159 Wilhelm van Pruisen en de hoefijzers van Wieringen (zondag 8 juli 1917)


‘De slachter van Verdun’. ‘Little Willy’. Het imago van de Duitse kroonprins was niet best. Toch kon Wilhelm van Pruisen enige realiteitszin niet ontzegd worden.

Met die afhangende schouders en dat lange gezicht van ‘m, waar een spitse neus uitstak, leek de kroonprins van Duitsland maar weinig op de ferme soldatenkoppen die hij in heroïsch houtskool schetste, kennelijk om de tijd aan het front in Frankrijk wat te doden. Als ‘Feldskizzen des deutschen Kronprinzen’ is er in 1918 nog een boekje van gekomen. Toen het Amerikaanse magazine LIFE in maart 1940 ook nog wat van die prenten van Wilhelm publiceerde, werden ze van zuinig commentaar voorzien: ‘Friedrich Wilhelm Viktor August Ernst von Hohenzollern tekende misschien iets beter dan Adolf Hitler, omdat hij betere leermeesters had.’ Na zijn verbanning naar Nederland schakelde Wilhelm over op het schetsen van ‘fat Dutch children and farm animals’, zo merkte LIFE nog snedig op.

De kroonprins speelde overigens ook aardig viool. Op 28 juni 1914 stond hij op het punt om het eigen gezin voor het avondeten op de Traümerei van Robert Schumann te onthalen, toen een telegram over de aanslag in Sarajevo zijn spel kwam verstoren. Hij sprak zijn talen daarbij naar behoren. Men kon al met al wel aan de kroonprins merken dat zijn overgrootmoeder, keizerin Augusta, nog paardje had mogen rijden op de knie van Johann Wolfgang von Goethe.

Wilhelm een fijnbesnaard type noemen, gaat dan weer veel te ver. In het heetst van de Zabern-affaire uit 1913 – Elzassers voelen zich geprovoceerd door Duitse militairen – moet Wilhelm het plaatselijk gezag de oplossing in een telegram hebben aangereikt: ‘Immer feste druff!’ Vrij vertaald ‘sla d’r op!’ Al is de kroonprins later gaan ontkennen die woorden gebezigd te hebben, ansichtkaarten met zijn beeltenis en daaronder de toverspreuk ‘Immer feste druff’ zouden gretig aftrek gaan vinden onder Duitsers die van zachte heelmeesters stinkende wonden zagen komen.

Van zijn onbesuisde imago is Wilhelm nooit losgekomen, al kon een zekere realiteitszin hem moeilijk ontzegd worden. ‘Wij hebben de oorlog verloren, hij zal nog een hele tijd duren, maar hij is al verloren’, vertrouwde hij na de Marne-slag in 1914 een stomverbaasde Amerikaanse correspondent toe. En ook in 1916, tijdens de Slag om Verdun, waarmee zijn naam onlosmakelijk is verbonden, moet hij de zaken al snel in het juiste perspectief hebben gezet. De kroonprins onderkende in elk geval eerder dan Erich von Falkenhayn, zijn militaire leermeester nota bene, dat het niets ging worden met het plan om de Fransen leeg te laten bloeden bij Verdun, door kroonprins Wilhelm het ‘hart van Frankrijk’ genoemd. Zijn wijsheid achteraf zag er als volgt uit: ‘Op de avond van 24 februari was het verzet van de vijand feitelijk gebroken. De weg naar Verdun lag open. Zo dicht bij de overwinning waren we! De vermoeidheid van onze troep na een enorme, militaire prestatie en het gebrek aan reserves kostte ons de overwinning. Ik uit geen beschuldiging. Ik noteer enkel het feit.’

‘Hij mag dan een onstuimige losbol zonder verantwoordelijkheidsgevoel zijn geweest, toch was hij onder dit mom begiftigd met een inzicht en een fundamenteel gezond verstand dat zijn vader stellig vreemd was’ , prijst historicus Alistair Horne. Dat gezond verstand van hem bracht de kroonprins uiteindelijk ook in conflict met de stafchef van zijn eigen leger, het Vijfde. Deze Konstantin Schmidt von Knobelsdorf, een spijkerharde militair, deinsde er niet voor terug achter de rug van de kroonprins om nieuwe aanvallen bij Verdun te beramen. Augustus 1916 wist Wilhelm zich eindelijk van zijn plaaggeest te ontdoen en twee maanden later kreeg hij ook het opperbevel over zijn eigen legergroep Deutscher Kronprinz. ‘Little Willy’, zoals de Britten hem plagerig waren gaan noemen, heeft echter nooit de soevereiniteit aan het front uit weten te dragen waartoe die andere kroonprins, Rupprecht van Beieren, wél in staat was.

Nu was Wilhelm door zijn vader ook de oorlog in gestuurd om precies dát te doen wat zijn ervaren stafchef hem aanraadde. De keizer had duidelijk geen hoge pet op van zijn opvolger. ‘Leer die jongen hoe hij op een paard moet zitten’, riep hij eens in het bijzijn van manschappen een brigade-generaal toe. Wilhelm junior was op dat moment al bijna dertig. ‘Als ik mijn vader persoonlijk over iets wens te spreken en bij hem toegelaten word, praat hij een uur lang over het een of het ander, en dan is de tijd voor het gesprek om; ik heb niet kunnen zeggen wat ik wilde. En als ik mijn gedachten op schrift stel, zendt mijn vader ze naar de desbetreffende bureaus.’

Juli 1917 slaagt hij er toch in om bij zijn vader een voet tussen de deur te krijgen. De keizer moet zijn door de militairen veel te liberaal bevonden kanselier, Theobald von Bethmann Hollweg, de laan uitsturen. Met dat doel voor ogen heeft de zoon van de keizer samengespannen met aartsconservatieve krachten, de militair Max Bauer en de politicus Kuno von Westarp vooral. Als Bethmann Hollweg inderdaad zijn biezen pakt, is de kroonprins euforisch.

Dat is hij ook in het voorjaar van 1918, als de Duitsers eindelijk door het front heen breken. Granaten van Krupp ploffen al op Parijs neer. De keizer zelf is niet van het front weg te slaan en ook zijn zoon kan het niet laten een groep Britse gevangenen triomfantelijk toe te spreken in onberispelijk Engels: ‘Binnen vijftien dagen zitten we in Londen. Hoera, de oorlog is bijna voorbij.’ Als de kroonprins, een verstokt roker, de Tommies wat sigaretten aanbiedt, bedanken ze voor de eer.

Vier maanden later, juli 1918, geeft de aanstaande keizer echter opdracht om achter het front een tweede verdedigingslinie op te werpen: een duidelijk teken dat hij het geloof in een Duitse opmars kwijt is geraakt. De Eerste Slag aan de Marne, september 1914, leidde een status quo aan het westelijk front in. De Tweede Slag aan de Marne eindigt in augustus 1918 als opmaat voor de Duitse nederlaag. In die eindfase van de oorlog wordt Wilhelm van Pruisen door een mengeling van eigen onmacht en een zekere compassie met zijn manschappen overmeesterd: ‘Geschreeuw om aflossing en rust bereikte me en maakte mijn onvermogen duidelijk dat ik niet tegemoet kon komen aan de op zichzelf gerechtvaardigde eisen.’

De keizer schrijft hem op 9 november 1918 een brief die begint met ‘lieve jongen’ en eindigt met ‘je zwaar vernederde vader’. De mededeling daartussenin luidt: ‘Omdat de veldmaarschalk niet langer mijn veiligheid garanderen kan, en omdat hij niet langer borg kan staan voor de loyaliteit van de troepen, heb ik besloten, na een lange innerlijke strijd, het ineengestorte leger te verlaten.’ De vernedering geldt ook de zoon: de Amerikaanse president Woodrow Wilson is niet bereid met de Duitsers over vrede te onderhandelen zolang de keizer, de kroonprins én Erich Ludendorff nog in het zadel zitten.

**

Vader en zoon gaan apart van elkaar in Nederland in ballingschap. Voor de zoon wordt het Wieringen: een eiland, boven de kop van Noord-Holland, waar hij nog nooit van heeft gehoord. Een stoomjacht moet hem ernaartoe brengen. Op de kade van Enkhuizen wordt ‘de slachter van Verdun’ uitgejouwd. In de mist lukt het de kapitein dan ook nog eens niet om Wieringen te vinden. De volgende dag is de Zuiderzee rustiger en wacht op Wieringen alsnog een zwijgzame menigte Wilhelm op, in contrast tot de ‘praatgrage reporters uit de gehele wereld en handige fotografen’ die ook zijn uitgerukt. Zijn lot deprimeert hem. Uit zijn op Wieringen geschreven memoires: ‘Als een gevangene, geminacht, beweegt men zich in deze kleine kring tussen mensen die somber, schuw wegkijken, als men ze passeert, die nieuwsgierig soms een blik wagen uit half gesloten ogen. Ik ben de bloedzuiger en kindermoordenaar – men is kwaad op de regering, die mij vrij laat rondlopen op dit eiland – die dit eenzame eiland zo’n overlast bezorgde.’

Maar de sfeer zal allengs vriendelijker worden. De smid van het eiland leert hem hoefijzers te smeden. En Wilhelm gaat op Wieringen verder met zijn favoriete passie, die hij ook achter het front in Frankrijk met verve na heeft gejaagd: meisjes zijn bed in praten. Hoeveel bastaardkinderen precies hij op Wieringen achter heeft gelaten, is onderwerp van speculatie gebleven. Zijn huwelijk met Cecilie, hertogin van Mecklenburg, is door al die seksuele escapades in elk geval zwaar op de proef gesteld.

Na vijf jaar verlaat hij met de stille trom Wieringen. Nu hij verklaard heeft geen aanspraak op de troon te zullen maken, mag hij zich in de Weimar Republiek vestigen. De jonge Wilhelm zint echter wel degelijk op restauratie van de monarchie, maar in 1932 is er ook sprake van dat hij het bij de rijkspresidentsverkiezingen namens de nationalisten op gaat nemen tegen Hindenburg en Hitler. Vanuit Doorn grijpt vader in: Wilhelm wordt onterfd als hij het waagt trouw aan de republiek te zweren. Zoonlief gehoorzaamt en gaat dan maar de kandidatuur van Adolf Hitler steunen.

Op 21 maart 1933 zal hij in zijn geboorteplaats ook op de foto gaan met Hitler, als de nazi’s de Dag van Postdam vieren om hun verbondenheid met het Duitse keizerrijk van weleer te demonstreren: een listig staaltje propaganda van Joseph Goebbels. Maar al snel wordt het Wilhelm gewaar dat de Führer het huis Hohenzollern in zijn Derde Rijk links laat liggen. Wilhelm trekt nog wel een SA-uniform aan; tot de NSDAP zal hij echter niet toetreden. In de Tweede Wereldoorlog gaat de Duitse legerleiding niet op zijn aangeboden diensten in. Hij knoopt gaandeweg de oorlog voorzichtig contacten aan met Hitler-opposanten uit het monarchistisch kamp, maar na de val van de nazi’s gaat Wilhelm in hun malaise delen. Marokkanen in Franse dienst rekenen hem op 4 mei 1945 in het Oostenrijkse Voralberg in. Op enkele weken gevangenschap volgt een jarenlang huisarrest. Weinigen denken dan nog aan de voormalige keizer in spe van Duitsland. In 1951 komt hij een hartinfarct niet te boven. Wilhelm van Pruisen is 69 jaar oud geworden.

**

Op Wieringen, dat Sint Helena van Holland, zijn de sterke verhalen over de kroonprins nog lang de ronde blijven doen. Zo deelde hij op een goede dag aan Wieringse schonen badpakken van papier uit en keek hij vervolgens geamuseerd toe hoe die in het water uiteenvielen. De schavuit.

Advertisements

002 Wilhelm II en het dode konijntje (zondag 5 juli 1914)

Wilhelm II

 

In English

‘Een man van parades bij prachtig weer, niet van slachtpartijen in nevel en modder.’ Fraaie typering van keizer Wilhelm II, maar de vraag blijft wringen: hoe anders was de wereldgeschiedenis verlopen met een Duitse keizer die het niet nodig had gehad om zijn gevoel van minderwaardigheid in hoogmoedswaanzin te ontladen?

De verleiding is groot om Wilhelm II, keizer van Duitsland, een flink deel van de schuld van de Grote Oorlog toe te schuiven. De Britse koning George V heeft in elk geval een spijkerhard oordeel over zijn volle neef geveld: ‘Ik beschouw hem als de grootste crimineel, omdat hij de wereld in een oorlog heeft gestort.’

Was Wilhelm ook niet de man die de eerste week van juli 1914 zijn befaamde ‘blanco cheque’ had uitgeschreven? Als Oostenrijk Servië wilde laten boeten voor de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand, dan kon het –  wat er ook van komen mocht –  op de steun van Duitsland rekenen. Zo kreeg collega-keizer Franz Joseph het te horen van Wilhelm. Twee weken voor de aanslag in Sarajevo had die nog een aangenaam weekend met de betreurde Franz Ferdinand en zijn Sophie had doorgebracht in hun favoriete jachtoord. Ze hadden daar in Konopsicht niet alleen de tuinen bewonderd, maar ook de situatie op de Balkan besproken. Weer een week later speculeerde Wilhelm in een gesprek met de bankier Max Marburg op een preventieve oorlog met Rusland, nog voor de tsaar zijn herbewapening wist af te ronden.

Op de carte blanche die Wilhelm tijdens de Julicrisis van 1914 voor Oostenrijk uitspeelde, volgde een ware kettingreactie. Het ene land sleurde het andere de oorlog in – een wereldoorlog. Maar zó had Wilhelm II het nu ook weer niet bedoeld. ‘The last thing the Kaiser wanted was a European war’, noteerde de Britse oorlogspremier David Lloyd George als getuige à decharge in zijn memoires. Wilhelm was dol op parades bij stralend weer, compleet met toespraken waar de bloeddorst vanaf droop. Maar daadwerkelijke slachtpartijen in de mist en de modder waren niet aan de keizer besteed.

De hele maand juli van 1914 gaan er hartelijke telegrammen over en weer tussen keizer Wilhelm II en de Russische tsaar Nicolaas II, met wie hij een vriendschap en een lotsbestemming deelt. Als de Nicky-Willy Correspondentie zijn de telegrammen de geschiedenis ingegaan. Er rijst het beeld uit op van twee kosmopolitische vorsten die out of control zijn, niet bij machte om de koers van oorlog naar vrede te verleggen – hoe graag ze dat ook zouden willen. Op het aanbod van Nicolaas om de Oostenrijks-Servische kwestie voor te leggen aan de Haagse Conferentie gaat Wilhelm eind juli niet in.

Na het losbranden van de oorlog, zal Wilhelm zich al snel naar het tweede toneel begeven. Strategisch en tactisch gaat dit spel hem boven de pet. Hij is meer een man van de peptalk. Cadetten heeft hij eens voorgehouden dat ze zelfs op hun vader of moeder moesten schieten als hij, de keizer, daarom vroeg. In zijn talloze toespraken geeft de man zich bloot. De beroemdste is die uit 1900, als Wilhelm de Duitsers uitzwaait die een einde gaan maken aan de Bokseropstand van de Chinezen. Wilhelm brult: ‘Zorg dat nooit meer een Chinees het waagt een Duitser scheel aan te kijken.’

Psychologen hebben hun tanden stuk gebeten op dit pompeuze keizerstype. Veel aandacht is er voor z’n lamme handje, resultaat van een akelige bevalling. Het had weinig gescheeld of Wilhelm II had het kraambed niet overleefd. Met een natte handdoek wist een doortastende vroedvrouw toch nog wat leven in de slappe zuigeling te slaan. Op die ongelukkige geboorte volgde een ongelukkige jeugd. Dat hun keizerlijke zoon mismaakt door het leven moest, zat vooral moeder, een dochter van Queen Victoria, behoorlijk dwars. Aan de meest onzinnige therapieën heeft zij haar zoon onderworpen. Zo werd op een kwade dag het lamme handje in een pas geslacht konijntje gestopt. Dat zou helpen.

Er is veel af te dingen op de theorie dat de wereldbrand van ‘14-‘18 zijn oorzaak vond in de handicap van een misvormde keizer. Maar interessant is het wel om te speculeren hoe de wereldgeschiedenis eruit had gezien met een Duitse keizer zónder de hoogmoedswaanzin waarmee hij zijn minderwaardigheidscomplex trachtte te compenseren. Hoe anders was het gelopen als een monarch kalm en wijs het onstuimige Duitsland in rustige vaarwateren had weten te loodsen? Er zat geen rem op de geldingsdrang van Wilhelm II. Maar dat gold evenzeer voor zijn jonge natie. Beiden, vorst en volk, hadden wat te bewijzen.

Tact en gevoel voor nuances behoorden niet tot het repertoire van Wilhelm. In zijn optiek bestonden er ook slechts twee typen politici: zij die tegen hem en zij die voor hem waren. Bij Wilhelm II, telg uit het Pruisische geslacht Hohenzollern, hoorde wapengekletter. Zo kon hij zijn beperking overwinnen. Van rijkskanselier Bernhard von Bülow, die zijn handen vol had aan de Duitse keizer, is deze typering: ‘Hij is als het jongetje dat lopende over het kerkhof fluit om niet bang te zijn.’

Deze Von Bülow was er veel aan gelegen om de keizer zover mogelijk van het buitenlands beleid vandaan te houden. Toen de kanselier er in 1905 achter kwam dat Wilhelm eigenhandig aan een ontwerp-tekst voor een verdrag met Rusland had zitten morrelen, moest Von Bülow met zijn portefeuille wapperen om de keizer in te laten binden. Vijftien jaar eerder was Wilhelm ook niet betrokken geweest bij het besluit om het Herverzekeringsverdrag met Rusland niet te verlengen. Cruciaal voor het verloop van de wereldgeschiedenis is die wig tussen keizer en tsaar geweest.

Het wringt met name tussen het Engeland van zijn moeder en Wilhelm. Het persoonlijke moet hier ook het politieke overlapt hebben. Wilhelm dweepte als jongeling met zijn moeder, maar hij stuitte bij haar op kilte. Heeft dat zijn haat tegen Groot-Brittannië gevoed? ‘Een Engelse dokter heeft me een lamme arm gegeven en een Engelse dokter is mijn vader aan het vermoorden’[4], jammerde hij aan het sterfbed van keizer Friedrich III.

Hoe dan ook wil hij niets weten van de Engelse traditie, die de koning in de pas van de grondwet en het parlement laat lopen. In zo’n korset knelt de eerzucht van Wilhelm. Hij poseert voor schilder en fotograaf als een heerser, aan wiens metalen tred ruimte breekt. De rechtopstaande punten van zijn snor getuigen van zijn dadendrang.

Wilhelm voelt zich niet op waarde geschat door de rest van de wereld, ook al heeft hij in 1901 op Engelse bodem met zijn sterke rechterarm de ogen mogen sluiten van zijn grootmoeder Victoria, zelf overigens half-Duits én getrouwd met een Duitser. Victoria’s beide zonen gunden hun neef uit Berlijn het bijzondere voorrecht wel. Maar wat zou ie dolgraag eens door Parijs zijn gereden als een groot vorst, die niet in de schaduw hoefde te staan van Napoleon Bonaparte, ook voor de Kaiser een rolmodel. Nimmer in zijn 82-jarige leven heeft Wilhelm II de Lichtstad zien flonkeren.

Wilhelm II is volledig overtuigd van zijn historische positie in het jonge Duitsland. Bismarck, de ijzeren kanselier, had de eenwording van de Duitsers beklonken met de zege op Frankrijk in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870-1871. Twintig jaar later zou de jonge keizer Wilhelm II, conservatief en radicaal tegelijkertijd, de oude staatsman Bismarck aan de kant schuiven.

Het wilheminische Duitsland eist zijn plek onder de zon op. Fransen en Engelsen mogen de wereld dan al verdeeld hebben, Duitsland wil alsnog een stuk van de koek. Er staat geen maat op de industriële en wetenschappelijke prestaties in het Duitsland van Wilhelm II. Hard wordt er gewerkt. In de eerste vijfentwintig jaar van Wilhelms regeerperiode boekt Duitsland een enorme progressie, ook op het terrein van de sociale voorzieningen. Het meeste opzien baart de opbouw van een vloot, die de sinds eeuwen almachtige Britten op zee uitdaagt. ‘Nooit tevoren vertegenwoordigde een symbolisch persoon zo volmaakt een tijdperk’, plaatste Walter Rathenau de keizer in de lijn van al die driften.

Opgewonden standje, Wilhelm II, aanvoerder van het ‘operette regime’ waar het Duitse keizerrijk veel van weg had. ‘In werkelijkheid was hij een verwekelijkte, verwijfde en overgevoelige man, wiens beste vrienden homoseksueel waren. Bij hen zocht hij de warmte en affectie die hij niet kon vinden in de streng omschreven wereld van de ambtenarij en de beperkingen van het traditionele, door mannen gedomineerde gezinsleven’, zo zet de Canadese cultuurhistoricus Modris Eksteins de keizer weg.

Op 6 augustus 1914 houdt Wilhelm een toespraak: ‘An das Deutsche Volk’. Hij zet uiteen dat Duitsland altijd de vrede heeft gezocht. Het is de vijand die oorlog wil, de vijand die Duitsland zijn succes misgunt. En nu dulden ze het ook niet dat Duitsland trouw aan zijn bondgenoot blijft. Dan moet het zwaard maar beslissen, spreekt Wilhelm: ‘So muss denn das Schwert entscheiden!’ In Berlijn heeft hij zich al door een oorlogszuchtige massa toe laten juichen. Zijn onderdanen lijken te zijn bevangen door een spiritueel geladen verlangen naar een glorieuze toekomst, waarin de Duitse Kultur boven de Angelsaksische Civilization uit zal stijgen.

Een echte hoofdrol in de Eerste Wereldoorlog heeft hij niet weten te spelen. Aan het eind ervan zijn het de generaals Hindenburg en Ludendorff die bijna als dictators over Duitsland regeren. Zo af en toe komt het hen van pas om de keizer als marionet naar voren te schuiven. In 1917 is het Wilhelm II die de onbeperkte duikbootoorlog voor zijn rekening mag nemen: Duitsland behoudt zich het recht voor op volle zee vreemde schepen aan te vallen.

Zo blijft in het buitenland het beeld intact van een oorlogsmisdadiger. De Verenigde Staten willen ook niet over vrede met Duitsland spreken zolang de keizer er nog zit. Op 9 november 1918 wordt hem te verstaan gegeven dat het leger niet meer achter zijn keizer staat. Er rest Wilhelm niks anders dan zijn biezen te pakken, al heeft hij gepocht met zijn troepen ten onder te zullen gaan.

Hij rept zich met zijn gevolg naar de Nederlandse grens. Bij Eijsden krijgt de dienstdoende sergeant Pierre Pinckaers de schrik van zijn leven. Hij heeft het bevel geen Duitsers de grens over te laten steken, maar dit lijkt hem toch wel een geval apart. Van hogerhand komt dan de mededeling dat de keizer het land in mag. Op een landgoed in Amerongen verleent graaf Bentinck de keizer onderdak. Later krijgt hij een eigen paleisje, Huis Doorn.

Zijn vrouw zal daar sterven. Hij hertrouwt. Doodt zijn tijd met wandelen, het hakken van hout en het schrijven van zijn memoires. Ontvangt bezoek. En verneemt dan dat in Duitsland nieuwe machthebbers opstaan: de nationaal-socialisten van Hitler. De Kristallnacht wekt de verontwaardiging van Wilhelm, maar als Duitsland in 1940 Frankrijk binnen de kortste keren oprolt, gaat een gelukstelegram van de keizer naar de Führer. Een jaar later sterft Wilhelm II. Hij heeft bij leven bepaald dat zijn beenderen pas in Duitse grond begraven mogen worden als de monarchie in ere is hersteld. Het lijkt erop dat hij voorlopig dus nog niet weg is uit Doorn.