023 August de Block en het laatste restje hoop op ontsnappen (zondag 29 november 1914)

August de Block (foto amsab)

August de Block (foto amsab)

‘Kwatta’s, Kwatta’s’, roepen Belgische soldaten jennend naar hun Nederlandse bewakers, die soldaatjes van chocola. Het is 3 december 1914 en de spanning in het interneringskamp Amersfoort-Zeist is om te snijden. Een dag eerder zijn drie geïnterneerde Belgen gearresteerd. Vrouwelijke familieleden hadden burgerkleding naar binnen gesmokkeld: een duidelijk bewijs voor het Hollands gezag dat de drie Belgen een ontsnapping beraamden.

 

De poppen zijn nu aan het dansen. De wekenlang opgebouwde frustratie over de povere voorzieningen in het kamp komt tot een ontlading. Het eten lijkt op  gewapend beton. Luizen en ratten tieren welig achter het prikkeldraad. De kantine, waar de prijs van één glas bier gelijk stond aan een dag soldij, is al gesloopt. De Belgen verleggen nu hun aandacht naar de uitgang van het kamp. Een drievoudige waarschuwing, in twee talen, sorteert geen effect. Dan acht de kampcommandant het tijd om zijn mannen aan te laten leggen. Het vuur dat zij openen, eist ter plekke vijf doden, terwijl later nog eens drie van de eenentwintig getroffen Belgen komen te overlijden.

 

Hoe waren die Belgen in het neutrale Nederland achter slot en grendel beland? Antwoord: ten gevolge van de neutraliteitsverklaring van 4 augustus 1914 die de Nederlandse regering de oorlog lang stipt heeft nageleefd. Militairen die bij de oorlogsvoerende partijen hoorden en Nederlands grondgebied betraden, werden, zoals in 1907 bepaald tijdens de Tweede Haagse Vredesconferentie,  zonder pardon ontwapend en van hun vrijheid beroofd.

 

Dat lot trof een aanzienlijke groep Duitsers, onder wie een flink aantal deserteurs. Maar ook Britse soldaten die de val van Antwerpen niet hadden kunnen voorkomen, vonden zichzelf terug in een Nederlands kampement. Verreweg de grootste groep geïnterneerden vormden echter de Belgen. Ruim 33.000 hebben de oorlog in een Nederlands interneringskamp doorgebracht. Zevenduizend wisten aan de internering te ontsnappen, veelal met als doel om de wacht aan de IJzer te gaan houden.

 

Amersfoort-Zeist en Harderwijk waren de twee grootste. Maar ook Gaasterland, Oldebroek, Kampen, Assen, Loosduinen, Nunspeet en Zwolle – allemaal ver weg van de grens – kenden dergelijke Belgenkampen. Een kamp als Harderwijk groeide in de vier oorlogsjaren uit tot een compleet dorp, met een eigen school, kerk, hospitaal, gevangenis en was- en badgelegenheden. De Centrale Administratieve Commissie zette, met steun van koning Albert in het vrije België, een systeem op waarbinnen geletterde Belgen hun onderontwikkelde landgenoten in de kampen onderricht gaven. Veel geïnterneerden gingen in de Nederlandse bedrijven de plaatsen opvullen die gemobiliseerde arbeiders vacant hadden gelaten. Een gelijke beloning was allerminst vanzelfsprekend.

 

In 1917 telde het kamp in Harderwijk 43 sportverenigingen. Tal van Nederlanders kwamen er ook kijken naar wedstrijden op Nederlands grootste wielerbaan, die in het Belgenkamp was aangelegd. Veel vrouwen en kinderen van de geïnterneerde soldaten vestigden zich mettertijd in de directe omgeving. Begin 1916 verrezen vrouwendorpen bij de drie grootste interneringskampen.

 

De meeste Belgische geïnterneerden was het vergaan als August de Block, een arbeiderszoon uit St. Niklaas, die het bloedbad van 3 december 1914 in Amersfoort-Zeist van nabij heeft aanschouwd. ‘Die ‘fusillade’ maakte een diepe indruk op De Block’, schrijft zijn biograaf Joris De Coninck. ‘Het ontnam hem zijn laatste restje hoop op ontsnappen.’

 

***

 

Bij het uitbreken van de oorlog zit de dienstplicht van August de Block er nog niet op. Als soldaat tweede klasse moet hij het fort van Sint-Kathelijne-Waver mee helpen verdedigen. Maar de linie rond Antwerpen is niet bestand tegen de houwitsers van de Duitsers. ‘Toen het fort gebombardeerd werd, beseften onze jongens dat zij nutteloos hun kruit verschoten omdat hun geschut slechts vijftien kilometer ver droeg, terwijl de Duitsers ons van op twintig kilometer afstand bombardeerden’, heeft De Block laten optekenen.

 

Hij staat voor een dilemma. Moet hij zich in handen van de Duitsers laten vallen of vluchten over de grens met Nederland? De grote groep die net als De Block voor het laatste heeft gekozen, zal zich na de oorlog moeten verweren tegen het verwijt van desertie. ‘August De Block interpreteerde de vlucht naar Nederland, als direct betrokkene, echter heel anders’, schrijft zijn biograaf. ‘Hij gaf toe dat de opperbevelhebber van het bolwerk Antwerpen, generaal Deguise, de versterking tot de laatste snik wou verdedigen. Verscheidene andere officieren gaven evenwel, op eigen initiatief, hun troepen het bevel naar Nederland te vluchten, terwijl een derde groep militaire bevelhebbers de aan hen ondergeschikte troepen zonder meer in de steek liet. Elke soldaat uit dergelijke eenheden moest voor zichzelf de keuze maken tussen krijgsgevangenschap in Duitsland of internering in Nederland. De Block koos voor de internering, in de hoop Nederland toch nog te kunnen ontsnappen en zich bij het Belgische leger te vervoegen.’

 

Het opsluiten van de Belgische soldaten is een kleine klus vergeleken bij het indammen van de gigantische stroom aan burgers, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. De uittocht is een humanitaire ramp. De verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant noteert: ‘Van Antwerpen tot aan onze grens was het één lange, droeve stoet van menschen en dieren. Hele kudden vee werden meegedreven door in doodsangst vluchtende boeren uit de omstreken. Jonge mensen waren er, die een oude grootmoeder op een kruiwagen vervoerden. Voertuigen van allerlei soort zag men. En al die vluchtenden keken telkens om naar hun stad, die in vlammen en rook opging.’

 

Niet minder dan een miljoen Belgische burgers moet Nederland zien te verstouwen. Bergen op Zoom en Roosendaal zien de meesten passeren. Aanvankelijk is er onder de Nederlandse bevolking een grote bereidheid om die arme Belgen op te vangen. Het Nederlandsch Comité tot Steun van Belgische Slachtoffers van den Oorlog start een inzameling, die in november al 300.000 gulden heeft opgeleverd. In het boek ‘Buiten Schot’, over Nederland tijdens 1914-1918, haalt auteur Paul Moeyes het verhaal aan van een Belg die zijn in Nederland geboren dochtertje uit dankbaarheid Wilhelmina wil noemen.

 

Maar er zullen ook taferelen zijn geweest zoals Jos Wijnant die in 2008 beschreef in het Brabants Dagblad. Als 12-jarig Antwerps jongetje arriveerde hij in 1914 op het station van Den Bosch. ‘Weg met de Belgen, ze vreten alles op’, hoorde hij ze als 106-jarige nóg zingen. Wijnant zou het in Den Bosch brengen tot loco-gemeentesecretaris om uiteindelijk, nog altijd voorzien van een Belgisch paspoort, in 2008 te worden uitgeroepen tot de oudste man van Nederland.

 

Zo snel mogelijk worden de Belgische vluchtelingen over het land verspreid, uit angst voor de uitbraak van besmettelijke ziekten en uit noodzaak om de wegen vrij voor het Nederlandse leger te houden. De vluchtelingen worden in twee groepen verdeeld: armlastigen en arbeiders aan de ene kant en bemiddelden zonder bezittingen aan de andere kant. Een particulier die een volwassen vluchteling uit de eerste categorie opvangt, krijgt van de Nederlandse Staat een dagvergoeding van 35 cent. Het dubbele tarief geldt voor een bemiddelde vluchteling.

 

Het miljoen vluchtelingen zal snel in aantal afnemen. De Duitsers beloven de uitgeweken Belgen een behouden terugkeer, nu de strijd geluwd is. Ook de Nederlandse regering geeft via burgemeesters en plaatselijke comités de Belgen het klemmend advies om de eigen haard weer op te zoeken. Het enkeltje per trein is ook voor kosten van de Nederlandse staat. Veel Belgen gaan erop in. In december 1914 zijn er nog maar 124.000 Belgische vluchtelingen; in januari 1916 nog maar 80.000.

 

De ‘Belgische dorpen’ die in Nunspeet, Epe en Uden werden opgetrokken, hebben ook nooit hun capaciteit ten volle benut. De herinnering aan de naburige gasten zou na de oorlog snel vervagen, maar juist de laatste jaren, bijna een eeuw na dato, zijn er initiatieven ontstaan om de geschiedenis van de Belgenkampen nieuw leven in te blazen. In het Brabantse Uden houden ze al enkele jaren Belze Fiste. Er bestaan ook plannen om barakken als die uit het Vluchtoord Uden opnieuw op te trekken. En in november 2008 ontving op de Edese Heide de Belgische ambassadeur een nieuw boek over de opvang van Belgische vluchtelingen, met als treffende titel ‘De hei is groot genoeg’.

Terug naar August de Block. Vier jaar van zijn nog jonge leven heeft hij doorgebracht in Nederlandse gevangenschap. Zijn eerste weken bleven zo in zijn herinnering steken: ‘De barakken waren niet verwarmd, waren slecht geïsoleerd en het regende er binnen. Vele geïnterneerden overleden dan ook aan de gevolgen van longontsteking en tuberculose. Ook reuma en bronchitis teisterden de geïnterneerden. […] Slechts één keer in de tien dagen kon er gedoucht worden, open tonnen deden dienst als toilet en het afval werd in putten gestort.’

Die erbarmelijke omstandigheden en de woekerprijzen in de kantine brachten de verslagen frontsoldaten tot wanhoop. Velen gaven zich over aan drinken of gokken. Menigeen pleegde zelfmoord. Anderen kwamen in opstand. Acht lieten daarbij dus het leven. De verontwaardiging over de derde december van 1914 was groot in Nederland, maar een onderzoekscommissie zou gaan oordelen dat de autoriteiten geen blaam trof.

***

Pas op 2 december 1918, drie weken na de wapenstilstand, krijgt De Block samen met de andere Belgen zijn vrijheid terug van de Nederlandse regering, die kennelijk het zekere voor het onzekere heeft willen nemen. Het geruïneerde België zal voor de internering van zijn soldaten nog een rekening krijgen van de Nederlandse overheid: 53 miljoen gulden. Pas in 1937 hebben de Belgen die schuld afgelost. De opvang van Belgische burgers, een humanitaire opgave, kwam op grond van internationale verdragen voor rekening van Nederland zelf.

 

Na de oorlog heeft De Block zich ontpopt als een invloedrijk, socialistisch politicus. In het kamp had hij zich al gemanifesteerd als de plaatselijke voorzitter van de Bond van Belgische Arbeiders in Nederland. In die hoedanigheid was hij ook in contact gekomen met Rachel Hamel, dochter van een joodse diamanthandelaar uit Amsterdam. Er was weinig gelegenheid in het kamp om elkaar te ontmoeten, maar de relatie hield stand. Ze zouden trouwen en in de Tweede Wereldoorlog tijdig de wijk naar Engeland weten te nemen.

 

August De Block is in 1979 gestorven. Volgens zijn biograaf heeft hij nooit blijk gegeven van enige verbittering of wrok over de behandeling in de Nederlandse kampen. Het eerherstel in eigen land, dat hij zo vurig heeft verlangd, is August De Block en zijn lotgenoten door regering en legerleiding onthouden.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s