037 H.H. Asquith en de kattenbelletjes tijdens kabinetszittingen (zondag 7 maart 1915)

Voor de oorlog was zijn reputatie die van een moker, een sledgehammer. Maar H.H. Asquith bleek niet de sterke man die Groot-Brittannie door de oorlog ging loodsen. Wat van de premier blijft hangen, zijn de kattenbelletjes aan zijn geliefde Venetia en het gevoel van bankroet dat de dood van zijn zoon op het slagveld met zich meebracht.

012 Helmut von Moltke en zijn krankzinnige spagaat (13 september 1914)

 

De generaal was ook een zwever. Helmut von Moltke kon tegelijkertijd de allesomvattende liefde zoeken en de oorlog voorbereiden. Een zekere zelfkennis kon de opperbevelhebber van de Duitse legers niet ontzegd worden: ‘Voor de taak van veldheer in een oorlog ben ik te zwaarmoedig, te bedachtzaam, te gewetensvol, zo u wilt.’

Zijn krankzinnige spagaat

Als het drama aan de Marne zich voor de Duitsers heeft voltrokken, is Helmuth von Moltke, chef van de generale staf, ten einde raad. Hij weet het niet meer. Staart naar de kaarten. Gebroken, lichamelijk en geestelijk, vervuld ook van zelfmedelijden, moet hij de keizer melden er geen heil meer in te zien. De minister van Oorlog, de weinig tactvolle Erich von Falkenhayn, komt Von Moltkes plaats aan het front innemen. Of liever: áchter het front, want al te dichtbij het vuur is Von Moltke de afgelopen maand niet geweest. Falkenhayn zal zijn hoofdkwartier dan ook eerst eens wat dichterbij de troepen positioneren.

 

Van alle karakters die de Eerste Wereldoorlog ten tonele voert, hoort Helmuth Johannes Ludwig von Moltke bij de meest raadselachtige. De man had een tere ziel, lees je her en der. Hij speelde cello, mocht graag schilderen en kende zijn Goethe. De keizer zelf noemde hem der Traurige Julius. Maar Von Moltke had niet alleen een tere ziel. Zijn gezondheid was ook broos. Toen de machthebbers in Europa eind juli 1914 de afgrond naderden, was de 66-jarige Helmuth von Moltke aan het kuren in Karlsbad.

 

Wat nog het meest verwondert, is zijn innige verstandhouding met Rudolf Steiner, de Oostenrijkse antroposoof, geboren in hedendaags Kroatië, die nu nog op Vrije Scholen en op biologisch-dynamische landbouwbedrijven wordt vereerd als een ziener. Steiner, de man die het individu in de kosmos op doet gaan. En Von Moltke, de generaal die soldaten in de aarde laat zinken. Wat hadden die twee in hemelsnaam samen? Mevrouw Von Moltke misschien. Zij was het eerst naar Steiner toe gezweefd. Daarna had ook haar man, de hoogste militair van het Rijk, begerig zijn oren laten hangen naar de verheven gedachten van Rudolf Steiner. Tien dagen voor de Slag aan de Marne hebben de twee elkaar nog ontmoet, vlakbij het hoofdkwartier in Koblenz. Steiner drukte Von Moltke nog eens op het hart dat door kracht een door de Geest geleid volk vanuit de strijd het licht naar het hart van Europa zal weten te voeren, teneinde de mensheid te helen.

 

Wat voor spirituele invloed Steiner ook op Von Moltke heeft gehad, een pacifist heeft hij van  de generaal niet gemaakt. Integendeel, Moltke is de man die in de jaren voor 1914 op de keizer inpraat: de oorlog komt hoe dan ook en hij kan maar zo snel mogelijk uitbreken. Rusland, dat is een reus die binnenkort uit zijn slaap ontwaakt. Als het leed van de verloren oorlog tegen Japan is geleden, zal Rusland overeind komen. En dan heeft het Duitse keizerrijk niet alleen in het westen, maar ook in het oosten een groot probleem. Voordat de omsingeling definitief is, moet Duitsland lobreken. Ziedaar, het hartstochtelijk pleidooi van Helmuth von Moltke, een sociaaldarwinist, voor wie het bestaansrecht van een volk op het slagveld bewezen moest worden.

 

Daarmee is hij voor velen de verpersoonlijking van de Duitse agressie geworden. Von Moltke zal misschien gedacht hebben de oorlog te kunnen beperken tot een enkele vijand, maar het risico op een uitslaande brand is hij bepaald niet uit de weg gegaan. Anderen hebben hem dan weer weggezet als de man die de Duitse kansen verkwanseld heeft door aan het befaamde Von Schlieffen-plan te morrelen. Met name Wilhelm Groener, die Paul von Hindenburg na de oorlog op zou volgen als chef-staf van het Duitse leger, heeft Von Moltke het om zeep helpen van de Von Schlieffen-strategie in de schoenen geschoven. Nadien hebben de nazi’s hun best gedaan om de mythe van het geniale Schlieffen-plan in stand te houden.

 

Von Schlieffen zag nu eenmaal minder gevaren dan Von Moltke. Dat mag ook voor realisme doorgaan, al was de telg uit een oud Mecklenburgs geslacht voor alles een fatalist. De Fransen die de Elzas overliepen en de Russen die over Oost-Pruisen heen golfden: Von Moltke achtte niet zonder reden de gevolgen voor Duitsland ronduit rampzalig. Hij voorzag een lange, slopende oorlog, die op meerdere fronten tegelijk gewonnen zou moeten worden. Al in 1905 had hij daar zijn keizer voor gewaarschuwd: ‘Ons volk zal volkomen uitgeput zijn, zelfs als we de overwinning zouden behalen.’

 

Zijn pessimisme had voor de oorlog ook betrekking op de financiële rek van de Duitse natie: ‘Onze vijanden bewapenen zich beter dan wij, omdat wij blut zijn.’ Daar zat zeker een kern van waarheid in: historicus Niall Ferguson maakt aannemelijk dat in de financiële beperkingen van Duitsland een oorzaak van de Grote Oorlog moet worden gezien. Ferguson haalt daarvoor ook Von Moltke aan. Die betoogde in maart 1913 dat er ‘zo naar een oorlog moet worden toegewerkt dat men die zal zien als een verlossing van de grote bewapeningen, de financiële lasten, de politieke spanningen.’ Oorlog, op de keper beschouwd, is een buitenlands avontuur omwille van de binnenlandse vrede.

 

***

 

Hij had zijn naam mee. Wilhelm II moest en zou ‘zijn eigen Moltke’ hebben. De gelijknamige oom van Helmuth had aan de zijde van Bismarck het grote Duitse Rijk gesmeed in enkele glorieuze veldslagen. Met name Frankrijk, de aartsvijand, was in 1870 niet opgewassen geweest tegen Helmuth von Moltke de Oudere. Die zou zijn neef in de jaren daarna als adjudant aanstellen, waarna Wilhelm II hem in 1906 als zijn eerste man binnen het leger verkoos, als opvolger van Von Schlieffen, de vermaarde strateeg, wiens schaduw over de eerste maand van de Grote Oorlog ging hangen.

 

De benoeming was van meet af aan controversieel. En ook Von Moltke zelf zal er wakker van hebben gelegen. Hij had weinig fiducie in de keizer. Een opperbevelhebber die militaire oefeningen afblaast als het regent: dat moet voor een Pruisisch aristocraat als Von Moltke een gruwel zijn geweest. Wat moest er van Duitsland worden met zo’n monarch aan het roer? Von Moltke hield Wilhelm ook het liefst buiten de militaire plannen die klaar liggen om uitgevoerd te worden. Steiner beweert Von Moltke gevraagd te hebben naar het waarom. Omdat de keizer er ongetwijfeld over zou zijn gaan babbelen, moet Von Moltke geantwoord hebben.

 

De keizerlijke wanhoop bij Von Moltke slaat in de dagen voor het daadwerkelijk uitbreken van de oorlog past echt toe. Wilhelm II wil te elfder ure niet in het westen mobiliseren. Hij denkt en hoopt vurig dat de strijd alleen in het oosten, tegen de Rus, gevoerd kan worden. Von Moltke heeft het niet meer. Luister wat Barbara Tuchman erover schrijft in De Kanonnen van Augustus: ‘Von Moltke was ontzet door de gedachten dat zijn prachtige mobilisatiemachine nu ineens in de achteruit zou moeten worden geschakeld. Hij weigerde botweg. Gedurende de afgelopen tien jaar had hij, eerst als assistent van Von Schlieffen, daarna als diens opvolger, deze dag voorbereid. Der Tag, waarop alle verzamelde Duitse energie de mars naar de definitieve alleenheerschappij over Europa zou beginnen.’

 

Uiteindelijk zal de keizer dan toch het groene licht geven aan Von Moltke en kan die zijn mobilisatieschema in het westen aan houden. Het Luxemburgse plaatsje Troisvierges de Drie Maagden van Geloof, Hoop en Liefde hebben de plannenmakers van Von Moltke uitgekozen voor de eerste grensoverschrijding. Der Tag van Von Moltke is gekomen. ‘Onze opmars door België is stellig bruut’, schrijft hij op 5 augustus. ‘Maar we vechten voor ons leven en wie ons voor de voeten loopt, moet de consequenties aanvaarden.’ Een maand lang probeert hij op afstand –  zijn legers te dirigeren. Zijn meest omstreden besluit: het overbrengen van troepen van het westen naar het oosten. Zo had Von Schlieffen het dus niet bedoeld.

 

Op 14 september breekt een nieuwe dag voor Von Moltke aan: de dag van zijn zenuwinzinking. Von Moltke bezwijkt onder de zware verantwoordelijkheid die de eerste maand van de oorlog op hem is gaan rusten. Helmuth von Moltke was een weifelend, doemdenkend type. In zijn eigen woorden: ‘Voor de taak van veldheer in een oorlog ben ik te zwaarmoedig, te bedachtzaam, te gewetensvol, zo u wilt.’

 

Op het hoofdkwartier duwen ze hem nog een tweede viool in de hand om de schijn op te houden. Het Duitse volk wordt, net als het opperbevel bij de Oostenrijks-Hongaarse bondgenoot, tot in november onwetend gehouden van de wisseling van de wacht. De verlieslijsten van de Marne worden ook niet gepubliceerd. Von Moltke ervaart zijn degradatie, verpakt als een periode van verlof, ondertussen als een groot onrecht. ‘Majesteit, niemand vertelt mij nog wat!’, heeft hij de keizer toegeroepen. Waarop die antwoordde dat voor hem precies hetzelfde gold.

 

***

 

Twee jaar zijn hem nog gegeven om het hem aangedane onrecht te herstellen, maar voor Von Moltke zal geen rol meer weggelegd zijn op het hoofdtoneel van de Eerste Wereldoorlog. Op 18 juni 1916 begeeft hij zich in Berlijn naar de kerk om een herdenkingsdienst voor veldmaarschalk Colmar Freiherr Von der Goltz luister bij te zetten. Von Moltke houdt een rede waarin hij de overledene alle lof toezwaait. De geschiedenis, zegt hij, heeft herhaaldelijk laten zien dat heldendom en tragedie dicht bij elkaar liggen. Het kerkvolk moet aangevoeld hebben dat de spreker niet enkel op de gehemelde doelde, maar ook op zichzelf. Als de Turkse ambassadeur aan zijn eulogie voor Von der Goltz bezig is, zakt Von Moltke, een gekend hartpatiënt, in elkaar. Hij sterft, 68 jaar oud.

 

Dat was hoe dan ook te vroeg voor de geschiedschrijving, want Von Moltke had na de oorlog nog wel een en ander uit kunnen leggen over het pad dat hij samen met Duitsland richting oorlog bewandelde. Zijn vrouw geeft in 1922 nog wel brieven en memoires van Von Moltke uit, maar het lijkt erop dat ze met de inhoud ervan behoorlijk heeft zitten knoeien. De dagboeken die Von Moltke bijhield, heeft zijn zoon Wilhelm in 1945 verbrand, vlak voor de Russen Berlijn innamen.

 

Wat heeft Helmuth von Moltke bezield? Hoe kon de zwevende generaal zijn spirituele zoektocht naar de allesomvattende liefde rijmen met het achteloos schuiven van kanonnenvlees op zijn stafkaarten? Rudolf Steiner moet er enig zicht op hebben gehad. Na de dood van Von Moltke hebben de twee aan gene zijde immers contact onderhouden. Een verslag van die esoterische uitwisseling is terug te lezen in een uitgave van de Rudolf Steiner Press, met als titel ‘Light for the New Millennium’.

 

Deze boodschap, bijvoorbeeld, heeft Helmuth von Moltke in december 1921 naar de aarde gezonden: ‘De gebeurtenissen aan de Marne! Het was allemaal anders afgelopen als ik niet vergezeld was geweest door het wantrouwen van hen die mij omringden. Ik reisde af naar het front in een wolk van wantrouwen.’ Het was uiteindelijk allemaal het werk geweest van Ahriman, de ‘Vorst van de duisternis’. Wat Wilhelm II betrof, heeft Von Moltke van boven ons deze uitleg nog nagelaten: ‘De Kaiser was feitelijk nogal zwak door toedoen van krachten die vanuit zijn vorige leven in hem doorwerkten.’

 

005 Jean Jaurès en het laatste aardbeientaartje (zondag 26 juli 1914)

Misschien dat ook Jean Jaurès, de leider der Franse socialisten, zich uiteindelijk voor de verdediging van de republiek had uitgesproken. Misschien. Zeker weten we dat niet, want ‘ze’ hebben Jaurès vermoord.

Het laatste aardbeientaartje

Jaurès’ is een van Jacques Brels meest aangrijpende chansons. Het is een hommage aan ‘onze grootouders’, zoals Brel ze noemt, de arbeiders. Die op hun vijftiende al op waren. Eindigden voor ze begonnen waren aan het leven. Van wie de gezichten door het zwoegen asgrauw geworden waren. ‘En als ze per ongeluk overleefden, dan was het om de oorlog in gestuurd te worden’, stervend in blinde angst op het veld van horreur.

Het refrein is één enkele vraag, die Brel zijn publiek wel twee keer voorlegt. ‘Pourquoi ont-ils tué Jaurès? Pourquoi ont-ils tué Jaurès?’ ‘Waarom hebben ze Jaurès vermoord? Waarom hebben ze Jaurès vermoord?’ Op 31 juli 1914 hebben ze Jaurès vermoord. Nou ja, het was een eenling. Hij maakte geen deel uit van een groep getrouwen, zoals Gavrilo Princip in Sarajevo een maand eerder. Een samenzweringstheorie die aannemelijk maakt dat deze Raoul Villain van hogerhand zijn bevel kreeg, is er niet.

Villain was een eenzame patriot die wel een vurig verlangen met velen deelde: het heroveren van Elzas-Lotharingen op de Duitser; datgene waar een ware Fransman niet over hoorde te spreken, maar waaraan hij altijd moest denken. ‘Y penser toujours, n’en parler jamais’, zo was het nationaal gebod geformuleerd door Léon Gambetta, de man die naam had gemaakt door tijdens het Beleg van Parijs in 1870 met een luchtballon over de hoofdstad te vliegen. Het uitwissen van de schande van 1870, de verloren oorlog tegen het Pruisen van Bismarck, die nota bene in de spiegelzaal van Versailles het Duitse keizerrijk ten doop had gehouden – dát moest iedere Fransman voor ogen staan.

Nu Frankrijk op het punt stond het onrecht ongedaan te maken in een nieuwe oorlog tegen Duitsland, zag Raoul Villain maar één gevaar op die weg: Jean Jaurès, de voorman van de socialisten. Jaurès, die de union sacrée, de heilige eenheid, in Frankrijk bedreigde. Jaurès, de pacifist, die zich verzet had tegen invoering van de driejarige dienstplicht, met net zoveel vuur als waarmee hij het voor Alfred Dreyfus had opgenomen, de Joodse officier die ten onrechte voor hoogverraad veroordeeld was en wiens zaak Frankrijk tot op het bot verdeeld had – een cause célèbre.

De Franse Republiek was ook voor Jaurès in het uiterste geval het verdedigen waard. Maar het internationalisme ging bij hem toch boven het nationalisme. Een Frans-Duitse toenadering was voor hem ook geen utopie. Helmut Kohl en François Mitterand zouden zeventig jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog dát gelijk van Jaurès bewijzen, door hand in hand over de slagvelden van Verdun te schrijden.

Waarom hebben ‘ze’ dan Jaurès vermoord? Waarom trok ook de arbeidende klasse goedgemutst ten oorlog, in Frankrijk net zo goed als in Duitsland? Waar bleef die internationale solidariteit van het proletariaat? Waarom ging de roodste socialist van Frankrijk, Jules Guesde, in het oorlogskabinet zitten? En waarom stemden alle Duitse socialisten in de Rijksdag voor het verstrekken van oorlogskredieten, nog wel op de dag dat Jean Jaurès in zijn graf werd gelegd?

De socialistische leiders van Europa hadden zich in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog suf gedebatteerd over de vraag hoe een oorlog te voorkomen. Jaurès had zich keer op keer sterk gemaakt voor de staking als middel om een oorlog lam te leggen. Maar het waren vooral de Duitse socialisten die daarin geen heil hadden gezien.

Nu het moment suprême aanbrak was de socialistische voorhoede niet bestand tegen de avances van de oorlogsgod Mars. De druk van de massa was te groot. Een socialistisch Rijksdag-lid heeft de sfeer van de julidagen van ’14 sfeer treffend beschreven. Op weg naar de stemming over de oorlogskredieten, raakte hij op het station verzeild in een groepje reservisten. ‘Denk in de Rijksdag aan ons’, zeiden ze tegen hem. ‘Zorg ervoor dat we krijgen wat we nodig hebben, wees niet karig en stem voor de kredieten.’ Dat deed hij dus, tot tevredenheid van de keizer, die zou zeggen: ‘Vanaf nu zijn er geen partijen meer. Alleen nog maar Duitsers.’

Zou ook Jaurès uiteindelijk bezweken zijn onder de golf van vaderlandsliefde die Frankrijk overspoelde? Zou hij dan ook maar ingestemd hebben met een ‘verdedigingsoorlog’? Wie weet. Maar: ze hebben Jaurès vermoord.

***

Jean Jaurès is als filosoof gepromoveerd op twee proefschriften. Een ervan, opgesteld in het Latijn, handelt over de oorsprong van het socialisme bij vier Duitse denkers: Luther, Kant, Fichte en Hegel. ‘Socialisme is geboren in de Duitse geest, lang voor de abnormale groei van haar grote industrie en de andere condities die voor het economisch socialisme nodig zijn’, luidt Jaurès’ motivatie.

De stakingen van de mijnwerkers in Carmaux, die zich van 1892 tot 1895 voortslepen, maken definitief een socialist van hem. Het is daar ook, in het Zuid-Franse departement Tarn, dat hij in een kleinburgerlijk milieu is opgegroeid. Zijn moeder heeft hem met haar liefde en tolerantie gevormd. ‘Hij had geen notie van de essentiële absurditeit die schering en inslag in het leven is’, duidde de romanschrijver Jules Romains het vertrouwen in de mensheid waaraan Jean Jaurès, hoewel niet vrij van melancholie, zijn leven lang vasthield.

Eenmaal politicus op het nationale vlak gaat hij zich grote moeite getroosten om in Frankrijk de meningsverschillen tussen gematigde en radicale socialisten te overwinnen, zoals hij ook naar een synthese zoekt van het Franse en het Duitse socialisme. Als afgevaardigde voor de socialistische partij probeert hij een dam op te werpen tegen het patriottisch tij in zijn land. In zijn krant L’Humanité roept hij ook op tot een onmiddellijk stopzetten van Frankrijks imperialistische politiek.

Op 7 juli 1914 vragen de Franse president Raymond Poincaré en zijn premier René Viviani het Franse parlement om een krediet voor hun staatsbezoek aan Rusland. De Oostenrijks-Servische vete na de aanslag in Sarajevo overschaduwt het debat. Jaurès neemt namens de socialisten het woord: ‘Wij vinden het ontoelaatbaar dat Frankrijk betrokken raakt in wilde avonturen op de Balkan, omwille van verdragen waarvan het noch de tekst, noch de zin, noch de beperkingen en noch de gevolgen kent. (..) Toen de tsaristische contrarevolutie de dappere Russen die hun basisvrijheden op heroïsche wijze hadden veroverd liet executeren of gevangen zetten, verloor Frankrijk zijn enige garantie dat het verdrag met Rusland een rechtvaardig doel diende.’ Alleen de socialisten stemmen tegen de 400.000 franc.

Op 29 juli, twee dagen voor zijn dood, komen op een spoedbijeenkomst in Brussel de socialistische leiders van Europa bij elkaar. Lenin is er namens Rusland niet bij. Maar de Oostenrijker Viktor Adler, de Duitser Hugo Haase, de Brit Keir Hardie, de Belg Emile Vandervelde en ook de Nederlander Pieter Jelles Troelstra – ze zoeken naar een kans om het tij te keren. Maar vinden die niet. Pijnlijk wordt duidelijk dat de socialisten alleen hun eigen regeringen tot de vredelievende partij rekenen.

Jaurès zal ’s avonds op een massabijeenkomst ten overstaan van de Brusselse arbeiders nog wel zijn arm om de schouders van de Duitser Haase slaan. En hij steekt een gloedvol betoog af. De man heeft charisma: niet alleen zijn baard doet aan Karl Marx zelf denken. De massa zwaait met witte kaarten waarop ‘guerre à la guerre’ staat geschreven: ‘oorlog aan de oorlog’.

Als Jaurès afscheid neemt, stelt hij de Belg Vandervelde nog gerust. Er zijn vaker van dit soort crises geweest. ‘Dat er geen oplossing wordt gevonden is onmogelijk’, zegt hij. Jaurès stelt zelfs nog voor om in het museum de schilderkunst van de Vlaamse primitieven te bewonderen.

Op de avond van 31 juli, de dag waarop Duitsland Rusland voor de laatste keer waarschuwt, bestelt Jean Jaurès een aardbeientaartje in het Café du Croissant aan de Rue Montmartre, hartje Parijs. Raoul Villain loopt langs het raam en vuurt twee kogels af op Jaurès. De meest prominente socialist van Europa sterft binnen enkele minuten. ‘De eerste dode van de oorlog’, zullen ze hem gaan noemen.

’s Middags had hij ten overstaan van journalisten zijn hart nog gelucht: ‘Gaan wij een wereldoorlog ontketenen, omdat Izvolski nog steeds kwaad is om het bedrog van Aerenthal tijdens de Bosnische affaire?’ Louis Malvy, de minster van Binnenlandse Zaken, had Jaurès ook nog aangeschoten. Het moest afgelopen zijn met de vriendelijke toon aan het adres van de Russen. Het gevaar voor Frankrijk was veel groter dan dat voor Rusland.

De schrijver Roger Martin du Gard heeft jaren nadien deze impressie gegeven van het wegvoeren van Jaurès’ lijk door de straten van Parijs: ‘Toen het paard het op een draf je zette en de ambulance, geëscorteerd door agenten op de fiets, kletterend zijn weg naar de Beurs insloeg, zwol uit het niets een rumoer aan, als het brullen van een boze zee waarin het klingelen van de bel verdronk; het was alsof de sluizen open waren gegaan en de opgekropte emoties van de massa nu vrij kwamen: Jaurès! Jaurès! Jaurès! Jaurès voor altijd!’

Het nieuws schokt de Franse regering, met name premier Viviani, een oude kameraard van Jaurès. Samen hebben ze nog het dagblad L’Humanité opgericht. De ministers zijn bang dat de moord op Jaurès tot rellen zal leiden. Dat Frankrijk verscheurd de confrontatie met Duitsland aan moet gaan. Maar dat blijkt reuze mee te vallen. Er heerst op grote schaal verdriet om de ‘machtige eik’ die geveld is, maar dat verdriet vertaalt zich niet in verzet tegen de oorlog.

***

‘Pourquoi ont-ils tué Jaurès?’ Jacques Brel stelt die vraag terecht tweemaal. Waarom hebben ze Jaurès, de vader, vermoord. En waarom ook zijn enige zoon? Louis Jaurès meldt zich in 1915 op 17-jarige leeftijd vrijwillig bij het leger aan. Hij heeft dat zelf als volgt verklaard: ‘Wanneer je de eer hebt zoon van Jean Jaurès te zijn, moet je het voorbeeld geven. Het filosofisch internationalisme is niet onverenigbaar met de verdediging van het vaderland als het voortbestaan daarvan op het spel staat.’ Louis Jaurès sneuvelt op 3 juni 1918, als het Franse leger bij de Chemin des Dames een Duitse opmars tegen wil houden.

Raoul Villain, de moordenaar van vader Jaurès, heeft niet voor zijn vaderland gestreden in de frontlinie. Hij brengt in voorarrest de hele Eerste Wereldoorlog door in een cel. De rechtszaak volgt na de oorlog. Het ongelooflijke gebeurt: Villain wordt vrijgesproken. De jury vindt dat hij het vaderland met zijn daad gered heeft van de ondergang. De weduwe Jaurès wordt daarbij veroordeeld tot het betalen van de proceskosten. Villain vertrekt naar Ibiza, waar hij een bestaan in de marge gaat lijden. In 1936, ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog, moeten Republikeinen hem voor een Franco-handlanger hebben aangezien. Hij wordt dood op het strand gevonden. Een kogel in de hals van de man die Jaurès heeft vermoord.

Waarom?

004 Sir Edward Grey en de liefde voor vogeltjes (zondag 19 juli 1914)

 

Sir Edward Grey

Sir Edward Grey

De Britse minister van Buitenlandse Zaken had halverwege juli 1914 zijn ‘finest hour’ kunnen beleven. Maar helaas, Sir Edward Grey zag de lichten in heel Europa uitgaan. En hij wist: ik zal ze niet meer zien branden.

Als op 23 juli 1914 Oostenrijk-Hongarije de Serviërs opzadelt met een haast onmogelijk ultimatum, moet in Londen Sir Edward Grey’s finest hour aanbreken. Helaas, de Britse minister van Buitenlandse Zaken talmt en talmt. Grey is een fervent vliegvisser, maar nu het er als minister van Buitenlandse Zaken op aankomt, werpt hij veel te laat zijn aas in het water. Hij waagt nog wel een bemiddelingspoging, maar verzuimt de kemphanen op het continent duidelijk te maken waar zijn Engeland zelf staat.

Stel dat Grey van meet af aan tegen Frankrijk en Rusland had gezegd: ‘Reken niet op ons, wij hebben hier onze handen al vol aan Ierland.’ Hadden die twee er dan wellicht voor gekozen toch maar een oogje toe te knijpen terwijl Oostenrijk een tik uitdeelde aan Servië? Stel dat Grey zonder dralen tegen Duitsland en Oostenrijk had gezegd: ‘Over mijn lijk verstoren jullie het evenwicht in Europa. Engeland staat pal achter Frankrijk en Rusland.’ Had Berlijn er dan misschien heel wat krachtiger bij Wenen op aangedrongen de boel niet zo op de spits te drijven?

Geen van beide scenario’s heeft hij uit de la gehaald. Het weifelen van Grey heeft hem uiteindelijk zijn reputatie gekost, al is ie vooral beroemd geworden door die ene oneliner. Aan de vooravond van het uitbreken van de Grote Oorlog moet Grey, starend uit een raam van zijn Foreign Office, in een helder ogenblik tegen een vriend hebben gezegd. ‘The lamps are going out all over Europe; we shall not see them lit again in our lifetime.’

Groot-Brittannië kent geen minister van Buitenlandse Zaken die langer de majesteit heeft gediend dan Sir Edward Grey. Hij trad onder premier Sir Henry Campbell-Bannerman aan als hoofd van het Foreign Office in 1905 en moest pas wijken toen David Lloyd George eind 1916 de regering kwam overnemen van die andere liberale premier, Herbert Asquith. Geen andere Europese minister van Buitenlandse Zaken had in de voorafgaande jaren zo’n sterke machtspositie.

Grey, een vertegenwoordiger van de Liberal Party, stamt uit een familie van ambtsdragers, onder wie Earl Grey, bekend nadien van de thee. Edward is de oudste uit een gezin van zeven kinderen. Zijn opleiding volgt hij in Winchester en Oxford. In de jaren voor de oorlog toont Grey zich een bekwaam minister. Hij tekent in 1907 voor een detente in de betrekkingen met Rusland, waarmee de Conservatieve regeringen voordien op gespannen voet hebben gestaan. Voor Grey staat vast dat voor het machtsevenwicht Rusland als factor in de Europese politiek onontbeerlijk is. In Centraal-Azië komt hij met de Russen ook een afbakening van elkaars invloedssferen overeen.

Ook met Frankrijk haalt Grey de banden aan. Als staatssecretaris van Buitenlandse Zaken heeft hij in 1895 nog van een ‘unfriendly act’ gesproken toen de Franse ontdekkingsreiziger Jean-Baptiste Marchand een expeditie naar de bovenloop van de Nijl aanving. Een oorlog met Frankrijk was op dat moment nog verre van ondenkbeeldig. In de nieuwe eeuw treedt echter hartelijkheid op in de relatie tussen Londen en Parijs, al ziet Grey als architect er wel op toe dat die Entente Cordiale niet uitmondt in een dwangbuis voor de Britten, die immers zo gehecht zijn aan hun splendid isolation.

De grootste bedreiging daarvoor komt uit Duitsland, meent ook Grey in die vooroorlogse jaren. De Duitsers overwegen serieus een invasie, is zijn inschatting. Germanofobie is de Britse minister van Buitenlandse Zaken niet vreemd. Tijdens hun vakanties brengen Duitse officieren de Britse kusten strategisch in kaart, veronderstelt hij. Grey’s beleid is echter niet gericht op een militair conflict met het economisch vitale Duitsland. ‘Containment’ is het uitgangspunt: Grey tracht Duitsland onder de duim te houden door het samen met andere grootmachten, Frankrijk en Rusland met name, te isoleren.

Zijn omzichtige manoeuvres, en de militaire verplichtingen die daaruit voortvloeien, spelen zich af in een sfeer van ‘hush hush’, zo zal oorlogspremier David Lloyd George in zijn memoires klagen over de gebrekkige informatieverstrekking vanuit het Foreign Office tijdens Grey’s ambtsperiode. ‘Zijn treffende fysionomie met de dunne lippen, de stevig gesloten mond en strakke gelaatstrekken gaven de indruk van koud staal’, vervolgt Lloyd George. ‘Voeg aan die uiterlijkheden zijn gereserveerde stijl van spreken toe en de rustige uitingen tijdens de zeldzame keren waarop hij sprak en men was geneigd een onverstoorbare kracht in geval van nood te verwachten.’

Tijdens de Julicrisis van 1914 heeft Grey die verwachting niet waar kunnen maken, zal Lloyd George pijnlijk duidelijk maken, maar drie jaar eerder was Grey goed uit de verf gekomen toen Duitsland en Frankrijk in 1911 opnieuw over Marokko met elkaar in botsing kwamen tijdens de Agadir Crisis. De Duitsers stuurden een kanonneerboot, de Panther, naar Noord-Afrika en escalatie dreigde. Grey koos samen met zijn premier Asquith voor een ferme waarschuwing aan het adres van Duitsland. Het sorteerde effect: Duitsland kroop in zijn schulp. De les om in voorkomende gevallen overeenkomstig te handelen, heeft Grey niet getrokken.

Algemeen wordt aangenomen dat Grey, de behoedzaamheid zelve, het gevaar in die mooie zomer van 1914 niet heeft zien aankomen. Groot-Brittannië was vooral doende met de kwestie van de Home Rule: de Ieren die zich los willen maken van Groot-Brittannië. Winston Churchill heeft aldus het moment beschreven waarop in een kabinetsvergadering de schaduw van de Julicrisis eindelijk over de Ierse kwestie heen viel: ‘De kalme, ernstige stem van Sir Edward Grey klonk, terwijl hij een document voorlas dat hij pas had ontvangen van Buitenlandse Zaken. Het was de Oostenrijkse boodschap aan Servië. (..) De parochies van Fermanagh en Tyrone zakten weer weg in de Ierse mist en buien, en ineens viel er een vreemd licht (..) over de kaart van Europa, dat zich snel verspreidde.’

Een week na de aanslag op Franz Ferdinand komt de Duitse ambassadeur Grey erop attenderen dat de spanningen wel eens hoog op kunnen gaan lopen. Grey wordt door Duitsland verzocht om Rusland tot kalmte te manen. Die rol kiest Grey ook uit; de rol van welwillende bemiddelaar, die op z’n tijd ‘rustig, rustig’ roept, waar hij beter met de vuist op tafel had kunnen slaan. Ook op de 23e juli, de cruciale dag van het Oostenrijks ultimatum, laat hij kostbare tijd voorbijgaan. Hij onderneemt nog wel een poging de 48 uur op te rekken waarbinnen Servië van Oostenrijk op het ultimatum moet reageren, maar die boodschap komt in Wenen niet aan.

In Berlijn hebben ze naar Grey’s voorstel van internationale bemiddeling tussen Rusland en Oostenrijk nog wél oren. De Duitse keizer is immers niet uit op een grootschalig conflict. Hij wil slechts de voorwaarden scheppen waaronder Oostenrijk met Servië korte metten kan maken. ‘Halt in Belgrado’, zo gaat die variant virtueel de geschiedenis in. De Duitse ambassadeur in Londen wordt op 25 juli, vlak voor middernacht, opgedragen om Grey te vertellen dat over zijn bemiddelingsplan te praten valt. Helaas, Grey is al uit Londen vertrokken om het weekend op zijn landgoed door te kunnen brengen.

De oorlogstrein dendert dus voort en zal uiteindelijk ook het station bereiken van Sir Edward Grey. Zonder het Britse kabinet daarin te kennen, spreekt Grey op 29 juli nog enkele vermanende woorden, ‘entirely calm but very grave’, aan het adres van de Duitse ambassadeur. Mocht het conflict tussen Oostenrijk en Servië niet ‘gelokaliseerd’ worden, dan zou het voor Groot-Brittannië niet ‘practicable’ zijn om zich terzijde te houden. Grey koppelt daar de huiveringwekkende voorspelling aan vast dat een oorlog de ‘greatest catastrophe’ zal zijn die de wereld ooit heeft aanschouwd. Het is allemaal te laat. Vanuit Berlijn zijn de keizer en zijn kanselier niet meer bij machte om in Wenen de teugels aan te trekken. De escalatie van het conflict zal later door Grey, net als door zijn Russische collega Serge Sazonov, tot de verantwoordelijkheid van Duitsland worden gerekend.

Als Duitsland op 4 augustus de oorlog aan België verklaart, is het ook met de neutraliteit van Engeland gedaan. Grey heeft het Britse lot niet onlosmakelijk verbonden aan Servië, Frankrijk of Rusland, maar van het kleine, neutrale België moest de Duitser met zijn tengels afblijven. Zijn historisch gelijk haalde Grey uit een verdrag uit 1839, dat ook door het toenmalige Pruisen was ondertekend en dat de neutraliteit van de jonge Belgische staat had gegarandeerd. Voor Grey was dat verdrag een erezaak, maar de Duitse kanselier Von Bethmann Hollweg moet het in een onderhoud met de Britse ambassadeur weg hebben gezet als een papiertje, een ‘scrap of paper’. In zijn memoires heeft Grey overigens aan laten tekenen dat de invasie van België dan wel de aanleiding voor oorlogsdeelname was geweest, maar dat zijn eigen gevoel hem ingaf toch vooral Frankrijk te moeten helpen.

Gaandeweg de oorlog ervaart Grey dat buitenlands beleid amper bestand is tegen militaire dynamiek. Hij werkt hard aan het verstevigen van de banden met Frankrijk en Rusland. Afgesproken wordt dat geen van drieën een afzonderlijke vrede na zal streven. Op Grey’s conto mag ook het belangrijke Pact van Londen worden geschreven, waarbij Italië zich aan de zijde van de geallieerden schaart. Maar hij verkijkt zich op de politieke stemming in Turkije en Bulgarije, die zich bij de Centrale machten aansluiten, en slaagt er ook niet in om Griekenland en Roemenië tijdig en volwaardig voor de geallieerde zaak te winnen. Zijn voor de oorlog nog zo glinsterende reputatie doet zijn naam inmiddels eer aan: grijzig.

In 1916, als David Lloyd George premier wordt, moet Grey zijn ministerspost afstaan aan Arthur Balfour, voormalig premier voor de Conservatieven. Grey treedt datzelfde jaar nog als Viscount Grey of Fallodon toe tot het Hogerhuis, de House of Lords. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog maakt hij zich sterk voor oprichting van een Volkerenbond, waarvoor ook de Amerikaanse president Wilson zich gaat inspannen.

Een diplomatieke missie, september 1919 onder zijn leiding, om de Verenigde Staten te bewegen het Verdrag van Versailles te aanvaarden mislukt. Twee jaar is Grey ambassadeur voor Groot-Brittannië in de Verenigde Staten. Ondertussen gaat zijn gezichtsvermogen steeds verder achteruit. In 1925 verschijnen zijn memoires onder de titel Twenty-Five Years. Hij speculeert daarin over een Engels-Amerikaans-Duits bondgenootschap dat de wereldvrede moet zekeren. Een nieuwe wereldoorlog zal nog aan verwezenlijking van die atlantische gedachte voorafgaan.

Voor hij in 1933 op 71-jarige leeftijd sterft, kinderloos na twee huwelijken, verschijnt er nog een belangwekkend boek van zijn hand: The Charm of Birds. Inderdaad, de andere kant van Sir Edward Grey is die van ornitholoog. Spijtig dat ie de Duitse adelaar niet wat beter heeft bestudeerd.

 

003 Leopold Graf von Berchtold en de stok om mee te slaan (zondag 12 juli 1914)

Leopold Graf von Berchtold

Wat een brandje op de Balkan had kunnen blijven, wakkerde de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken aan tot een wereldwijd inferno. Shame on you: Leopold Graf von Berchtold.

In de julicrisis van 1914, die zich na de moordaanslag op Franz Ferdinand ruim een maand voortsleept, speelt Graf Leopold Berchtold von und zu Ugarschitz, Fratting, und Pullitz in Oostenrijk-Hongarije een cruciale rol. Heeft de minister van Buitenlandse Zaken zich laten ophitsen door de oorlogspartij in zijn land? Is hij zich ten volle bewust van de gevaren van een strafexpeditie tegen Servië? Het ultimatum dat uiteindelijk aan Servië wordt voorgelegd draagt in elk geval de handtekening van Berchtold. Het brandje in Sarajevo wordt aldus tot een wereldwijd inferno aangewakkerd.

De charmante Berchtold is van hoge, aristocratische komaf. Zijn voorgeslacht wortelt in Tirol. Aan een eerdere Graf Leopold Berchtold is in 1859 een biografie gewijd onder de pakkende titel ‘Der Menschenfreund’. Met Germaans, Tsjechisch, Slowaaks en Hongaars bloed in de aderen staat de jongere Graf Leopold Berchtold voor de multiculturele Donau-monarchie zelf. Hij heeft een verfijnde smaak. Zijn hart lijkt ook eerder naar de kunsten, de literatuur en de paardenrennen dan naar de politiek uit te gaan. Als een van de rijkste mannen in het keizerrijk hij het, carrièrediplomaat zijns ondanks, tot ambassadeur in St. Petersburg gebracht. Hij was in zijn Russische periode een warm voorstander van een ontspannen relatie met het tsarenrijk, maar Berchtold heeft er niet het inzicht aan overgehouden dat nodig is om in juli 1914 de angel uit het conflict te halen. Die angel is de Germaans-Slavische tegenstelling.

Onder de handen van Berchtold, wat bangelijk van karakter, lopen de zaken op de Balkan in de zomer van 1914 uit de rails. Al is Rusland niet door een verdrag gebonden om Servië in geval van een oorlog te hulp te snellen, toch mag het kleine koninkrijk op de Balkan zich gesteund voelen door de grote Slavische broer. Berchtold moet dat als geen ander beseffen, maar toch denkt hij de Serviërs op de knieën te kunnen krijgen zonder bemoeienis van de Russen. In februari 1913 is hij ook nog door de Duitse kanselier Theobald von Bethmann Hollweg gewaarschuwd voor escalatie op de Balkan: ‘Volgens mij zou het een vergissing met ontzettend verstrekkende gevolgen zijn als wij met geweld een oplossing zouden proberen te forceren.’ Achter Rusland staat immers ook Frankrijk.

***

Voor een goed begrip van de rivaliteit tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije moeten we terug naar september 1908. Plaats van handeling: kasteel Buchlau, in hedendaags Tsjechië. Kasteelheer is Leopold Graf Berchtold. In het grootste geheim ontvangt hij de ministers van Buitenlandse Zaken van Rusland en Oostenrijk-Hongarije. Alois Lexa von Aerenthal en Alexander Izvolski heten ze. Aerenthal, de Oostenrijker, is de sluwste. Hij ontfutselt Izvolski de toezegging dat Rusland een Oostenrijkse annexatie van Bosnië en Herzegovina zal laten passeren. In ruil daarvoor belooft Aerenthal steun aan de Russische claim om via de Dardanellen toegang tot het warme water van de Middellandse Zee te krijgen, zonder aan de status van Constantinopel te tornen. Het is hét grote verlangen van de Russen sinds eeuwen: een vrije doorgang naar de wereldzeeën.

In de marge van de besprekingen, die zonder verslaglegging afgesloten worden en daarom achteraf ruimte voor uiteenlopende interpretaties bieden, laat Aerenthal ook ruimte voor expansie van Servië en Montenegro op de Balkan, in het geval die twee kleine staten de annexatie van Bosnië-Herzegovina accepteren. Wenen laat er geen gras over groeien. Daags nadat Bulgarije zich formeel onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk heeft verklaard, voegt Oostenrijk-Hongarije Bosnië en Herzegovina toe aan zijn grondgebied. In Wenen wordt dat gezien als slechts een formalisering van wat in 1878 het Verdrag van Berlijn al had bepaald: het bestuur over de Ottomaanse provincie kwam dat jaar bij Oostenrijk-Hongarije te liggen.

Het inpalmen van Bosnië-Herzegovina zorgt dertig jaar later voor internationale spanningen. De verontwaardiging is het grootst in het aanpalende Servië. Het zelfbewuste koninkrijk ziet door de annexatie zijn weg naar de Adriatische Zee geblokkeerd. Het mobiliseert zijn troepen en wendt zich in zijn nood tot Rusland, de grote broer. Maar die geeft in de geest van Buchlau prioriteit aan de eigen agenda: een vrije doortocht van de Zwarte via de Egeïsche naar de Middellandse Zee. Arme Izvolski. Zijn gentleman’s agreement met Aerenthal blijkt boterzacht. Oostenrijk-Hongarije laat de Russen op het internationaal toneel in de kou staan. Vooral de Britten hechten er stiekem aan dat het barbaarse Rusland van warm water verstoken blijft.

Er is één land dat zich openlijk níet heeft uitgesproken tegen de annexatie van Bosnië-Herzegovina: Duitsland. In die zin lijkt de Bosnische Crisis van 1908, met zijn Germaanse broederband, op een generale repetitie van de Eerste Wereldoorlog. Maar eerst zullen er nog twee oorlogen op de Balkan worden gevoerd, die van 1912 en die van 1913.

In de Eerste Balkan Oorlog moet het Ottomaanse Rijk, dat als de ‘Zieke Man van Europa’ bekend staat, het opnemen tegen een Liga van Balkanstaten: Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland. De Turken leggen het af en moeten zich terugtrekken uit Europa. Maar daarna raken de zegevierende Balkanstaatjes het onderling niet eens, met name over Macedonië. In de wirwar die daarop volgt weten de Ottomanen zich terug te vechten, maar betekenisvoller is de sterkere positie op de landkaart die Servië na het optrekken van de mist inneemt. Het pas gecreëerde Albanië mag dan de weg naar de Adriatische Zee voor de Serviërs afsluiten, de contouren van een Zuid-Slavische staat op de Balkan nemen duidelijk vorm aan.

Dát is vooral een flinke tegenvaller voor de Oostenrijks-Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken, die inmiddels Leopold Graf Berchtold heet. Berchtold heeft sowieso al moeite om in de voetsporen te treden van zijn sluwe voorganger, de in 1912 overleden Aerenthal, op wie keizer Franz Joseph blind had vertrouwd.

In het hart van Europa rammelen de Slaven aan de poort van Oostenrijk-Hongarije. Berchtold heeft in 1914 onder andere te kampen met pro-Russische sentimenten onder de Oekraïenstalige Roethenen. Aan de Oostenrijkse premier Karl von Stürgkh schrijft hij in juni 1914: ‘Het is geen overdrijving als ik zeg dat onze betrekkingen met Rusland , die van zo’n groot belang zijn, in de toekomst zullen worden bepaald door de vraag of wij erin slagen de russificatie van de Roethenen te voorkomen.’ Maar daar vergist Berchtold zich: het Russisch gevaar zal diezelfde maand nog uit de Servische hoek komen.

Op 28 juni 1914 durven Servische terroristen het zelfs aan de troonopvolger van de Habsburgers uit de weg te ruimen. Berchtold, die bij de eerdere crises op de Balkan nog een weifelende indruk heeft gemaakt, weet dat hij de Serviërs deze keer niet weg mag laten komen. De aanslag op Franz Ferdinand, in wie Berchtold binnen de veelkoppige besluitvormingsstructuren van de Habsburg Monarchie een machtige bondgenoot heeft gehad, is de ideale gelegenheid om het gevaar van Servië te bezweren. Het kleine koninkrijk lijkt immers hard op weg om, naar analogie van de Italiaanse eenwording, tot het ‘Piedmont van de Zuid-Slaven’ uit te groeien.

Berchtold voelt daarbij de hete adem in z’n nek van haviken als Conrad von Hötzendorf, chef van de generale staf van het leger. Die was het liefst daags na de aanslag al Servië binnengevallen. Maar er zijn ook gematigde krachten, met name graaf Tisza, de premier van Hongarije. Tisza waarschuwt de oude keizer Franz Josef nog voor de ramkoers die Berchtold volgt. Maar uiteindelijk zal ook Tisza op 14 juli instemmen met het ultimatum dat Berchtold de Serviërs negen dagen later gaat voorleggen. Aan dat ultimatum is een blanco cheque van de Duitse keizer voorafgegaan. Wenen weet zich op weg naar Belgrado geruggensteund door Berlijn.

Het pakket van tien eisen dat Oostenrijk-Hongarije in Belgrado bezorgt, laat zich lezen als een opzichtige poging tot het creëren van een casus belli. Servië gaat, voor het verstrijken van de strakke deadline van slechts twee etmalen, diep door de knieën. Het antwoord op het ultimatum, voorzien van een appendix met de resultaten van het politieonderzoek naar de aanslag in Sarajevo, is een diplomatiek hoogstandje. Ootmoedig zegt Belgrado toe om een eind te maken aan vijandige uitingen aan het adres van Oostenrijk-Hongarije. Het wil daartoe ook nauw samenwerken met Wenen. Aan de smokkel van wapens en explosieven tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije zal ook een eind worden gemaakt.

Maar één voorwaarde kan Servië als soevereine staat niet inwilligen. Dat is de eis van Oostenrijk-Hongarije om in Servië zelf op zoek te gaan naar de samenzweerders achter de aanslag. Die regelrechte inbreuk op de eigen jurisdictie van Belgrado, is de stok waarmee Berchtold Servië weet te slaan. Wenen verklaart Belgrado op 28 juli de oorlog – met alle desastreuze gevolgen van dien. De bemiddelingspoging van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Sir Edward Grey, komt te laat.

De oorlogsverklaring komt voor velen als een donderslag bij heldere hemel. De aanslag op Franz Ferdinand is al een maand geleden. Europa was overgegaan tot de orde van de dag. In Frankrijk, bijvoorbeeld, stonden de voorpagina’s van juli vol met verhalen over de rechtszaak tegen ene Henriette Caillaux. Ze is de vrouw van de minister van Financiën, die in politieke problemen is gekomen door artikelen in Le Figaro. Henriette heeft in maart 1914 haar man gewroken door de directeur van die krant in koelen bloede neer te schieten. Half juli staat ze terecht. Dát, en niet het uitbreken van een oorlog die wel eens de hele wereld zou kunnen omspannen, domineert het nieuws in Frankrijk.

***

Berchtold heeft de oorlog politiek niet overleefd. In januari 1915 al weet graaf Tisza keizer Franz Joseph ervan te overtuigen dat zijn minister van Buitenlandse Zaken maar een besluiteloos type is. Hij is er niet in geslaagd om Italië aan de zijde van Oostenrijk te krijgen. Rome heeft daarvoor de nodige territoriale eisen aan Wenen gesteld. Aanvankelijk zette Berchtold zich schrap tegen concessies in de Trentino, maar onder Duitse druk is hij daarop teruggekomen. Om aan een oorlog met Italië te ontkomen adviseert hij zijn collega’s om ook delen van de Albanese kustlijn op te geven. Behalve Tisza wil ook chef-staf Conrad van Hötzendorf daar niet van weten.

Berchtold verdwijnt van het centrum van de macht, het Ballhausplatz in Wenen, naar de achtergrond. In 1916 wordt hij aan het Weense hof aangesteld als Obersthofmeister. Later mag hij de nieuwe keizer Karl als Oberstkämmerer nog van advies gaan dienen. In 1942 sterft Berchtold in Hongarije, 79 jaar oud. De man die ziende blind de schop ter hand nam om het massagraf van de Eerste Wereldoorlog te delven, is zelf bijgezet in de familietombe te Buchlau.

002 Wilhelm II en het dode konijntje (zondag 5 juli 1914)

Wilhelm II

 

In English

‘Een man van parades bij prachtig weer, niet van slachtpartijen in nevel en modder.’ Fraaie typering van keizer Wilhelm II, maar de vraag blijft wringen: hoe anders was de wereldgeschiedenis verlopen met een Duitse keizer die het niet nodig had gehad om zijn gevoel van minderwaardigheid in hoogmoedswaanzin te ontladen?

De verleiding is groot om Wilhelm II, keizer van Duitsland, een flink deel van de schuld van de Grote Oorlog toe te schuiven. De Britse koning George V heeft in elk geval een spijkerhard oordeel over zijn volle neef geveld: ‘Ik beschouw hem als de grootste crimineel, omdat hij de wereld in een oorlog heeft gestort.’

Was Wilhelm ook niet de man die de eerste week van juli 1914 zijn befaamde ‘blanco cheque’ had uitgeschreven? Als Oostenrijk Servië wilde laten boeten voor de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand, dan kon het –  wat er ook van komen mocht –  op de steun van Duitsland rekenen. Zo kreeg collega-keizer Franz Joseph het te horen van Wilhelm. Twee weken voor de aanslag in Sarajevo had die nog een aangenaam weekend met de betreurde Franz Ferdinand en zijn Sophie had doorgebracht in hun favoriete jachtoord. Ze hadden daar in Konopsicht niet alleen de tuinen bewonderd, maar ook de situatie op de Balkan besproken. Weer een week later speculeerde Wilhelm in een gesprek met de bankier Max Marburg op een preventieve oorlog met Rusland, nog voor de tsaar zijn herbewapening wist af te ronden.

Op de carte blanche die Wilhelm tijdens de Julicrisis van 1914 voor Oostenrijk uitspeelde, volgde een ware kettingreactie. Het ene land sleurde het andere de oorlog in – een wereldoorlog. Maar zó had Wilhelm II het nu ook weer niet bedoeld. ‘The last thing the Kaiser wanted was a European war’, noteerde de Britse oorlogspremier David Lloyd George als getuige à decharge in zijn memoires. Wilhelm was dol op parades bij stralend weer, compleet met toespraken waar de bloeddorst vanaf droop. Maar daadwerkelijke slachtpartijen in de mist en de modder waren niet aan de keizer besteed.

De hele maand juli van 1914 gaan er hartelijke telegrammen over en weer tussen keizer Wilhelm II en de Russische tsaar Nicolaas II, met wie hij een vriendschap en een lotsbestemming deelt. Als de Nicky-Willy Correspondentie zijn de telegrammen de geschiedenis ingegaan. Er rijst het beeld uit op van twee kosmopolitische vorsten die out of control zijn, niet bij machte om de koers van oorlog naar vrede te verleggen – hoe graag ze dat ook zouden willen. Op het aanbod van Nicolaas om de Oostenrijks-Servische kwestie voor te leggen aan de Haagse Conferentie gaat Wilhelm eind juli niet in.

Na het losbranden van de oorlog, zal Wilhelm zich al snel naar het tweede toneel begeven. Strategisch en tactisch gaat dit spel hem boven de pet. Hij is meer een man van de peptalk. Cadetten heeft hij eens voorgehouden dat ze zelfs op hun vader of moeder moesten schieten als hij, de keizer, daarom vroeg. In zijn talloze toespraken geeft de man zich bloot. De beroemdste is die uit 1900, als Wilhelm de Duitsers uitzwaait die een einde gaan maken aan de Bokseropstand van de Chinezen. Wilhelm brult: ‘Zorg dat nooit meer een Chinees het waagt een Duitser scheel aan te kijken.’

Psychologen hebben hun tanden stuk gebeten op dit pompeuze keizerstype. Veel aandacht is er voor z’n lamme handje, resultaat van een akelige bevalling. Het had weinig gescheeld of Wilhelm II had het kraambed niet overleefd. Met een natte handdoek wist een doortastende vroedvrouw toch nog wat leven in de slappe zuigeling te slaan. Op die ongelukkige geboorte volgde een ongelukkige jeugd. Dat hun keizerlijke zoon mismaakt door het leven moest, zat vooral moeder, een dochter van Queen Victoria, behoorlijk dwars. Aan de meest onzinnige therapieën heeft zij haar zoon onderworpen. Zo werd op een kwade dag het lamme handje in een pas geslacht konijntje gestopt. Dat zou helpen.

Er is veel af te dingen op de theorie dat de wereldbrand van ‘14-‘18 zijn oorzaak vond in de handicap van een misvormde keizer. Maar interessant is het wel om te speculeren hoe de wereldgeschiedenis eruit had gezien met een Duitse keizer zónder de hoogmoedswaanzin waarmee hij zijn minderwaardigheidscomplex trachtte te compenseren. Hoe anders was het gelopen als een monarch kalm en wijs het onstuimige Duitsland in rustige vaarwateren had weten te loodsen? Er zat geen rem op de geldingsdrang van Wilhelm II. Maar dat gold evenzeer voor zijn jonge natie. Beiden, vorst en volk, hadden wat te bewijzen.

Tact en gevoel voor nuances behoorden niet tot het repertoire van Wilhelm. In zijn optiek bestonden er ook slechts twee typen politici: zij die tegen hem en zij die voor hem waren. Bij Wilhelm II, telg uit het Pruisische geslacht Hohenzollern, hoorde wapengekletter. Zo kon hij zijn beperking overwinnen. Van rijkskanselier Bernhard von Bülow, die zijn handen vol had aan de Duitse keizer, is deze typering: ‘Hij is als het jongetje dat lopende over het kerkhof fluit om niet bang te zijn.’

Deze Von Bülow was er veel aan gelegen om de keizer zover mogelijk van het buitenlands beleid vandaan te houden. Toen de kanselier er in 1905 achter kwam dat Wilhelm eigenhandig aan een ontwerp-tekst voor een verdrag met Rusland had zitten morrelen, moest Von Bülow met zijn portefeuille wapperen om de keizer in te laten binden. Vijftien jaar eerder was Wilhelm ook niet betrokken geweest bij het besluit om het Herverzekeringsverdrag met Rusland niet te verlengen. Cruciaal voor het verloop van de wereldgeschiedenis is die wig tussen keizer en tsaar geweest.

Het wringt met name tussen het Engeland van zijn moeder en Wilhelm. Het persoonlijke moet hier ook het politieke overlapt hebben. Wilhelm dweepte als jongeling met zijn moeder, maar hij stuitte bij haar op kilte. Heeft dat zijn haat tegen Groot-Brittannië gevoed? ‘Een Engelse dokter heeft me een lamme arm gegeven en een Engelse dokter is mijn vader aan het vermoorden’[4], jammerde hij aan het sterfbed van keizer Friedrich III.

Hoe dan ook wil hij niets weten van de Engelse traditie, die de koning in de pas van de grondwet en het parlement laat lopen. In zo’n korset knelt de eerzucht van Wilhelm. Hij poseert voor schilder en fotograaf als een heerser, aan wiens metalen tred ruimte breekt. De rechtopstaande punten van zijn snor getuigen van zijn dadendrang.

Wilhelm voelt zich niet op waarde geschat door de rest van de wereld, ook al heeft hij in 1901 op Engelse bodem met zijn sterke rechterarm de ogen mogen sluiten van zijn grootmoeder Victoria, zelf overigens half-Duits én getrouwd met een Duitser. Victoria’s beide zonen gunden hun neef uit Berlijn het bijzondere voorrecht wel. Maar wat zou ie dolgraag eens door Parijs zijn gereden als een groot vorst, die niet in de schaduw hoefde te staan van Napoleon Bonaparte, ook voor de Kaiser een rolmodel. Nimmer in zijn 82-jarige leven heeft Wilhelm II de Lichtstad zien flonkeren.

Wilhelm II is volledig overtuigd van zijn historische positie in het jonge Duitsland. Bismarck, de ijzeren kanselier, had de eenwording van de Duitsers beklonken met de zege op Frankrijk in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870-1871. Twintig jaar later zou de jonge keizer Wilhelm II, conservatief en radicaal tegelijkertijd, de oude staatsman Bismarck aan de kant schuiven.

Het wilheminische Duitsland eist zijn plek onder de zon op. Fransen en Engelsen mogen de wereld dan al verdeeld hebben, Duitsland wil alsnog een stuk van de koek. Er staat geen maat op de industriële en wetenschappelijke prestaties in het Duitsland van Wilhelm II. Hard wordt er gewerkt. In de eerste vijfentwintig jaar van Wilhelms regeerperiode boekt Duitsland een enorme progressie, ook op het terrein van de sociale voorzieningen. Het meeste opzien baart de opbouw van een vloot, die de sinds eeuwen almachtige Britten op zee uitdaagt. ‘Nooit tevoren vertegenwoordigde een symbolisch persoon zo volmaakt een tijdperk’, plaatste Walter Rathenau de keizer in de lijn van al die driften.

Opgewonden standje, Wilhelm II, aanvoerder van het ‘operette regime’ waar het Duitse keizerrijk veel van weg had. ‘In werkelijkheid was hij een verwekelijkte, verwijfde en overgevoelige man, wiens beste vrienden homoseksueel waren. Bij hen zocht hij de warmte en affectie die hij niet kon vinden in de streng omschreven wereld van de ambtenarij en de beperkingen van het traditionele, door mannen gedomineerde gezinsleven’, zo zet de Canadese cultuurhistoricus Modris Eksteins de keizer weg.

Op 6 augustus 1914 houdt Wilhelm een toespraak: ‘An das Deutsche Volk’. Hij zet uiteen dat Duitsland altijd de vrede heeft gezocht. Het is de vijand die oorlog wil, de vijand die Duitsland zijn succes misgunt. En nu dulden ze het ook niet dat Duitsland trouw aan zijn bondgenoot blijft. Dan moet het zwaard maar beslissen, spreekt Wilhelm: ‘So muss denn das Schwert entscheiden!’ In Berlijn heeft hij zich al door een oorlogszuchtige massa toe laten juichen. Zijn onderdanen lijken te zijn bevangen door een spiritueel geladen verlangen naar een glorieuze toekomst, waarin de Duitse Kultur boven de Angelsaksische Civilization uit zal stijgen.

Een echte hoofdrol in de Eerste Wereldoorlog heeft hij niet weten te spelen. Aan het eind ervan zijn het de generaals Hindenburg en Ludendorff die bijna als dictators over Duitsland regeren. Zo af en toe komt het hen van pas om de keizer als marionet naar voren te schuiven. In 1917 is het Wilhelm II die de onbeperkte duikbootoorlog voor zijn rekening mag nemen: Duitsland behoudt zich het recht voor op volle zee vreemde schepen aan te vallen.

Zo blijft in het buitenland het beeld intact van een oorlogsmisdadiger. De Verenigde Staten willen ook niet over vrede met Duitsland spreken zolang de keizer er nog zit. Op 9 november 1918 wordt hem te verstaan gegeven dat het leger niet meer achter zijn keizer staat. Er rest Wilhelm niks anders dan zijn biezen te pakken, al heeft hij gepocht met zijn troepen ten onder te zullen gaan.

Hij rept zich met zijn gevolg naar de Nederlandse grens. Bij Eijsden krijgt de dienstdoende sergeant Pierre Pinckaers de schrik van zijn leven. Hij heeft het bevel geen Duitsers de grens over te laten steken, maar dit lijkt hem toch wel een geval apart. Van hogerhand komt dan de mededeling dat de keizer het land in mag. Op een landgoed in Amerongen verleent graaf Bentinck de keizer onderdak. Later krijgt hij een eigen paleisje, Huis Doorn.

Zijn vrouw zal daar sterven. Hij hertrouwt. Doodt zijn tijd met wandelen, het hakken van hout en het schrijven van zijn memoires. Ontvangt bezoek. En verneemt dan dat in Duitsland nieuwe machthebbers opstaan: de nationaal-socialisten van Hitler. De Kristallnacht wekt de verontwaardiging van Wilhelm, maar als Duitsland in 1940 Frankrijk binnen de kortste keren oprolt, gaat een gelukstelegram van de keizer naar de Führer. Een jaar later sterft Wilhelm II. Hij heeft bij leven bepaald dat zijn beenderen pas in Duitse grond begraven mogen worden als de monarchie in ere is hersteld. Het lijkt erop dat hij voorlopig dus nog niet weg is uit Doorn.

 

 

 

001 Franz Ferdinand en een veerboot in last (28 juni 1914)

Franz Ferdinand

 

In English

De eerste schoten van de Eerste Wereldoorlog vallen in Sarajevo. Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie vallen ten prooi aan Servisch nationalisme. De wraakexpeditie van Oostenrijk-Hongarije zal ontaarden in een wereldbrand.

28 juni 1914 is de dag waarop het verhaal van de Eerste Wereldoorlog aanvangt. Voor Serviërs is 28 juni een datum met een veel oudere geschiedenis. Diep verscholen in de tijd, op 28 juni 1389, moest een Servisch leger het afleggen tegen dat van het Ottomaanse Rijk. De Slag bij Kosovo Polje, het Merelveld, sloeg in de Servische ziel een wond, die is blijven schrijnen.

Franz Ferdinand had in 1914 dus beter een andere dag uit kunnen kiezen voor zijn bezoek aan Sarajevo, de weinig bekende hoofdstad van Bosnië-Herzegovina, waar sinds eeuwen moslims, Kroaten én Serviërs samen moeten leven. Franz Ferdinand draagt de titel van aartshertog. Hij is de toekomstige keizer van Oostenrijk-Hongarije, het rijk waartoe sinds zes jaar ook Bosnië-Herzegovina behoort, tot ergernis van rechtgeaarde Serviërs. Een bezoek aan Sarajevo op 28 juni – het is al met al een affront.  Het zal Franz Ferdinand ook niet goed bekomen. Het eerste schot van de Eerste Wereldoorlog valt op 28 juni 1914, al kan niemand dan al die reikwijdte overzien.

Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie vieren ook nog eens hun trouwdag vieren op die 28e juni. Ze zitten naast elkaar in een open auto, als een jonge Bosniër Gavrilo Princip zijn Servische natie een dienst meent te moeten bewijzen. Princip komt vooral voor Franz Ferdinand, in wie hij de onderdrukker van het Servische volk ziet. De tweede kogel is voor de provinciegouverneur Oskar Potiorek, die ook in de auto zit. Maar dat doel mist Princip. Hij raakt wel per ongeluk Sophie in het onderlijf. Op de achterband zegt ze nog tegen haar man: ‘In godsnaam. Wat is er toch gebeurd?’ Dan stort ze in, tussen de knieën van haar man.

Hij, na haar getroffen in de halsslagader, stamelt: ‘Sopherl! Sopherl! Stirb nicht! Bleibe am Leben für unsere Kinder.’ Terwijl de aartshertog zelf het bewustzijn aan het verliezen is, laat ie nog verschillende keren weten dat het allemaal wel meevalt. ‘Es ist nichts, es ist nichts, es ist nichts….’ Maar de aartshertog vergist zich deerlijk. In de residentie van de gouverneur wordt van beide echtelieden de dood vastgesteld.

***

Terug naar de ochtend van 28 juni 1914, als de wereld er nog heel anders uitziet. Aartshertog Franz Ferdinand is de man die de stokoude keizer van de Oostenrijks-Hongaarse dubbel-monarchie op gaat volgen. De aanstaande keizer staat te boek als een hervormer. En in het vermolmde Wenen gruwelt menigeen bij de gedachte dat voor Oostenrijkers en Hongaren de status quo zijn einde nadert.

Franz Joseph, de keizer, is bijna 84. Hij zal het dus menselijkerwijs niet al te lang meer maken. Piep is Franz Ferdinand van Oostenrijk-Este, zoals zijn titel luidt, op z’n 50e ook niet meer.  De helft van zijn leven loopt hij al warm voor de troon. In 1889 heeft kroonprins Rudolf zelfmoord gepleegd. Rudolf was de enige zoon van keizer Franz Joseph en diens betoverende, zij het neurotische echtgenote Elisabeth, beter bekend als Sissi.

De vader van Franz Ferdinand kwam daarna als oudste broer van de keizer in beeld, maar senior bedankte al snel voor de erfelijke eer. Franz Ferdinand ziet zich aldus voor de taak gesteld om de traditie van de Habsburgers als het centrale vorstenhuis van Europa voort te zetten. Een hele opgave, want zo florissant ziet de toekomst voor het hof in Wenen er niet uit. Het piept en knarst aan alle kanten in het Habsburgse rijk, met al zijn etnische bevolkingsgroepen. Maar Franz Ferdinand lijkt onder dat vooruitzicht niet zwaar gebukt te gaan. Reizend en jagend lijdt hij een gepassioneerd leven. Het wordt beweerd dat hij in zijn leven zo’n vijfduizend herten eigenhandig heeft omgelegd.

Ondertussen bereidt hij zich wel degelijk consciëntieus voor op zijn taak, omringd door adviseurs in de militaire kanselarij van slot Untere Belvedere. Franz Ferdinand maakt zich sterk voor een modernisering van het leger en een uitbouw van de marine. Oostenrijk-Hongarije moet van hem zijn plaats op het wereldtoneel terug zien te veroveren, maar eerst dient het binnenlands orde op zaken te stellen. Franz Ferdinand gaat niet mee in de oorlogszucht die chef-staf Conrad von Hötzendorf met name ten opzichte van het ambitieuze koninkrijk Servië etaleert. Zijn hervormingsdrang levert hem een liberaal imago op, maar wie beter kijkt herkent in Franz Ferdinand een reactionair, die de monarchie stevig wil verankeren in een aristocratische bedding – met de zegen van zijn katholieke God erbij.

Hij is een tijdlang genegen geweest om de Slavische ingezetenen van het keizerrijk hun eigen status te geven naast de Oostenrijkers en de Hongaren, maar in het laatste jaar van zijn leven neigt hij naar een ‘Verenigde Staten van Groot Oostenrijk’, bestaande uit vijftien lidstaten. De gelijkgeschakelde Magyaren wantrouwt hij in elk geval zeer. Hun nationalistische sentimenten ziet hij als een bedreiging voor de dynastie. Franz Ferdinand kan het niet verdragen als in zijn omgeving Hongaars wordt gesproken.

De historicus Michael Freund heeft Franz Ferdinand ‘een man van ongeïnspireerde energie’ genoemd, ‘duister in zijn voorkomen en emoties, een aura van vreemdheid uitstralend en een schaduw werpend van geweld en meedogenloosheid.’ Een tijdgenoot, de Oostenrijkse schrijver en satiricus Karl Kraus, observeerde dat Franz Ferdinand niet het type was dat een ander groette: ‘Hij voelde geen aandrang om zich te begeven naar het nog niet verkende terrein dat ze in Wenen hun hart noemen.’

Zijn eigen hart is in 1895 gestolen door ene Sophie Chotek. Als hertogin van Hohenberg is ze van tamelijk lage komaf: afgegleden Tsjechische aristocratie. Keizer Franz Joseph, toch al niet zo gesteld op zijn eigenzinnige neef, wil niks weten van de relatie. Een Habsburgse keizer in spe, die behoort met een dame van zijn stand aan te komen.

De ruzie tussen de keizer en zijn troonopvolger loopt zo hoog op dat Wilhelm II van Duitsland en Nicolaas II van Rusland hun evenknie in Wenen oproepen wat in te schikken. In 1899 stemt Franz Joseph dan maar in met een echtverbintenis, maar het moet van hem wel een morganatisch huwelijk zijn. Kinderen uit zo’n huwelijk ‘met de linkerhand’ moeten zich tevreden stellen met de rang van de laagste huwelijkspartij. Met andere woorden: Franz Ferdinand zal bij zijn Sophie geen troonopvolger kunnen verwekken. En bij officiële gelegenheden zal Sophie ook haar plaats moeten weten: ergens achteraan.

De entourage van de keizer, inclusief de twee broers van Franz Ferdinand, ziet erop toe dat de ‘dynastieke discipline’ geëerbiedigd wordt. Alfred, de tweede prins van Montenuovo, laat als Oberhofmeister geen kans voorbij gaan om Sophie de waardigheid van het Habsburgse hof te ontzeggen. Franz Ferdinand haat hem erom. Sophie laat alle beledigingen op waardige wijze over zich heen komen. Haar sereniteit steekt af tegen de impulsieve inborst van haar man.

Omdat Bosnië-Herzegovina een Reichsland is, mag Sophie de 28e juni 1914 voor de verandering wel naast haar man plaatsnemen. Franz Ferdinand komt in Bosnië de troepen inspecteren, een taak die hij al enkele jaren vervult. Voor de Serviërs is dat een veeg teken. De spanning tussen het kleine koninkrijk Servië en de grote Donau-monarchie van de Habsburgers is al jaren om te snijden. Bosnië is het brandpunt. In de legermanoeuvres daar herkennen Serviërs het teken dat Oostenrijk-Hongarije op het punt staat binnen te vallen en naar Belgrado op te stomen.

Vandaag, in Sarajevo, staat dat in elk geval niet op het programma. Wel een bezoek aan het stadhuis, een toespraak van de burgemeester, de opening van het nieuwe gebouw van het staatsmuseum, een lunch in de Konak (de oude Turkse vesting), en een bezoek aan de moskee en de bazaars. Het moet dus een mooi dagje worden. Sophie heeft daar in elk geval vertrouwen in. ‘Overal waar we hier kwamen, zijn we zo vriendelijk behandeld – ook door alle Serviërs – met zo veel hartelijkheid en ongeveinsde warmte’, heeft ze een dag voor ze naar Sarajevo vertrokken nog laten weten.

Maar dan. Als Franz Ferdinand en zijn Sophie over de Appel-Kai rijden klinkt een doffe knal. De jonge typograaf Nedeljko Cabrinovic heeft een bom naar de auto van de aartshertog geworpen. Het is een samenzwering. Ze zijn met z’n zevenen: Cabrinovic, Princip en nog vijf anderen. De bom van Cabrinovic mist zijn doel. Hij rolt van het vouwdak van de auto af, nadat Franz Ferdinand met z’n hand een afwerend gebaar heeft gemaakt ter bescherming van zijn Sophie. In de auto erachter krijgen twee adjudanten daardoor wel de volle laag. Bomsplinters verwonden ook verschillende omstanders.

Meer verontwaardigd dan geschrokken besluit Franz Ferdinand zijn bezoek gewoon voort te zetten. In het stadhuis krijgt de burgemeester nog een snauw van hem. ‘Ik kom hier naar Sarajevo en ik krijg bommen naar me toegeworpen. Het is schandalig.’ Sophie sust ‘m, waarna Franz Ferdinand nog moet hebben gemompeld: ‘We kunnen nog een paar kogels verwachten.’

Als Franz Ferdinand besluit de gewonden van de bomaanslag in het ziekenhuis te bezoeken, maar de auto moet keren om de juiste weg te vinden, ziet Gavrilo Princip langs de kant zijn kans schoon. Hij zal met een pistool het werk van zijn makker afmaken. In Wenen kan de oude Franz Joseph, een plichtsgetrouwe maar fossiele monarch, opgelucht ademhalen. De toekomst van zijn dynastie ziet er zonder die balsturige Franz Ferdinand weer wat fraaier uit.

Dood moet Sophie nog steeds haar plaats weten. Haar lijkkist staat op een lager voetstuk dan die van haar man. Er liggen twee handschoenen op en een waaier, als herinnering aan haar bescheiden status van hofdame. Buitenlandse vorsten worden voor de uitvaart niet uitgenodigd.

Bij leven had Franz Ferdinand al bepaald dat hij en zijn Sophie niet bijgezet zouden worden in de Weense Kapuzinergruft, waar alle hooggeplaatste Habsburgers eeuwig mogen rusten. Hij liet een eigen crypte, ‘licht en luchtig’, bouwen in hun paleis bij Artstetten. Met de trein worden de levenloze lichamen in het holst van de nacht weggevoerd uit Wenen, naar het landgoed van de twee. Bij Pöchlarn moeten ze met een veerboot de Donau over. Het onweert. Weinig scheelt het of de veerboot slaat om.

***

‘Sopherl! Sopherl! Stirb nicht! Bleibe am Leben für unsere Kinder.’Een terechte zorg, want de Habsburgse familie zal zich weinig aantrekken van de drie weeskinderen. Een jachtvriend van Franz Ferdinand neemt hun opvoeding over. En als de nationaal-socialisten in Duitsland en Oostenrijk aan de macht komen, worden de kinderen van Franz Ferdinand en Sophie veiligheidshalve weggestopt in het concentratiekamp Dachau.