162 Benedictus XV en het losgeld voor de mensheid (zondag 29 juli 1917)


De wereldleiders aanhoren de zalvende woorden van Benedictus XV en gaan vervolgens over tot de orde van de dag. Neutraliteit predikend oogst de paus in beide oorlogskampen verontwaardigde reacties.

Het losgeld voor de mensheid

Als de Maagd van Orléans heeft Jeanne d’Arc haar onschuld door de eeuwen heen gedragen. De Engelsen brachten haar in hun Honderdjarige Oorlog met Frankrijk op de brandstapel om het leven. Dat was in 1431. In de vier jaren van de Eerste Wereldoorlog, waarin Fransen en Engelsen zij aan zij streden, vocht ook Jeanne mee op prentjes die in de loopgraven van hand tot hand gingen. Jeanne die een stervende, Franse soldaat ondersteunt. Jeanne die gezeten op haar schimmel met getrokken zwaard de weg naar de victorie wijst.

Frankrijk heet een katholiek land te zijn, maar sinds de Franse Revolutie hebben Parijs en Rome zich maar moeizaam verhouden. De twintigste eeuw begon met een verscherping van dat conflict, toen de Franse president een bezoek bracht aan de koning van Italië: een regelrecht affront aan het adres van het Vaticaan, dat in 1870 de stad Rome aan de Italiaanse staat had moeten laten. Paradoxaal genoeg bracht de scheiding van kerk en staat in de Franse republiek met zich mee dat voor seminaristen en priesters geen uitzondering op de dienstplicht werd gemaakt. Wat bleek: in de union sacrée die La Patrie in 1914 samenbond ging ook de Franse clerus zonder mokken op. Zo bracht de oorlog in Frankrijk een zekere verzoening tussen het wereldlijk en het kerkelijk gezag tot stand. Die détente werd in 1920 beklonken, toen in de Sint-Pieter te Rome dat meisje van vijf eeuwen terug heilig werd verklaard: Jeanne d’Arc.

Benedictus XV was de naam van de paus die Jeanne’s mystieke gaven boven haar militante inborst stelde, en passant zelf diplomatiek voordeel pakkend. Datzelfde jaar, 1920 dus, ontving Benedictus ook de kanseliers van Duitsland en Oostenrijk, de verslagen Centrale machten. En een jaar eerder had hij in Vaticaanstad Woodrow Wilson ontvangen. Het was de eerste keer dat een paus een president van de Verenigde Staten ontmoette. Zelfs Lenin in Rusland ging welwillend in op de toenaderingspogingen van Benedictus. Wereldleiders laafden zich in vredestijd aan het spiritueel gezag van de Heilige Vader. In de oorlog was dat wel anders geweest.

Die oorlog was in 1914 nog geen maand oud, toen in Rome paus Pius X het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Het college van kardinalen, voor de helft van Italiaansen bloede, nam er zijn tijd voor om een opvolger te kiezen. De witte rook was uiteindelijk voor Giacomo della Chiesa, al was die pas vier maanden kardinaal. Een markies van geboorte kwam hij voort uit de verarmde stadsadel van Pegli, stadsdeel van de havenstad Genua. Met de keizer van Duitsland had Giacomo gemeen dat hij aan een moeizame geboorte een gebrek over had gehouden. Klein van stuk liep hij wat mank.

Als aartsbisschop van Bologna hoorde Della Chiesa niet bij de intimi van Pius X, die van zijn pontificaat een strijd tegen het modernisme had gemaakt Nieuwlichters die dogma’s in hun historische context plaatsten en openstonden voor de waarheden van andere godsdiensten werden door Pius verketterd. In 1903 was hij terstond met zijn kruistocht begonnen, daartoe in staat gesteld door Franz Joseph. Die godvruchtige keizer van Oostenrijk-Hongarije was dat jaar het allerlaatste, katholieke staatshoofd dat gebruik kon maken van zijn Ius Exclusivae, het vetorecht bij de benoeming van een nieuwe paus. De tolerante Mariano Rampolla del Tindaro werd erdoor getroffen. Het was deze vooruitstrevende kardinaal-secretaris aan wie Della Chiesa zijn lot had verbonden.

In 1914 werd de tijd echter door een meerderheid van de kardinalen weer rijp geacht om de rechtlijnige paus door een buigzamer type op te laten volgen,ook met het oog op een betere relatie met de Italiaanse staat. Della Chiesa werd die herder. Van een pontificale kroning in de Sint-Pieter zag hij in het licht van de oorlog in Europa af. Op 6 september 1914 trad hij in de Sixtijnse Kapel als paus Benedictus XV naar voren. ‘Vredespaus’ werd zijn epitheton, ook al zou hij de vrede niet weten te bevorderen.

In het eerste jaar van zijn pausschap tracht hij tevergeefs Italië neutraal te houden, contacten aanknopend met politici, krantenmagnaten en ook de koninklijke familie. Hij dringt er in januari 1915 via zijn nuntius bij de Oostenrijkers op aan om concessies in de richting van Italië te doen: een overdracht van Zuid-Tirol met name. Wenen wil daar echter niets van weten , zoals de Belgische koning een jaar later ook niets kan met Benedictus’ boodschap dat met de Duitsers over een afzonderlijke vrede te praten valt.

Door zijn pleidooi voor Italiaanse afzijdigheid wordt hij van geallieerde kant in een kwaad daglicht gesteld. De paus is op de hand van de Centrale machten, zo heet het. Over de wandaden tegen Belgische en Servische burgers hoor je hem niet, merkt men daarbij op. De Fransen gaan hem ‘le Pape boche’ noemen, de ‘moffenpaus’. Indirect bewijs is dat hij vóór zijn pausschap werd gedecoreerd door zowel de keizer van Oostenrijk-Hongarije als die van Duitsland. Franz Joseph was Della Chiesa dankbaar voor de moeite die hij in 1888 had gedaan om het virulente antisemitisme in Wenen te temperen. Een jaar later trof de keizer in Della Chiesa bovendien een kerkdienaar die de overleden kroonprins een katholieke uitvaart vergunde, hoewel deze Rudolf een doodzonde had begaan door zichzelf het leven te nemen. De Duitse keizer Wilhelm II had aan zijn bezoek aan het Vaticaan in 1902 warme herinneringen aan Della Chiesa overgehouden.

In Ad Beatissimi, zijn eerste encycliek van september 1914, verklaart Benedictus het ontstaan van de oorlog uit ‘minachting voor gezag, het onrecht in de verhoudingen tussen de klassen, het verwerven van materiële goederen als het enig doel van menselijke activiteit en het onbeperkt streven naar onafhankelijkheid’. Op 28 juli 1915, exact een jaar na de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië, laat hij opnieuw van zich horen. Het is een smeekbede: ‘In de heilige naam Gods, in naam van onze hemelse Vader, ter wille van het gebenedijde bloed van Jezus, dat Hij als losgeld voor de mensheid gaf, bezweren wij u, die Gods voorzienigheid geroepen heeft tot de regering van de oorlogvoerende volken, eindelijk een halt toe te roepen aan dit ontzettende bloedbad dat sinds een jaar Europa onteert.’ De regeringsleiders aanhoren de zalvende woorden en gaan over tot de orde van de dag. Andermaal wordt pijnlijk duidelijk dat de paus op het mondiale toneel geen speler is. Ook bij de Haagse Vredesconferenties aan het begin van de eeuw is de rooms-katholieke kerk buitenspel blijven staan.

Rusland was orthodox, Engeland protestant en Frankrijk antiklerikaal: natuurlijke bondgenoten van de Heilige Moederkerk waren de geallieerde machten allerminst. Zo beschikten Engeland en Frankrijk, anders dan Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, ook niet over gezanten in Vaticaanstad. Een Beierse monseigneur in de Romeinse curie zou in 1916 het brandpunt van een voor Benedictus uiterst schadelijke affaire worden. Men had deze Rudolf Gerlach als volgt het torpederen van een Italiaans schip horen becommentariëren: ‘Zo, een paar uur geleden, heeft Italië zijn prijs voor het verraad aan Duitsland betaald.’ Gerlach is Duitslands spion in het hart van de Kerkelijke Staat, zo zwellen de geruchten aan, maar Benedictus gelooft heilig in diens onschuld en houdt hem lange tijd de hand boven zijn hoofd. ‘De affaire bracht het slechtste in Benedictus naar boven’, meldt biograaf John F. Pollard. ‘Zijn koppigheid, zijn notoire ontvlambaarheid en niet weinig paranoia.’

Conservatief van aard verhief Benedictus het herstel van de status quo van vóór de oorlog tot inzet van zijn buitenlands beleid. In het bijzonder was hem er veel aan gelegen om het huis van Habsburg als katholiek bastion in het hart van Europa voor instorting te behoeden, in een tijd van oprukkend nationalisme en socialisme. Die agenda schemert ook door in de talrijke oproepen tot vrede die Benedictus in zijn woestijn heeft laten klinken. Dès le debut (‘Vanaf het begin’), uit augustus 1917, mag als de meest indringende worden beschouwd. ‘Herstel van de morele macht van het recht’, is wat Benedictus betreft het kardinale punt. Concreter pleit hij voor vrijheid van de zeeën en het kwijtschelden van herstelbetalingen over en weer: dat is immers veel goedkoper dan het voortzetten van de oorlog. Duitsland dient België en Frankrijk te ontruimen; de geallieerden moeten Duitsland zijn koloniën teruggeven. Wat de territoriale vraagstukken tussen Italië en Oostenrijk en tussen Frankrijk en Duitsland betreft, daar moet men van Benedictus in een geest van verzoening samen wel uit kunnen komen. Bijzondere sympathie verdienen ten slotte Armenië, de Balkanstaten en de gebieden die deel uitmaken van het oude koninkrijk Polen.

Alleen bij de Oostenrijkse keizer Karel I vindt Benedictus gehoor voor zijn vredesnota. De Amerikaanse president Woodrow Wilson lijkt dergelijk pacifisme voorgoed te zijn ontstegen. The Times vertolkt in Engeland de stemming door te stellen dat de nota ‘doordesemd van Duitse ideeën’ is, terwijl de Franse premier Alexandre Ribot voorstelt een ontvangstbevestiging terug te sturen, wat niet eens hoeft van de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, baron Sidney Sonnino. In het Duitse kamp vangt de pauselijke nuntius ook bot. Deze Eugenio Pacelli, die als paus Pius XII zijn kerk door een volgende wereldoorlog zal gaan loodsen, wordt het duidelijk dat de Duitsers nieuwe hoop op een victorie hebben geput uit het ineenstorten van het Russisch leger. België zomaar weer prijsgeven spreekt de Duitsers sowieso niet aan.

Benedictus heeft geprotesteerd tegen het zinken van de Lusitania en de gedwongen deportatie van de Armeniërs. Hij drong aan op een vreedzame oplossing van de Ierse kwestie en wees nadrukkelijk op de noden in Duitsland ten gevolge van de maritieme blokkade. Maar al dat misbaar leverde Benedictus slechts verontwaardiging onder alle oorlogspartijen op. Wie vanuit een moreel perspectief zijn neutraliteit uitdraagt, houdt aan het eind geen vriend over. Met enig gevoel voor overdrijving is Benedictus dan ook ‘een van de eerste slachtoffers van de oorlog’ genoemd.

Hij stierf in 1922 tamelijk onverwacht, 67 jaar oud, aan de gevolgen van een longontsteking. Na zijn dood is hij in de vergetelheid geraakt, overschaduwd door de Pius-pausen voor en na hem. Aan ‘de onbekende paus’ werd het kerkvolk pas weer herinnerd toen in 2005 de Duitser Joseph Ratzinger zich als Benedictus XVI in de traditie plaatste van de ‘vredespaus’, die zelfs de edelstenen uit zijn nog door Napoleon geschonken tiara had verkocht om met de opbrengst slachtoffers van de oorlog te kunnen helpen.

028 Kardinaal Mercier en de luis in de Duitse pels (zondag 3 januari 1915)

De Belgen beschikken over een boegbeeld van onverzettelijkheid. Kardinaal Mercier waagt het zijn stem te verheffen tegen de Duitse bezetter, die het niet aandurft om van de prelaat een krijgsgevangene te maken. Maar in een Vlaams perspectief is die koene kardinaal juist het symbool van onderdrukking.

De luis in de Duitse pels

Dé verzetsheld in het bezette België was een kardinaal met de luisterrijke naam Désiré-Joseph Mercier. Versteend ligt hij heden ten dage languit op zijn praalgraf in de Mechelse kathedraal. Op een affiche uit 1916 staat monseigneur nog rechtop, in vol ornaat. Van die propagandaprent moet Mercier zelf genoten hebben, dat kan niet anders. Zijn rol van onverschrokken beschermheer mat ie zichzelf de oorlog lang met verve aan.

 

Achter Mercier zien we de Belgen creperen. Grijs en grauw zijn ze getekend. Maar de kardinaal – gehuld in een fel rood gewaad – staat pal vóór hen. Nors kijkt hij voor zich uit. De boodschap aan hen die al dit lijden veroorzaakt hebben, is duidelijk. ‘Genoeg!’, beveelt de kardinaal. De rechterhand strekt hij uit naar zijn arme Belgen. Links omklemt Mercier de bisschopsstaf alsof het een Lee Enfield is. ‘Kardinaal Mercier beschermt België’, staat onder het affiche. Nou ja, in het Frans dan: ‘Le cardinal Mercier protège la Belgique’.

 

Zijn faam heeft zich wereldwijd verspreid. In dat dappere, kleine België beschikken ze over een zielenherder die het Duitse gezag durft te trotseren. Zo nemen in de eerste week van het nieuwe jaar 1915 de Belgische parochianen kennis van een herderlijk schrijven van hun kardinaal. ‘Vaderlandsliefde en Standvastigheid’ heeft hij het als titel meegegeven. Hij vaart in de brief uit tegen de vernielingen die Duitse troepen hebben aangericht en tegen het terechtstellen van onschuldige burgers.

 

Het is nu voor de Belgen zaak om te volharden in patriottisme, een christelijke deugd volgens Thomas van Aquino, de kerkvader die kardinaal Mercier als neothomist in de vooroorlogse jaren tot onderwerp van studie heeft gemaakt. Mercier staat er zo hoog door aangeschreven dat sommigen hem als de nieuwe paus zijn gaan tippen. Enkele weken na het uitbreken van de oorlog moet Mercier ook de reis naar Rome ondernemen om samen met zijn collega’s een opvolger voor de gestorven Pius X te kiezen. Hij reist via Londen, waar Belgische vluchtelingen hem hartstochtelijk toejuichen. In Rome krijgt – het kan geen verrassing zijn – een andere Italiaan de Heilige Stoel toegewezen.

 

Wat moet die nieuwe paus, Benedictus XV, met zijn opstandige kardinaal in Mechelen? Het Vaticaan is er alles aan gelegen om een neutrale positie tussen de oorlogvoerende partijen te bewaren. Een kerkvorst die politiek bedrijft, past niet in dat streven. Dat vindt ook de Duitse kardinaal Felix von Hartmann, die de curie in Rome met de nodige omhaal van woorden oproept om Mercier koest te laten houden.

 

Tot ergernis van de Duitse autoriteiten kiest Benedictus XV ervoor de hete aardappel door te schuiven. Hij snoert de mond van Mercier niet. Januari 1916 hebben de twee elkaar wel een uur lang in Rome gesproken. Mercier zal zeker gepoogd hebben de Heilige Vader te overtuigen van de noodzaak zich tegen het Duitse kwaad uit te spreken. Benedictus zal de kardinaal zeker gemaand hebben zaken niet op de spits te drijven. Maar geen van beiden gaat zijn koers wezenlijk wijzigen.

 

‘Mercier heeft de paus er altijd van verdacht Duitse sympathieën te hebben’, schrijft Robrecht Boudens in zijn studie ‘Kardinaal Mercier en de Vlaamse Beweging’. ‘Wat Benedictus XV als neutraliteitsplicht aanzag, beschouwde Mercier als een tekort aan moed om onverschrokken stelling te nemen voor een rechtvaardige zaak.’

 

Mercier blijft de luis in de Duitse pels. Hoe had die man de Duitsers ook ooit de barbarij kunnen vergeven waarmee zij eind augustus 1914 zijn Leuven hadden overladen? Meer dan tweehonderd burgers vermoord, het oude centrum in brand gestoken. De universiteitsbibliotheek ging met bijna duizend handschriften, achthonderd wiegendrukken en driehonderdduizend boeken in vlammen op.  Half verbrande bladzijden dwarrelden de stad uit. Een nachtmerrie moet het zijn geweest voor een man van de wetenschap als kardinaal Mercier, die in Leuven nog een Hoger Instituut voor Wijsbegeerte had gesticht.

 

Uit angst van hem een katholieke martelaar te maken, durven de Duitsers Mercier niet aan te pakken. In de eerste week van 1915 circuleerde wel het gerucht dat Mercier was gearresteerd. Koning Albert, dat andere boegbeeld van Belgische onverzettelijkheid, sprak er aan de andere kant van het front al schande van, maar het gerucht bleek vals. Wel zijn de Duitsers verscheidene pastorieën binnengevallen en hebben ze bij de drukker van het aartsbisdom ook 40.000 exemplaren van Merciers herderlijk schrijven in beslag genomen. Maar de kardinaal een krijgsgevangene? Zover durven de Duitsers niet te gaan.

 

***

 

De bezetting zal een steeds grimmiger gezicht aannemen. Wie tot in detail wil lezen hoe het de Belgen onder Duits bewind is vergaan, leest ‘De Groote Oorlog’ van Sophie de Schaepdrijver. Het is een ontluisterend relaas over het verval van een land, dat in 1914 het dichtstbevolkte ter wereld was. België telde 7,6 miljoen inwoners, meer dan Nederland er had. België was de vijfde economische macht ter wereld, tot de oorlog de bevolking ging degraderen tot een stelletje armoedzaaiers, geknecht bovendien.

 

Met liefdadigheid moest de honger bestreden worden. Hun vrijheid waren de Belgen ook kwijt. Reizen met de trein werd te duur en omslachtig. Brieven moesten open verzonden worden. Kranten hadden zichzelf opgeheven: liever niet verschijnen dan onder censuur. Automobielen, karren, koetsen, fietsen: het werd allemaal gevorderd, wat ook gold voor postduiven en boerenpaarden. De Duitsers zetten de Belgische klok een uur vooruit, om in de pas te lopen met de Heimat, en ook de Duitse mark werd aan het Belgisch volk opgedrongen. ‘Tot wanhoop stemde de alomtegenwoordigheid van schildwachten, van Passierscheine, Personalausweise en Verboten’, schrijft De Schaepdrijver.

 

Maar de gifbeker moet nog leger. Naarmate de oorlog vordert en het steeds duidelijker wordt dat Duitsland dit gigantische karwei niet gaat klaren, blikt Berlijn begeriger in de richting van de Belgische vleespotten. De Belgen moeten ook maar hun bijdrage gaan leveren aan de gerechtvaardigde strijd, vindt het duo Hindenburg-Ludendorff. Het gaat niet voor niets om veroverd gebied.

 

Gouverneur-generaal Von Bissing ziet in Brussel die gretigheid van het hoofdkwartier met lede ogen aan. Hij is er vooral opuit de rust onder zijn Belgen te bewaren. Impopulaire maatregelen zijn koren op de molen van een man als kardinaal Mercier. Maar Von Bissing moet overstag gaan. Jonge mannen worden als arbeidskrachten weggevoerd naar Duitse fabrieken of naar het front in Noord-Frankrijk of aan de IJzer, om loopgraven en schuilplaatsen te graven. Het ronselen gaat er niet zelden bruut aan toe. Zonder afscheid te kunnen nemen van vrouw en kinderen wordt werkvolk op de trein naar Duitsland gezet.

 

Bij het station van Vorst, bij Brussel, is nog een uit de trein gegooid briefje gevonden: ‘Wij zijn allen van Aalst en gaan naar Duitsland. Wij zijn moedige Belgen en zullen niet tekenen of werken. Leve Vaderland!’ Ruim 120.000 Belgen zijn als dwangarbeiders ingezet, veel minder dan Hindenburg gepland had, dat wel. Van hen hebben 2614 mannen het niet overleefd. Een veelvoud kwam voor het leven geknakt thuis.

 

De oorlogsbuit omvat meer dan werklieden alleen. België wordt vakkundig leeggeroofd door de Duitse bezetter, die in tal van verordeningen allerhande grondstoffen opeist. Vanaf 1916 dringen de Duitsers ook de huizen van de Belgen binnen. Koper en wol vooral kan het leger goed gebruiken. Van deurklink tot beddenmatras, niets is meer veilig. In 1918 verlekkeren de Duitsers zich zelfs aan de kerkorgels en kerkklokken. Andermaal verheft Mercier zijn stem en deze keer krijgt hij steun van zijn Duitse collega Von Hartmann. De Duitse kardinaal dringt er bij de keizer met succes op aan de Belgische godshuizen te ontzien. Niet veel later is de wapenstilstand daar.

 

***

 

Tijd nu om de heldenstatus van kardinaal Mercier in een Belgisch perspectief te plaatsen. Dat wil zeggen: in een Vlaams-Waals perspectief. Voor Franstaligen mag de koene kardinaal een toonbeeld van verzet wezen, voor veel Nederlandstaligen is hij juist het symbool van onderdrukking. Voor hen is Mercier een franskiljon, die het Vlaams ongeschikt achtte voor het publieke domein. En de taal is in het Vlaanderen van Guido Gezelle ‘gansch het volk’.

 

De Duitse bezetter heeft behendig ingespeeld op de gespletenheid van de Belgische natie. Met zijn Flamenpolitik probeerde het collaboratie onder de Vlamingen uit te lokken – en niet zelden is dat ook gelukt. Mercier wilde België unitair houden, met de Franse cultuur als beste waarborg tegen Germaanse overheersing. De vernederlandsing van de Gentse universiteit, die de Duitsers mogelijk maakten, was hem bijvoorbeeld een gruwel. Voor hoger onderwijs is het Nederlands niet geschikt, meende Mercier.

 

Zo maakte monseigneur zich ook gehaat bij iemand als Paul van Ostaijen, de onstuimige dichter. Als Mercier in 1917 een bezoek brengt aan Antwerpen, maakt Van Ostaijen deel uit van het veertigtal activisten dat een tegenbetoging op poten heeft gezet. Hij wordt opgepakt en krijgt drie maanden cel. Als de oorlog ten einde is, moet hij die nog uitzitten. Van Ostaijen besluit de wijk te nemen naar Berlijn, samen met zijn vriendin, die in het Antwerpse nachtleven met Duitse officieren de straten heeft afgeschuimd. Ook Van Ostaijen zelf is door menigeen Deutschfreundlichkeit verweten.

 

Het naoorlogse België is niet de plek voor Vlaamse hemelbestormers als Paul van Ostaijen, de poëet. Désiré-Joseph Mercier, de prelaat, voelt zich er wel weer helemaal thuis. Hij herpakt zijn oude leven en zal zich tot aan zijn dood in 1926 vooral inzetten voor een hereniging van zijn rooms-katholieke kerk en de anglicaanse. De Mechelse Gesprekken, zo worden die pogingen geboekstaafd.

Maar voor die oecumene zal het nog te vroeg blijken, zoals Vlamingen en Walen hun getroebleerde relatie zullen voortzetten tot ver na de dood van de kardinaal.

 

***

 

Er is nog een oorlogsaffiche van kardinaal Mercier, eentje die hij minder geapprecieerd zal hebben. Een Franse haan rust uit op zijn mijter, terwijl een lange stoet van makke priesters langs de zegenende kardinaal trekt. ‘Ik ben van een ras dat voorbestemd is om te heersen en u van een ras dat voorbestemd is om te dienen’, zegt Mercier in het Frans, terwijl in het Nederlands daaraan deze slotsom wordt verbonden: ‘Nooit was de verdrukking der Vlaamschgezinde priesters zoo geweldig als onder de dwingelandij van dezen Waalschen politieker.’