aantal gesneuvelde Japanse soldaten is aan het eind van de oorlog 415 hoog, al zijn er ook schattingen die richting tweeduizend gaan. De Japanse dodenlijst van de Eerste Wereldoorlog staat hoe dan ook in geen verhouding tot die van de geallieerde bondgenoten, maar net zomin tot het aantal van 2 miljoen Japanse militairen die in de Tweede Wereldoorlog het leven gingen laten. Burgerdoden kende Japan tussen ’14 en ’18 sowieso niet.

 

Kato Takaaki was minister van buitenlandse zaken onder premier Shigenobu, die in zijn jonge jaren nog les had gekregen van een Nederlandse missionaris. Door deze Guido Verbeek was Shigenobu vertrouwd met niet alleen de Engelse taal en het Nieuwe Testament, maar ook de westerse ideeën over een constitutionele staatsvorm. Japan stond rond de eeuwwisseling in een spreidstand, tussen traditie en moderniteit. Voorbij waren de tijden van sakoku, de geslotendeurpolitiek, waarop tot 1853 alleen de Nederlanders een uitzondering hadden mogen maken. Japan was zich in een rap tempo gaan ontwikkelen als een moderne, kapitalistische natie.

 

Maar de traditie bleek hardnekkig. Toen in 1912 de laatste Meiji-keizer stierf, pleegde een held uit de Russisch-Japanse oorlog harakiri. Ook de vrouw van die generaal sneed zichzelf de hals door. Een golf van ontroering en geestdrift spoelde over het land, ten teken dat het feodale Japan nog lang niet achter de horizon was verdwenen.

 

Begin 1914 was de rijzende zon in botsing gekomen met het harde geld. Het Duitse bedrijf Siemens bleek aan de top van de marine steekpenningen te hebben betaald. Het volk was woedend, de val van de regering onvermijdelijk.  Dat Siemens Schandaal maakte de weg vrij voor Kato Takaaki, die gecharmeerd was van het angelsaksische gedachtegoed. Het zondagskind was dan ook ambassadeur in Londen geweest, nadat hij de oudste dochter van de oprichter van Mitsubishi had weten te trouwen. Zijn nauwe banden met dat machtige bedrijf zouden hem later als politicus nog nagedragen worden.

 

Het was Takaaki’s doel om kabinet en parlement het buitenlandse beleid te laten dicteren. De macht moest weg van een kleine elite van ouderen, de zogenaamde genrō, voor wie de vriendschap met Engeland haar beste tijd had gehad. Duitsland leek als sparring partner voor het traditionele kamp een stuk aantrekkelijker. Veel officieren hadden een Pruisische training genoten.

 

De goede relatie met Groot-Brittannië dateerde al van ver voor de oorlog. De Anglo-Japanse Alliantie van 1902 was er vooral op gericht geweest Rusland in toom te houden. Drie jaar later zag Japan zich ook genoodzaakt dat in een oorlog met het rijk van de tsaar te regelen. Verrassend gemakkelijk had Japan die strijd gewonnen.

 

Na de overwinning op Rusland wist Japan Mantsjoerije, in het noordoosten van China, naar zich toe te trekken, zoals het ook zijn tentakels naar Korea had kunnen uitstrekken. Maar in 1911 keerde het tij zich in China tegen Nippon. De anti-Japanse generaal Yuan Shih-kai was erin geslaagd de Mantsjoe-dynastie omver te werpen. Het werd dus tijd voor een nieuwe Japanse list in China.

 

De Britten hadden ook zo hun zorgen over de expansiedrift van het bevriende Japan, maar het waren vooral de Amerikanen die Japan met argusogen bekeken. Het ging ze vooral om China, waarvan Amerika de deur open voor de vrije handel wilde houden, terwijl Japan in China eerder zijn uitgestrekte achtertuin  zag. Menig politicus in Japan voorzag op termijn ook een allesbeslissende clash tussen het gele en het blanke ras. Pearl Harbour zou daarvan in 1941 ook de openingsakte worden.

 

Voor Takaaki, de anglofiel, hoorde bij het Britse model ook het imperialisme. De oorlog die in 1914 Europa in vlam zette, bood hem een kans uit duizenden om daar meer werk van te maken. Japan kreeg al snel in de oorlog van Engeland het verzoek om de Duitse vloot van Maximilian von Spee onschadelijk te maken. De kruisers van Von Spee waren een gevaar voor de geallieerde koopvaarders en schepen die troepen vervoerden. Japan beschikte over een imposante vloot, met de Kongo als vlaggenschip.

 

Takaaki was er als de kippen bij om Duitsland na een ultimatum de oorlog te verklaren. ‘Hoewel ik het betreur dat Japan gedwongen is de wapens tegen Duitsland op te nemen’, zo verklaarde hij, ‘verheug ik mij erin dat het leger en de vloot van onze illustere vorst dezelfde loyaliteit en moed zullen tonen waarmee zij zich in het verleden hebben onderscheiden, zodat allen gezegend mogen worden door een snel herstel van de vrede.’

 

Fraaie woorden, maar ondertussen ging Takaaki verder dan de Britten voor ogen stond. Japan beperkte zich niet tot de jacht op Von Spee, maar liet zijn oog ook vallen op een reeks Duitse eilanden in de Grote Oceaan. De Marianen, de Marshall Eilanden en de Carolinen kwamen zonder al te veel strijd onder het bewind van Japan.

 

***

 

Meer moeite moesten de Japanse strijdkrachten doen voor de Duitse kolonie Qingdao, op het Chinees schiereiland Shandong. In 1898 hadden de Duitsers een pachtcontract voor 99 jaar bij de Chinezen los weten te peuteren. Jong als het Duitse Rijk was, had het ook pas laat werk van zijn koloniale ambities kunnen maken. Bismarck wilde daar aanvankelijk ook niks van weten. Maar aan het eind van de negentiende eeuw ging Duitsland dan toch zijn plek onder de zon opeisen. Qingdao gold als de Duitse springplank voor Azië.

 

De vloot van Von Spee had zijn thuisbasis Qingdao al voor het uitbreken van de oorlog verlaten, maar een garnizoen was achtergebleven. Dat wist twee maanden lang stand te houden tegen de Japanse overmacht. Generaal Mitsuomi Kamio pakte het dan ook behoedzaam aan. Hij smeedde een amfibisch plan: een aanval vanaf zee en over land. Voor dat laatste moest Japan wel de neutraliteit van China schenden. De Britten maakten daar geen probleem van: China was België niet. Aan de Japanse legermacht van 60.000 man werden twee Britse bataljons toegevoegd.

 

Op 7 november capituleerden de Duitsers.  Een dag later beet in een Duitse krant een officier die in Qingdao had gediend van zich af: ‘Wij hier thuis, wij zullen onophoudelijk het tegen onze kinderen zeggen: vergeet 7 november 1914 niet, vergeet niet die gele Aziaten, die zoveel van ons geleerd hebben, terug te betalen voor het grote onrecht dat ze ons hebben aangedaan, ook al zijn ze als huurlingen opgejut door die kleinzielige Engelsen.’

 

Met een nieuwe voet tussen de Chinese deur kan Kato Takaaki thuis in Japan voor de dag komen, ook al blijven de genrō mokken. Takaaki weet het initiatief van de diplomatie naar zich toe te trekken en vangt de oligarchie in zijn constitutionele net. Een stevige confrontatie met de Duitsgezinde veldmaarschalk Yamagata Aritomo schrijft Takaaki op zijn naam.

 

In januari 1915 legt Japan in Peking een pakket van 21 eisen neer. Tezamen komen ze neer op een behoorlijke versteviging van de Japanse grip op China, waarvan de Europese machten hun handen af hebben moeten trekken. De Chinezen zullen  uiteindelijk met 13 van de 21 eisen akkoord gaan. De verontwaardiging daarover onder de eigen Chinese bevolking is groot, maar ook het kost de Japanners ook de sympathie van de Verenigde Staten. Op 13 maart 1915 overhandigt de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken William Jennings Bryan een nota van twintig pagina’s aan de Japanse ambassadeur in Washington. De vermaning aan het adres van Japan luidt zich te onthouden van ‘politieke, militaire en economische dominantie over China’.

***

 

De Eerste Wereldoorlog zou voor de Kerst voorbij zijn. Voor Japan bleek dat aardig te kloppen. De geallieerden zullen gaan aandringen op het zenden van Japanse troepen naar de Europese slagvelden, maar Tokyo houdt die boot zoveel mogelijk af. Japanse schepen gaan in de Middellandse Zee patrouilleren om het gevaar van de U-boten in te dammen, maar daar blijft het dan ook bij.

 

De economie van Japan maakt tijdens de oorlog een flinke groeispurt door. Dat is met name te danken aan orders van de bondgenoten en het wegvallen van concurrerende koopvaardij. Export naar Groot-Brittannië en de Verenigde Staten verdubbelt. Naar China gaat vier keer en naar Rusland zelfs zes keer zoveel uitvoeren. Toch steekt inflatie aan het eind van de oorlog de kop op, met rijstopstanden en de val van de regering als gevolg. De Oktoberrevolutie in Rusland speelt Japan ook parten. De sovjets weigeren namelijk schulden van de tsaar af te lossen. De deelname van Amerika aan de Eerste Wereldoorlog wordt in Tokyo ook niet met gejuich begroet. Een actievere rol van de buurman aan de andere kant van de oceaan ziet men in Tokyo als een bedreiging van de Japanse belangen. Een generaal als Tanaka Giichi dagdroomde er in september 1914 nog van het tegen de Verenigde Staten op te nemen nu dat land nog onderontwikkeld was.

 

Hoe dan ook, in 1918 gaat Japan meedelen in de geallieerde overwinningsroes. Aan diplomatie de voorkeur gevend boven agressie sluit hij in 1925 een verdrag met de Sovjet-Unie. Als premier van Japan heeft hij ook nog de algemene dienstplicht voorbereid en het algemeen kiesrecht verbreed naar mannen boven de 25 jaar. Maar hij sterft in 1926 in het ambt ten gevolge van een longontsteking, 66 jaar oud.

 

Extreem militarisme en nationalisme krijgen in Japan de overhand, een ontwikkeling die Kato Takaaki niet tijdig heeft weten te keren. De liberale staatsman Yukio Ozaki, ‘Vader van de Japanse Constitutie’, heeft dat falen in zijn autobiografie geweten aan alle wind mee die Takaaki in zijn leven had ondervonden:’Kato permitteerde het zich te menen dat hij een groot man was en kon zich niet een hem onbekende kant van het leven voorstellen.’

 

***

 

Qingdao is tot 1922 in Japanse handen gebleven. De Duitsers zijn er nooit teruggekeerd, maar de bierbrouwerij die zij er in 1903 begonnen is uitgegroeid tot de grootste van China.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s