228 Wilfred Owen en kogels als zachte regen (zondag 3 november 1918)

Een week voor de Wapenstilstand sterft Wilfred Owen, dichter-soldaat. Bitterzoet en onwaardig is het om te moeten sterven voor je vaderland. Maar dat hoor je zelden als er herdacht wordt.

Wilfred Owen

Wilfred Owen

Kogels als zachte regen

Iedere avond om acht uur klinkt onder de Menenpoort van Ieper de Last Post als eerbetoon aan de gesneuvelde soldaten van de Grote Oorlog. Op bijzondere dagen is er altijd wel iemand die een gedicht voordraagt. Meestal zijn het de beroemde regels uit ‘For the Fallen’ (Voor de Gevallenen), dat Laurence Binyon al in 1914 schreef als devies voor nabestaanden:

At the going down of the sun, and in the morning
We will remember them

Dulce et decorum est is het bekendste gedicht van de bekendste war poet, Wilfred Owen. Je hoort het nooit eens voorgedragen worden onder die Menenpoort, die nota bene staat in de stad van het mosterdgas, het yperiet dus. Liever een oproep tot het herdenken van de doden dan een aanklacht tegen hun sterven? Bitterzoet en onwaardig is het om voor je vaderland te moeten sterven, verkondigt Owen de omgekeerde waarheid in de laatste regels van zijn gedicht. Daaraan vooraf gaat de beschrijving van een gasaanval waarin hij en zijn maten, doodvermoeid, terecht zijn gekomen. Eentje weet zijn gasmasker niet op tijd over zijn hoofd te trekken. Iedere nacht ziet Owen weer hoe die arme sukkel in het gas stikt. En dan wendt de dichter zich rechtstreeks tot zijn lezer, zijn luisteraar. In de vertaling van Tom Lanoye:

Als ooit, in nachtmerries, ook u zou moeten lopen
Achter de ezelskar waar wij zijn lijk op smeten;
Zag u die ogen draaien, paffig wit en open, in
Die omgekeerde duivelskop, verwrongen, aangevreten;
En hoorde u, bij elke bult, de gorgel van zijn bloed
Dat kwam geborreld uit door schuim verpeste longen,
Als een kapotgebeten tabakspruim geperst
Uit niet te helen zweren op reine kindertongen –

Mijn vriend, nooit meer verkocht u, trots en manifest,
Aan jongens, die dorsten naar wat vergeefse glorie
Uw Oude Leugen: Dulce et decorum est
Pro patria mori

Wilfred Owen heeft zijn grote oorlog niet overleefd. Vader en moeder, Tom en Susan Owen, kregen de kwade tijding van de dood van hun oudste zoon op 11 november 1918 – 11 november, Wapenstilstandsdag. Ook in Shrewsbury, waar de Owens woonden, beierden de kerkklokken omdat het eindelijk vrede was. Precies een week eerder was Wilfred Owen gesneuveld in Noord-Frankrijk, terwijl hij zijn manschappen aanmoedigde bij het oversteken van het kanaal tussen de Sambre en de Oise. Hij was 25 jaar oud – 25 jaar. In een militair hoekje van de begraafplaats voor de dorpelingen van Ors, een vlek in Noord-Frankrijk, staat de witte zerk van Wilfred Owen onberispelijk in een rijtje. Bezoekers laten bij hem wel beduidend meer poppy’s achter dan bij de anderen.

Vier dagen na zijn dood werd de toekenning van het Military Cross aan Wilfred Owen in het regimentsdagboek bijgeschreven. Hij had die onderscheiding verdiend door op de eerste oktober de bestorming van Joncourt, ten noorden van Saint-Quentin, aan te voeren. In de verlegen, introverte, studentikoze, barmhartige, verantwoordelijke maar ook ietwat naïeve Owen zat de soldaat ver weggestopt. Mei 1917 schreef hij zijn moeder nog: ‘Meer en meer ben ik een christen. Verdraag oneer en schande, maar grijp nooit naar wapens. Ze mogen je vernederen, woedend maken, vermoorden, maar moord niet.’ ‘Be killed, but do not kill.’ Hij wist waar Christus zich bevond: in het niemandsland. Vaak hoorden de mannen daar Zijn stem.

Maar in oktober 1918, bij Joncourt, was zelfs Wilfred Owen verworden tot een killer met dichtgeschroeide zintuigen: ‘My senses are charred.’ Zijn moeder krijgt dit verslag van Joncourt: ‘Na de granaten die we hadden ondergaan, en het gas, waren de kogels als zachte regen uit de hemel.’ En: ‘Ik verloor al mijn aardse eigenschappen en ik vocht als een engel… Ik maakte een Duits machinegeweer buit en nam een groot aantal mannen gevangen. Ik schoot er maar één met mijn revolver neer. Mijn zenuwen houden het prima.’

Owen moet zijn moeder hier ontzien hebben. De motivatie van het Military Cross leert dat Owen met het door hem veroverde machinegeweer de vijand ‘aanzienlijke verliezen’ toe heeft weten te brengen. ‘It is a great life’, bejubelt hij de vriendschapsband onder de soldaten in de allerlaatste brief aan zijn moeder, geschreven op de laatste dag van oktober. De kok hakte houtjes en het water spatte hoog op toen een oude soldaat zijn gejaste piepers in een pan wierp: zo ging het er in de habitat van de dichter-soldaat aan toe.

Wilfred Edward Salter Owen werd als de oudste van vier kinderen geboren in Oswestry, een dorpje in Shropshire, het graafschap dat grenst aan Wales, waar de helft van zijn stamboom ook wortelde. De bijbel en de gedichten van romantici als John Keats, Percy Bysshe Shelley en William Wordsworth vormden de gelovige jongeling. Voor een beurs schoten zijn cijfers tekort en thuis konden ze het geld voor een opleiding aan de universiteit van Londen ook niet opbrengen. In ruil voor inwoning ging hij diensten verlenen aan de vicar van het plaatsje Dunsden, ondertussen plantkunde studerend aan het University College in Reading. Owen raakte teleurgesteld in de zorg van de kerk om de armen en in de liturgie. Intellectueel werd hij ook niet door de vicar en zijn omgeving uitgedaagd.

In 1913 vertrok hij naar Frankrijk om er Engels te gaan geven op een school in Bordeaux. Later onderrichte hij aan huis twee jongens uit een katholiek gezin. Maar ook dat bracht hem weinig voldoening. Wel raakte hij bevriend met een oudere dichter, Laurent Tailhade, die in 1893 de Parijse bourgeoisie had geschokt door een aanslag van een anarchist op het Huis van Afgevaardigden goed te praten met de woorden ‘wat doet het slachtoffer ertoe als de daad mooi is?’

Na het uitbreken van de oorlog nam Owen zijn tijd om zich bij het Britse leger aan te melden. Hij heeft ook overwogen om zich bij de Fransen aan te sluiten. Op 21 oktober 1915 was hij niet langer bestand tegen de oorlogspropaganda en meldde hij zich alsnog als vrijwilliger bij het Officer’s Training Corps van de Artists Rifles. Zeven maanden duurde de training op een kamp in Essex. Pas op 1 januari 1917 kwam hij, ingedeeld bij het Manchester Regiment, in Frankrijk aan.

De oorlog in Frankrijk bracht hem de meest gruwelijke ervaringen. Januari 1917 verdedigde hij onder zwaar vuur vijftig uur lang een onder water gelopen dugout. In maart lag hij met een hersenschudding in het veldhospitaal. Weer een maand later werd Owen bij het bos van Savy, ten oosten van Saint-Quentin, door een loopgraafmortier de lucht in geworpen. Hij landde in een krater. Dagenlang lag de gevoelige ziel er te midden van de uiteengereten resten van een collega-officier – zo zou hij zich dat althans gaan herinneren.

Er was nu iets geknapt in die dromerige jongeman, die zo graag sonnetten schreef: shell shock. Als officier werd hij overgebracht naar het Craiglockhart Hospital in Edinburgh. Daar ontmoette hij een al gelauwerde poëet: Siegfried Sassoon. Allebei getraumatiseerd werd Owen door Sassoon gestimuleerd om zijn frontervaringen zonder omhaal onder woorden te brengen. Daardoor heeft niemand de horror van de Eerste Wereldoorlog zo dichtbij weten te brengen als Wilfred Owen in dat ene annus mirabilis van hem.

Owen verafgoodde Sassoon in een relatie die beslist ook homo-erotisch geladen was. Ze waren beiden ontdaan dat de ander vanuit het ziekenhuis weer naar het front terugkeerde. Owen werd in juni genezen verklaard. De volgende maand raakte Sassoon zwaargewond bij Hazebrouck.

Owen voelde het als zijn plicht om de plaats van zijn vriend in te gaan nemen. Als Sassoon niet meer kon verhalen van het leven in de loopgraven, dan moest hij dat maar voor zijn rekening nemen. In augustus stapte hij weer op de boot naar Frankrijk. Zijn moeder schreef hij eerder blij dan bang te zijn.

Voor de finale push van de geallieerde strijdkrachten bevond tweede luitenant Wilfred Owen zich in de voorhoede van het Vierde Leger. Om hem heen zag hij zijn mannen sneuvelen. Op de tweede oktober 1918 verloor hij drie brancardiers achter elkaar. Twee dagen later schreef hij in de zoveelste brief aan zijn moeder dat hij zijn jongens hielp door voor te gaan in de strijd én door hun lijden te aanschouwen. Op 4 november 1918 kwam aan zijn eigen lijden een eind, bij Ors.

Toen Owen onder Duitse kogels bezweek, waren er pas vier gedichten van hem gepubliceerd. Alles wat hij schreef vóór 1917, is amper de moeite waard geweest. De oorlog verhief hem tot een groot dichter, die in staat bleek de grootste gruwelen in erbarmelijke woorden te vangen. ‘My subject is war and the pity of war. The poetry is in the pity.’ De oorlog en de ellende ervan, daar moest hij over schrijven: ’All a poet can do today is warn.’ Ook in zijn brieven ging het hem erom de vinger op de zere plek te leggen. Zijn jongere broer Harold kreeg voorgeschoteld hoe het een soldaat met een verbrijzeld scheenbeen was vergaan. De dokter moest het bot ronddraaien en als een zuiger indrukken om de pus uit het been te krijgen. ‘Ik vertel je dit alles bewust om je te onderrichten over wat zich in een oorlog voordoet’.

Jonge broertjes komen ook voor in het sonnet ‘Lofzang op gedoemde jonge gasten’, zoals Tom Lanoye Owens ‘Anthem for Doomed Youth’ vertaalde. Ook al niet geschikt voor de Menenpoort:

Welk klokgelui betaamt voor wie vergaan als dieren?
Alleen het monsterlijke woeden van mortieren.

Of neen, alleen de ratel van een mitraillette -

Geen mens raffelt zo schoon een laatste schietgebed.



Voor hen geen bel of toeters, krans of kerkhofblom.
Geen treurmuziek – tenzij stampei van die orkesten

Die slechts bestaan uit slagwerk van kartets en bom
En bugels, jankend over droevige gewesten.



Waar brandt hun kaars? De vlam die hun ten afscheid heet?

Niet in de hand van jonge broertjes. In hun ógen

Laat nooit het vuur dat hen gedenken zal zich doven.



De bleekheid van verloofdes dient hun lijk tot kleed.

Eén bloem: de tedere berusting der beminden.

En elke schemering: het luiken van de blinden.

Het duurde een hele poos voordat Owens oorlogspoëzie echt het volle licht kreeg. Dat is in belangrijke mate de verdienste geweest van zijn vriend Siegfried Sassoon, die de oorlog wel overleefde. Benjamin Britten ging zijn War Requiem componeren rondom negen naar de keel grijpende gedichten van Owen. Aanleiding voor het stuk was de inwijding in 1962 van de nieuwe kathedraal van Coventry, dat platgebombardeerd uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Inmiddels leert de jeugd op Britse scholen behalve Shakespeare ook Wilfred Owen uit het hoofd. Maar of Horatius daarmee het zwijgen is opgelegd? Dulce et decorum est pro patria mori: de oude leugen regeert.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s