072 Winston Churchill en zijn eigen geschiedenis (zondag 7 november 1915)

‘Larger than life’ is sir Winston Churchill, groter dan de Grote Oorlog ook. Hij is in 1940 niet zoveel anders dan in 1914: klaar voor de strijd. Maar de man die Hitler ging stoppen, had als minister in de Eerste Wereldoorlog vooral hoon geoogst. Uit op eerherstel ging hij zelf bij Ploegsteert meevechten, onder het motto ‘als je niet kunt lachen, grijns dan’.

060 Eleftherios Venizelos en de geschiedenis van Thucydides (zondag 15 augustus 1915)


De monarch en de premier hebben het zowat de oorlog lang met elkaar aan de stok gehad in Griekenland. Constantijn I had sympathie voor de zaak van de Duitse keizer, zijn zwager, terwijl Eleftherios Venizelos zijn kaarten op de geallieerden wenste te zetten. Na de Wapenstilstand haalde Venizelos in Parijs zijn gelijk, maar de kloof tussen beiden hield Griekenland tot diep in de twintigste eeuw verdeeld.

027 Enver Pasha en Deutschland Ueber Allah (zondag 27 december 1914)

‘De kleine Napoleon’ werd Enver Pasha wel genoemd. Maar daar kon de Jonge Turk toch pas aanspraak op maken toen zijn botten in 1996 de reis terug naar huis mochten maken, net als die van de Franse keizer veel eerder. Enver Pasha was allesbehalve een groot strateeg. Daarvan getuigen, ook postuum, zijn doodgevroren soldaten aan het Kaukasus-front. Maar wacht even, had Napoleon ook geen ervaring met de combinatie van vrieskou en de Rus als vijand?

Deutschland über Allah

Wie in hedendaags Turkije uit wil komen voor democratie, burgerrechten en scheiding van staat en moskee, die begeeft zich naar het Monument van de Vrijheid in Istanboel. Drie jaar voor de Grote Oorlog werd het opgetrokken, een kanon dat naar de hemel vuurt, ter ere van de 74 soldaten die het leven hadden gelaten om de terugkeer van een absolute vorst te voorkomen.

 

Een westerling die er als telg van de Verlichting ook zijn bloemstukje neer wil leggen, zal aarzelen zodra hij de namen van Talaat Pasha en Enver Pasha ontwaart. Talaat Pasha, de man die vereenzelvigd wordt met de Armeense genocide. Enver Pasha, de oorlogsminister en opperbevelhebber, die wel ‘de kleine Napoleon’ werd genoemd, maar daar toch eerder postuum dan bij leven aanspraak op kon maken. Enver Pasha was  allesbehalve een groot strateeg. Maar zoals Napoleons botten van Sint Helena naar Parijs over mochten komen, zo hebben ook de schamele resten van Enver Pasha de reis terug naar Istanboel kunnen maken. Het was pas in 1996 dat Enver Pasha werd toevertrouwd aan dat Monument van de Vrijheid.

 

Er is nog een parallel te trekken tussen Napoleon Bonaparte en Enver Pasha. Beiden hebben zich gruwelijk verkeken op de dodelijke combinatie van vrieskou en de Rus als vijand. Napoleons Grande Armée bevroor in 1812 tot op het bot, net als het Derde Leger van Enver Pasha rond de jaarwisseling van 1914 op 1915.  Van de 90.000 door hem op pad gestuurde soldaten, keerden er maar 12.000 huiswaarts.

 

Die ijselijke strijd kende als decor de Kaukasus, waar Turken en Russen in 1877 ook op elkaar gestuit waren. Enver Pasha was de man die er heil in zag om de Russen opnieuw in de Kaukasus te belagen. Het was ver weg van Sint Petersburg, waar ze de blik eerst en vooral op de slagvelden in het oosten van Europa hadden gericht. De Duitser Liman von Sanders, militair adviseur van de Ottomanen, ontraadde Enver Pasha om de aanval in de Kaukasus te zoeken – tevergeefs. De Slag bij Sarikamis, die duurde van 22 december tot en met 17 januari, zou uitlopen op een militaire tragedie voor de Ottomanen.

 

Dat het Ottomaanse rijk zijn beste tijd had gehad, tekende zich ver voor 1914 al af. Vanaf de dertiende eeuw hadden de Turken, in het spoor van de eerste sultan Osman I,  een macht gevormd waarmee op drie continenten rekening moest worden gehouden: Afrika, Azië en Europa. Maar in de negentiende eeuw strompelde het Ottomaanse Rijk voort als ‘de zieke man van Europa’, een wat gemelijke diagnose die wordt toegeschreven aan de Russische tsaar Nicolaas I. Maar het was waar: zowel militair als economisch hadden de Turken nog maar weinig bij te zetten.

 

In de twintigste eeuw moest het Ottomaanse Rijk in rap tempo meer van zijn terrein aan Europa prijsgeven. In 1908 had Oostenrijk-Hongarije zomaar Bosnië-Herzegovina kunnen annexeren. Drie jaar later maakte het jonge Italië zijn koloniale ambities waar door Libië in Noord-Afrika te vestigen ten koste van de Ottomanen. Ook eilanden als Rhodos en Kos gingen van Constantinopel over op Rome. En weer een jaar later joeg een liga van Balkan-naties de Ottomanen van hun laatste lapje Europese grond af.

 

De Turken zaten dus in de hoek waar de klappen vielen, maar toch was er sprake van een nieuw elan. De Jonge Turken hadden in 1908 de macht gegrepen. Het was een mysterieus, ongrijpbaar gezelschap, dat zich meer formeel uitgaf als het Comité voor Eenheid en Vooruitgang. Van origine waren de Jonge Turken links-liberaal gezind geweest. Hun organisatie deed aan die van de vrijmetselaars denken. Ze zetten zich in concreto af tegen het autocratisch regime van sultan Abdulhamid II, die de Turkse grondwet buitenspel had gezet en het Ottomaanse Rijk op een islamitische leest was gaan schoeien.

 

Het zag er na die staatsgreep van 1908 beloftevol uit. In het ‘jonge Turkije’ leken vrijheid, gelijkheid en broederschap op te gaan. Bulgaren, Grieken, Joden, Koerden, Armeniërs en Turken – ze werden elkaars gelijken binnen het parlementaire raamwerk van een constitutionele monarchie. Abdulhamid II werd ingeruild voor zijn broer Mehmet V, die tot een paar maanden voor het eind van de Eerste Wereldoorlog een onbetekenende sultan zou blijven. Er werd door de Jonge Turken ook volop geïnvesteerd in onderwijs en openbare voorzieningen, maar al snel bleek dat zij ook een nationalistisch programma voerden.

 

De afkalving van het Ottomaanse Rijk moest gestopt worden. Minderheden die verdacht werden van heulen met de vijand – Armeniërs en Koerden met name – kregen het zwaar te verduren. De verturksing van het Ottomaanse Rijk werd ingebed in het romantisch ideaal van de turanisten, die een vergezochte verwantschap trokken tussen Turken, Mongolen, Japanners, Hongaren en Finnen – allemaal volkeren die lang geleden in Centraal-Azië hun bakermat hadden gekend.

 

De verpersoonlijking van dat Groot-Turkse ideaal was Enver Pasha. Hij was een van de drie pasha’s – vertaald: ‘heren’ – die de lakens uitdeelden sinds de staatsgreep van 1913. Die coup had zich niet zonder bloedvergieten voltrokken. Bij de moord op de minister van oorlog was Enver Pasha persoonlijk betrokken geweest.

 

Het triumviraat van de pasha’s was er vooral op uit de dreiging van Rusland onder controle te houden. Relaties met de grote jongens in Europa – Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland – waren daarop gericht. Maar van de drie pasha’s was oorlogsminister Enver het meest Duitsgezind. Hij was dan ook militair attaché in Berlijn geweest en had daar een perfecte beheersing van het Duits aan overgehouden. Boven zijn bureau hing een portret van Frederik de Grote, de Hohenzollern-vorst die door iedere ware Pruis aan het hart werd gedrukt.

 

Enver Pasha, een havik van het opportunistische soort, had de militaire leiding gehad in de twee Balkan Oorlogen die aan de Grote Oorlog voorafgingen. De eerste, zo zagen we al, was op een Turks fiasco uitgelopen, maar in de tweede had Enver de Thracische stad Edirne – het vroegere Adrianopel – terug kunnen winnen op de Bulgaren. Zijn ego zwol ervan, tot barstens toe. Vastbesloten was Enver om met hulp van zijn Duitse vrienden verder te gaan op het pad van de victorie. Ook in de jaren voor de drie pasha’s was er al wat moois opgebloeid tussen Berlijn en Constantinopel. Het wemelde aan de Bosporus van Duitse militairen en zakenlieden. De kroon op die vriendschap zou het plan BBB worden: een spoorlijn van Berlijn via de Bosporus naar Bagdad.

 

Toch was het niet al Duitsland wat de klok sloeg. Op maritiem gebied gingen de Turken liever met de Britten in zee. Twee ultramoderne oorlogsschepen hadden ze in Engeland besteld. Ze waren zo goed als klaar toen de Eerste Wereldoorlog op het punt van uitbreken stond. Op 3 augustus 1914 deelde de Britse regering de drie pasha’s in Constantinopel ijskoud mee dat ze de twee slagschepen niet kregen. De woede was enorm, vooral ook onder de gewone Turken, die massaal geld hadden ingezameld voor de twee oorlogsbodems, bedoeld om de Russen op de Zwarte Zee te imponeren. De Britten boden wel compensatie, maar als een staaltje hogeschooldiplomatie is het Britse besluit de boeken niet ingegaan.

 

Veel gewiekster maken de Duitsers juist gebruik van de Turkse onvrede over de twee verloren slagschepen. Twee Duitse schepen, de Goeben en de Breslau, die in de Middellandse Zee aan de geallieerden zijn ontsnapt, spoeden zich naar de Dardanellen, de zeestraat die naar Constantinopel leidt. Turkije is nog geen partij in de oorlog. Als de Goeben en Breslau door mogen varen, bekennen de Turken zich de facto tot het oorlogskamp van de Duitsers. Dat gaat zelfs Enver Pasha te snel, waarna de Duitse ambassadeur met een magistrale truc komt. De Turken mogen de twee schepen hebben. Met de fez op laten de Duitse manschappen op de Goeben en Breslau zich toejuichen door de bevolking van Constantinopel. ‘Deutschland über Allah’, gniffelen de Duitse diplomaten.

 

Op 27 september sluit de Turken de Dardanellen af voor alle scheepvaart, een besluit dat vooral de Russen treft. Dan is het de Duitse admiraal Souchon die, in Turkse dienst, op 29 oktober het laatste zetje geeft. Hij stoomt met de Goeben en de Breslau de Zwarte Zee op en valt de Russische havens van Odessa, Sebastopol en Theodosia aan. Vier dagen later verklaart Rusland het Ottomaanse Rijk de oorlog, gevolgd door Frankrijk en Groot-Brittannië. Sultan Mehmet V roept de jihad uit, in de hoop dat moslims onder geallieerd bewind in opstand komen. Maar daar komt het niet tot nauwelijks van.

 

***

 

Na de catastrofale Slag bij Sarikamis geraakt de militaire reputatie van Enver Pasha niet meer uit het slop. Zijn rivaal, Mustafa Kemal, wordt de held van Gallipoli, het schiereiland waar de Britten in 1915 hun tanden op stuk zullen bijten. Na de nederlaag van het Ottomaanse Rijk in  de Eerste Wereldoorlog gaat Mustafa Kemal als Atatürk bouwen aan een nieuw, modern Turkije. Voor een man als Enver Pasha is daarin geen plaats. Hij wordt zelfs ter dood veroordeeld, maar weet samen met de andere twee pasha’s aan boord van een Duitse onderzeeër te ontsnappen. Als Talaat Pasha  in 1921 in Berlijn wordt vermoord, is Enver Pasha voortaan de eerste man van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang in ballingschap. In een brief zet hij dat jaar zijn missie uiteen: ‘Ik streef vandaag hetzelfde doel na als voor en tijdens de Revolutie van 1908, tijdens de Tripolitaanse Oorlog, de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog. En dat doel is simpel: het organiseren en in beweging brengen van de islamitische wereld van vierhonderd miljoen mensen… en om hen te redden van de Europese en Amerikaanse onderdrukking, die hen in slavernij houdt ’.[1]

 

Ondertussen is hij al in contact gekomen met Lenin, de leider van de bolsjewieken. Die ziet in Enver Pasha een geschikte bondgenoot om islamitische volkeren warm voor de Sovjet-Unie te laten lopen. Het leidt tot een militaire confrontatie tussen de wereldse troepen van Atatürk en Allah’s strijders van Enver Pasha. Atatürk wint en sluit vrede met de Sovjet-Unie. Dat is voor Enver Pasha dan weer een reden om de wapens tegen de communisten op te nemen, aan het hoofd van wat als de Basmatsjiopstand bekend is komen te staan.

 

Enver ziet zichzelf al als kalief, wereldlijk leider van alle islamieten. Maar hij gaat in 1922 ten onder op de Kaukasus. Over de precieze toedracht van zijn dood, op 40-jarige leeftijd pas, doen twee versies de ronde. Hij zou gesneuveld zijn tijdens een charge tegen een sovjet-brigade: een kogel net boven het hart.  Of hij zou gewond hebben weten te ontkomen om niet veel later alsnog afgemaakt te worden door de sovjet-commandant zelf.

 

Enver Pasha mag sinds 1996 rusten in de stad waar hij als zoon van een ingenieur geboren werd: Constantinopel, dat sinds 1930 als Istanboel door het leven gaat. Hoewel de Turkse president Süleyman Demirel weinig twijfel en Enver Pasha bij diens herbegrafenis ‘een nationalist, een idealist en een eerlijk soldaat’ noemde, lijken de Turken nog altijd niet goed te weten wat ze met Enver en hun rol in de Eerste Wereldoorlog aan moeten.

 

020 Kato Takaaki en het snelle herstel van de vrede (zondag 8 november 1914)

In zijn meest banale vorm is oorlog een kosten-batenanalyse. Wie de Eerste Wereldoorlog bestudeert, krijgt de indruk dat de kosten – aan mensenlevens vooral – wat lichtjes gewogen zijn, terwijl de baten vooral op de lange duur flink tegenvielen. Er is één land dat ’14-‘18 uiterst efficiënt heeft afgewikkeld: Japan. De politicus die bij uitstek zijn natie met minimale inspanningen en verliezen wist op te stuwen in de vaart der volkeren, heette Kato Takaaki, minister van buitenlandse zaken. De Pruisische strateeg Carl von Clausewitz indachtig was oorlog voor een man als Takaaki slechts een voortzetting van het politieke verkeer.

 

Het officiële aantal gesneuvelde Japanse soldaten is aan het eind van de oorlog 415 hoog, al zijn er ook schattingen die richting tweeduizend gaan. De Japanse dodenlijst van de Eerste Wereldoorlog staat hoe dan ook in geen verhouding tot die van de geallieerde bondgenoten, maar net zomin tot het aantal van 2 miljoen Japanse militairen die in de Tweede Wereldoorlog het leven gingen laten. Burgerdoden kende Japan tussen ’14 en ’18 sowieso niet.

 

Kato Takaaki was minister van buitenlandse zaken onder premier Shigenobu, die in zijn jonge jaren nog les had gekregen van een Nederlandse missionaris. Door deze Guido Verbeek was Shigenobu vertrouwd met niet alleen de Engelse taal en het Nieuwe Testament, maar ook de westerse ideeën over een constitutionele staatsvorm. Japan stond rond de eeuwwisseling in een spreidstand, tussen traditie en moderniteit. Voorbij waren de tijden van sakoku, de geslotendeurpolitiek, waarop tot 1853 alleen de Nederlanders een uitzondering hadden mogen maken. Japan was zich in een rap tempo gaan ontwikkelen als een moderne, kapitalistische natie.

 

Maar de traditie bleek hardnekkig. Toen in 1912 de laatste Meiji-keizer stierf, pleegde een held uit de Russisch-Japanse oorlog harakiri. Ook de vrouw van die generaal sneed zichzelf de hals door. Een golf van ontroering en geestdrift spoelde over het land, ten teken dat het feodale Japan nog lang niet achter de horizon was verdwenen.

 

Begin 1914 was de rijzende zon in botsing gekomen met het harde geld. Het Duitse bedrijf Siemens bleek aan de top van de marine steekpenningen te hebben betaald. Het volk was woedend, de val van de regering onvermijdelijk.  Dat Siemens Schandaal maakte de weg vrij voor Kato Takaaki, die gecharmeerd was van het angelsaksische gedachtegoed. Het zondagskind was dan ook ambassadeur in Londen geweest, nadat hij de oudste dochter van de oprichter van Mitsubishi had weten te trouwen. Zijn nauwe banden met dat machtige bedrijf zouden hem later als politicus nog nagedragen worden.

 

Het was Takaaki’s doel om kabinet en parlement het buitenlandse beleid te laten dicteren. De macht moest weg van een kleine elite van ouderen, de zogenaamde genrō, voor wie de vriendschap met Engeland haar beste tijd had gehad. Duitsland leek als sparring partner voor het traditionele kamp een stuk aantrekkelijker. Veel officieren hadden een Pruisische training genoten.

 

De goede relatie met Groot-Brittannië dateerde al van ver voor de oorlog. De Anglo-Japanse Alliantie van 1902 was er vooral op gericht geweest Rusland in toom te houden. Drie jaar later zag Japan zich ook genoodzaakt dat in een oorlog met het rijk van de tsaar te regelen. Verrassend gemakkelijk had Japan die strijd gewonnen.

 

Na de overwinning op Rusland wist Japan Mantsjoerije, in het noordoosten van China, naar zich toe te trekken, zoals het ook zijn tentakels naar Korea had kunnen uitstrekken. Maar in 1911 keerde het tij zich in China tegen Nippon. De anti-Japanse generaal Yuan Shih-kai was erin geslaagd de Mantsjoe-dynastie omver te werpen. Het werd dus tijd voor een nieuwe Japanse list in China.

 

De Britten hadden ook zo hun zorgen over de expansiedrift van het bevriende Japan, maar het waren vooral de Amerikanen die Japan met argusogen bekeken. Het ging ze vooral om China, waarvan Amerika de deur open voor de vrije handel wilde houden, terwijl Japan in China eerder zijn uitgestrekte achtertuin  zag. Menig politicus in Japan voorzag op termijn ook een allesbeslissende clash tussen het gele en het blanke ras. Pearl Harbour zou daarvan in 1941 ook de openingsakte worden.

 

Voor Takaaki, de anglofiel, hoorde bij het Britse model ook het imperialisme. De oorlog die in 1914 Europa in vlam zette, bood hem een kans uit duizenden om daar meer werk van te maken. Japan kreeg al snel in de oorlog van Engeland het verzoek om de Duitse vloot van Maximilian von Spee onschadelijk te maken. De kruisers van Von Spee waren een gevaar voor de geallieerde koopvaarders en schepen die troepen vervoerden. Japan beschikte over een imposante vloot, met de Kongo als vlaggenschip.

 

Takaaki was er als de kippen bij om Duitsland na een ultimatum de oorlog te verklaren. ‘Hoewel ik het betreur dat Japan gedwongen is de wapens tegen Duitsland op te nemen’, zo verklaarde hij, ‘verheug ik mij erin dat het leger en de vloot van onze illustere vorst dezelfde loyaliteit en moed zullen tonen waarmee zij zich in het verleden hebben onderscheiden, zodat allen gezegend mogen worden door een snel herstel van de vrede.’

 

Fraaie woorden, maar ondertussen ging Takaaki verder dan de Britten voor ogen stond. Japan beperkte zich niet tot de jacht op Von Spee, maar liet zijn oog ook vallen op een reeks Duitse eilanden in de Grote Oceaan. De Marianen, de Marshall Eilanden en de Carolinen kwamen zonder al te veel strijd onder het bewind van Japan.

 

***

 

Meer moeite moesten de Japanse strijdkrachten doen voor de Duitse kolonie Qingdao, op het Chinees schiereiland Shandong. In 1898 hadden de Duitsers een pachtcontract voor 99 jaar bij de Chinezen los weten te peuteren. Jong als het Duitse Rijk was, had het ook pas laat werk van zijn koloniale ambities kunnen maken. Bismarck wilde daar aanvankelijk ook niks van weten. Maar aan het eind van de negentiende eeuw ging Duitsland dan toch zijn plek onder de zon opeisen. Qingdao gold als de Duitse springplank voor Azië.

 

De vloot van Von Spee had zijn thuisbasis Qingdao al voor het uitbreken van de oorlog verlaten, maar een garnizoen was achtergebleven. Dat wist twee maanden lang stand te houden tegen de Japanse overmacht. Generaal Mitsuomi Kamio pakte het dan ook behoedzaam aan. Hij smeedde een amfibisch plan: een aanval vanaf zee en over land. Voor dat laatste moest Japan wel de neutraliteit van China schenden. De Britten maakten daar geen probleem van: China was België niet. Aan de Japanse legermacht van 60.000 man werden twee Britse bataljons toegevoegd.

 

Op 7 november capituleerden de Duitsers.  Een dag later beet in een Duitse krant een officier die in Qingdao had gediend van zich af: ‘Wij hier thuis, wij zullen onophoudelijk het tegen onze kinderen zeggen: vergeet 7 november 1914 niet, vergeet niet die gele Aziaten, die zoveel van ons geleerd hebben, terug te betalen voor het grote onrecht dat ze ons hebben aangedaan, ook al zijn ze als huurlingen opgejut door die kleinzielige Engelsen.’

 

Met een nieuwe voet tussen de Chinese deur kan Kato Takaaki thuis in Japan voor de dag komen, ook al blijven de genrō mokken. Takaaki weet het initiatief van de diplomatie naar zich toe te trekken en vangt de oligarchie in zijn constitutionele net. Een stevige confrontatie met de Duitsgezinde veldmaarschalk Yamagata Aritomo schrijft Takaaki op zijn naam.

 

In januari 1915 legt Japan in Peking een pakket van 21 eisen neer. Tezamen komen ze neer op een behoorlijke versteviging van de Japanse grip op China, waarvan de Europese machten hun handen af hebben moeten trekken. De Chinezen zullen  uiteindelijk met 13 van de 21 eisen akkoord gaan. De verontwaardiging daarover onder de eigen Chinese bevolking is groot, maar ook het kost de Japanners ook de sympathie van de Verenigde Staten. Op 13 maart 1915 overhandigt de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken William Jennings Bryan een nota van twintig pagina’s aan de Japanse ambassadeur in Washington. De vermaning aan het adres van Japan luidt zich te onthouden van ‘politieke, militaire en economische dominantie over China’.

***

 

De Eerste Wereldoorlog zou voor de Kerst voorbij zijn. Voor Japan bleek dat aardig te kloppen. De geallieerden zullen gaan aandringen op het zenden van Japanse troepen naar de Europese slagvelden, maar Tokyo houdt die boot zoveel mogelijk af. Japanse schepen gaan in de Middellandse Zee patrouilleren om het gevaar van de U-boten in te dammen, maar daar blijft het dan ook bij.

 

De economie van Japan maakt tijdens de oorlog een flinke groeispurt door. Dat is met name te danken aan orders van de bondgenoten en het wegvallen van concurrerende koopvaardij. Export naar Groot-Brittannië en de Verenigde Staten verdubbelt. Naar China gaat vier keer en naar Rusland zelfs zes keer zoveel uitvoeren. Toch steekt inflatie aan het eind van de oorlog de kop op, met rijstopstanden en de val van de regering als gevolg. De Oktoberrevolutie in Rusland speelt Japan ook parten. De sovjets weigeren namelijk schulden van de tsaar af te lossen. De deelname van Amerika aan de Eerste Wereldoorlog wordt in Tokyo ook niet met gejuich begroet. Een actievere rol van de buurman aan de andere kant van de oceaan ziet men in Tokyo als een bedreiging van de Japanse belangen. Een generaal als Tanaka Giichi dagdroomde er in september 1914 nog van het tegen de Verenigde Staten op te nemen nu dat land nog onderontwikkeld was.

 

Hoe dan ook, in 1918 gaat Japan meedelen in de geallieerde overwinningsroes. Aan diplomatie de voorkeur gevend boven agressie sluit hij in 1925 een verdrag met de Sovjet-Unie. Als premier van Japan heeft hij ook nog de algemene dienstplicht voorbereid en het algemeen kiesrecht verbreed naar mannen boven de 25 jaar. Maar hij sterft in 1926 in het ambt ten gevolge van een longontsteking, 66 jaar oud.

 

Extreem militarisme en nationalisme krijgen in Japan de overhand, een ontwikkeling die Kato Takaaki niet tijdig heeft weten te keren. De liberale staatsman Yukio Ozaki, ‘Vader van de Japanse Constitutie’, heeft dat falen in zijn autobiografie geweten aan alle wind mee die Takaaki in zijn leven had ondervonden:’Kato permitteerde het zich te menen dat hij een groot man was en kon zich niet een hem onbekende kant van het leven voorstellen.’

 

***

 

Qingdao is tot 1922 in Japanse handen gebleven. De Duitsers zijn er nooit teruggekeerd, maar de bierbrouwerij die zij er in 1903 begonnen is uitgegroeid tot de grootste van China.

004 Sir Edward Grey en de liefde voor vogeltjes (zondag 19 juli 1914)

 

Sir Edward Grey

Sir Edward Grey

De Britse minister van Buitenlandse Zaken had halverwege juli 1914 zijn ‘finest hour’ kunnen beleven. Maar helaas, Sir Edward Grey zag de lichten in heel Europa uitgaan. En hij wist: ik zal ze niet meer zien branden.

Als op 23 juli 1914 Oostenrijk-Hongarije de Serviërs opzadelt met een haast onmogelijk ultimatum, moet in Londen Sir Edward Grey’s finest hour aanbreken. Helaas, de Britse minister van Buitenlandse Zaken talmt en talmt. Grey is een fervent vliegvisser, maar nu het er als minister van Buitenlandse Zaken op aankomt, werpt hij veel te laat zijn aas in het water. Hij waagt nog wel een bemiddelingspoging, maar verzuimt de kemphanen op het continent duidelijk te maken waar zijn Engeland zelf staat.

Stel dat Grey van meet af aan tegen Frankrijk en Rusland had gezegd: ‘Reken niet op ons, wij hebben hier onze handen al vol aan Ierland.’ Hadden die twee er dan wellicht voor gekozen toch maar een oogje toe te knijpen terwijl Oostenrijk een tik uitdeelde aan Servië? Stel dat Grey zonder dralen tegen Duitsland en Oostenrijk had gezegd: ‘Over mijn lijk verstoren jullie het evenwicht in Europa. Engeland staat pal achter Frankrijk en Rusland.’ Had Berlijn er dan misschien heel wat krachtiger bij Wenen op aangedrongen de boel niet zo op de spits te drijven?

Geen van beide scenario’s heeft hij uit de la gehaald. Het weifelen van Grey heeft hem uiteindelijk zijn reputatie gekost, al is ie vooral beroemd geworden door die ene oneliner. Aan de vooravond van het uitbreken van de Grote Oorlog moet Grey, starend uit een raam van zijn Foreign Office, in een helder ogenblik tegen een vriend hebben gezegd. ‘The lamps are going out all over Europe; we shall not see them lit again in our lifetime.’

Groot-Brittannië kent geen minister van Buitenlandse Zaken die langer de majesteit heeft gediend dan Sir Edward Grey. Hij trad onder premier Sir Henry Campbell-Bannerman aan als hoofd van het Foreign Office in 1905 en moest pas wijken toen David Lloyd George eind 1916 de regering kwam overnemen van die andere liberale premier, Herbert Asquith. Geen andere Europese minister van Buitenlandse Zaken had in de voorafgaande jaren zo’n sterke machtspositie.

Grey, een vertegenwoordiger van de Liberal Party, stamt uit een familie van ambtsdragers, onder wie Earl Grey, bekend nadien van de thee. Edward is de oudste uit een gezin van zeven kinderen. Zijn opleiding volgt hij in Winchester en Oxford. In de jaren voor de oorlog toont Grey zich een bekwaam minister. Hij tekent in 1907 voor een detente in de betrekkingen met Rusland, waarmee de Conservatieve regeringen voordien op gespannen voet hebben gestaan. Voor Grey staat vast dat voor het machtsevenwicht Rusland als factor in de Europese politiek onontbeerlijk is. In Centraal-Azië komt hij met de Russen ook een afbakening van elkaars invloedssferen overeen.

Ook met Frankrijk haalt Grey de banden aan. Als staatssecretaris van Buitenlandse Zaken heeft hij in 1895 nog van een ‘unfriendly act’ gesproken toen de Franse ontdekkingsreiziger Jean-Baptiste Marchand een expeditie naar de bovenloop van de Nijl aanving. Een oorlog met Frankrijk was op dat moment nog verre van ondenkbeeldig. In de nieuwe eeuw treedt echter hartelijkheid op in de relatie tussen Londen en Parijs, al ziet Grey als architect er wel op toe dat die Entente Cordiale niet uitmondt in een dwangbuis voor de Britten, die immers zo gehecht zijn aan hun splendid isolation.

De grootste bedreiging daarvoor komt uit Duitsland, meent ook Grey in die vooroorlogse jaren. De Duitsers overwegen serieus een invasie, is zijn inschatting. Germanofobie is de Britse minister van Buitenlandse Zaken niet vreemd. Tijdens hun vakanties brengen Duitse officieren de Britse kusten strategisch in kaart, veronderstelt hij. Grey’s beleid is echter niet gericht op een militair conflict met het economisch vitale Duitsland. ‘Containment’ is het uitgangspunt: Grey tracht Duitsland onder de duim te houden door het samen met andere grootmachten, Frankrijk en Rusland met name, te isoleren.

Zijn omzichtige manoeuvres, en de militaire verplichtingen die daaruit voortvloeien, spelen zich af in een sfeer van ‘hush hush’, zo zal oorlogspremier David Lloyd George in zijn memoires klagen over de gebrekkige informatieverstrekking vanuit het Foreign Office tijdens Grey’s ambtsperiode. ‘Zijn treffende fysionomie met de dunne lippen, de stevig gesloten mond en strakke gelaatstrekken gaven de indruk van koud staal’, vervolgt Lloyd George. ‘Voeg aan die uiterlijkheden zijn gereserveerde stijl van spreken toe en de rustige uitingen tijdens de zeldzame keren waarop hij sprak en men was geneigd een onverstoorbare kracht in geval van nood te verwachten.’

Tijdens de Julicrisis van 1914 heeft Grey die verwachting niet waar kunnen maken, zal Lloyd George pijnlijk duidelijk maken, maar drie jaar eerder was Grey goed uit de verf gekomen toen Duitsland en Frankrijk in 1911 opnieuw over Marokko met elkaar in botsing kwamen tijdens de Agadir Crisis. De Duitsers stuurden een kanonneerboot, de Panther, naar Noord-Afrika en escalatie dreigde. Grey koos samen met zijn premier Asquith voor een ferme waarschuwing aan het adres van Duitsland. Het sorteerde effect: Duitsland kroop in zijn schulp. De les om in voorkomende gevallen overeenkomstig te handelen, heeft Grey niet getrokken.

Algemeen wordt aangenomen dat Grey, de behoedzaamheid zelve, het gevaar in die mooie zomer van 1914 niet heeft zien aankomen. Groot-Brittannië was vooral doende met de kwestie van de Home Rule: de Ieren die zich los willen maken van Groot-Brittannië. Winston Churchill heeft aldus het moment beschreven waarop in een kabinetsvergadering de schaduw van de Julicrisis eindelijk over de Ierse kwestie heen viel: ‘De kalme, ernstige stem van Sir Edward Grey klonk, terwijl hij een document voorlas dat hij pas had ontvangen van Buitenlandse Zaken. Het was de Oostenrijkse boodschap aan Servië. (..) De parochies van Fermanagh en Tyrone zakten weer weg in de Ierse mist en buien, en ineens viel er een vreemd licht (..) over de kaart van Europa, dat zich snel verspreidde.’

Een week na de aanslag op Franz Ferdinand komt de Duitse ambassadeur Grey erop attenderen dat de spanningen wel eens hoog op kunnen gaan lopen. Grey wordt door Duitsland verzocht om Rusland tot kalmte te manen. Die rol kiest Grey ook uit; de rol van welwillende bemiddelaar, die op z’n tijd ‘rustig, rustig’ roept, waar hij beter met de vuist op tafel had kunnen slaan. Ook op de 23e juli, de cruciale dag van het Oostenrijks ultimatum, laat hij kostbare tijd voorbijgaan. Hij onderneemt nog wel een poging de 48 uur op te rekken waarbinnen Servië van Oostenrijk op het ultimatum moet reageren, maar die boodschap komt in Wenen niet aan.

In Berlijn hebben ze naar Grey’s voorstel van internationale bemiddeling tussen Rusland en Oostenrijk nog wél oren. De Duitse keizer is immers niet uit op een grootschalig conflict. Hij wil slechts de voorwaarden scheppen waaronder Oostenrijk met Servië korte metten kan maken. ‘Halt in Belgrado’, zo gaat die variant virtueel de geschiedenis in. De Duitse ambassadeur in Londen wordt op 25 juli, vlak voor middernacht, opgedragen om Grey te vertellen dat over zijn bemiddelingsplan te praten valt. Helaas, Grey is al uit Londen vertrokken om het weekend op zijn landgoed door te kunnen brengen.

De oorlogstrein dendert dus voort en zal uiteindelijk ook het station bereiken van Sir Edward Grey. Zonder het Britse kabinet daarin te kennen, spreekt Grey op 29 juli nog enkele vermanende woorden, ‘entirely calm but very grave’, aan het adres van de Duitse ambassadeur. Mocht het conflict tussen Oostenrijk en Servië niet ‘gelokaliseerd’ worden, dan zou het voor Groot-Brittannië niet ‘practicable’ zijn om zich terzijde te houden. Grey koppelt daar de huiveringwekkende voorspelling aan vast dat een oorlog de ‘greatest catastrophe’ zal zijn die de wereld ooit heeft aanschouwd. Het is allemaal te laat. Vanuit Berlijn zijn de keizer en zijn kanselier niet meer bij machte om in Wenen de teugels aan te trekken. De escalatie van het conflict zal later door Grey, net als door zijn Russische collega Serge Sazonov, tot de verantwoordelijkheid van Duitsland worden gerekend.

Als Duitsland op 4 augustus de oorlog aan België verklaart, is het ook met de neutraliteit van Engeland gedaan. Grey heeft het Britse lot niet onlosmakelijk verbonden aan Servië, Frankrijk of Rusland, maar van het kleine, neutrale België moest de Duitser met zijn tengels afblijven. Zijn historisch gelijk haalde Grey uit een verdrag uit 1839, dat ook door het toenmalige Pruisen was ondertekend en dat de neutraliteit van de jonge Belgische staat had gegarandeerd. Voor Grey was dat verdrag een erezaak, maar de Duitse kanselier Von Bethmann Hollweg moet het in een onderhoud met de Britse ambassadeur weg hebben gezet als een papiertje, een ‘scrap of paper’. In zijn memoires heeft Grey overigens aan laten tekenen dat de invasie van België dan wel de aanleiding voor oorlogsdeelname was geweest, maar dat zijn eigen gevoel hem ingaf toch vooral Frankrijk te moeten helpen.

Gaandeweg de oorlog ervaart Grey dat buitenlands beleid amper bestand is tegen militaire dynamiek. Hij werkt hard aan het verstevigen van de banden met Frankrijk en Rusland. Afgesproken wordt dat geen van drieën een afzonderlijke vrede na zal streven. Op Grey’s conto mag ook het belangrijke Pact van Londen worden geschreven, waarbij Italië zich aan de zijde van de geallieerden schaart. Maar hij verkijkt zich op de politieke stemming in Turkije en Bulgarije, die zich bij de Centrale machten aansluiten, en slaagt er ook niet in om Griekenland en Roemenië tijdig en volwaardig voor de geallieerde zaak te winnen. Zijn voor de oorlog nog zo glinsterende reputatie doet zijn naam inmiddels eer aan: grijzig.

In 1916, als David Lloyd George premier wordt, moet Grey zijn ministerspost afstaan aan Arthur Balfour, voormalig premier voor de Conservatieven. Grey treedt datzelfde jaar nog als Viscount Grey of Fallodon toe tot het Hogerhuis, de House of Lords. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog maakt hij zich sterk voor oprichting van een Volkerenbond, waarvoor ook de Amerikaanse president Wilson zich gaat inspannen.

Een diplomatieke missie, september 1919 onder zijn leiding, om de Verenigde Staten te bewegen het Verdrag van Versailles te aanvaarden mislukt. Twee jaar is Grey ambassadeur voor Groot-Brittannië in de Verenigde Staten. Ondertussen gaat zijn gezichtsvermogen steeds verder achteruit. In 1925 verschijnen zijn memoires onder de titel Twenty-Five Years. Hij speculeert daarin over een Engels-Amerikaans-Duits bondgenootschap dat de wereldvrede moet zekeren. Een nieuwe wereldoorlog zal nog aan verwezenlijking van die atlantische gedachte voorafgaan.

Voor hij in 1933 op 71-jarige leeftijd sterft, kinderloos na twee huwelijken, verschijnt er nog een belangwekkend boek van zijn hand: The Charm of Birds. Inderdaad, de andere kant van Sir Edward Grey is die van ornitholoog. Spijtig dat ie de Duitse adelaar niet wat beter heeft bestudeerd.

 

003 Leopold Graf von Berchtold en de stok om mee te slaan (zondag 12 juli 1914)

Leopold Graf von Berchtold

Wat een brandje op de Balkan had kunnen blijven, wakkerde de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken aan tot een wereldwijd inferno. Shame on you: Leopold Graf von Berchtold.

In de julicrisis van 1914, die zich na de moordaanslag op Franz Ferdinand ruim een maand voortsleept, speelt Graf Leopold Berchtold von und zu Ugarschitz, Fratting, und Pullitz in Oostenrijk-Hongarije een cruciale rol. Heeft de minister van Buitenlandse Zaken zich laten ophitsen door de oorlogspartij in zijn land? Is hij zich ten volle bewust van de gevaren van een strafexpeditie tegen Servië? Het ultimatum dat uiteindelijk aan Servië wordt voorgelegd draagt in elk geval de handtekening van Berchtold. Het brandje in Sarajevo wordt aldus tot een wereldwijd inferno aangewakkerd.

De charmante Berchtold is van hoge, aristocratische komaf. Zijn voorgeslacht wortelt in Tirol. Aan een eerdere Graf Leopold Berchtold is in 1859 een biografie gewijd onder de pakkende titel ‘Der Menschenfreund’. Met Germaans, Tsjechisch, Slowaaks en Hongaars bloed in de aderen staat de jongere Graf Leopold Berchtold voor de multiculturele Donau-monarchie zelf. Hij heeft een verfijnde smaak. Zijn hart lijkt ook eerder naar de kunsten, de literatuur en de paardenrennen dan naar de politiek uit te gaan. Als een van de rijkste mannen in het keizerrijk hij het, carrièrediplomaat zijns ondanks, tot ambassadeur in St. Petersburg gebracht. Hij was in zijn Russische periode een warm voorstander van een ontspannen relatie met het tsarenrijk, maar Berchtold heeft er niet het inzicht aan overgehouden dat nodig is om in juli 1914 de angel uit het conflict te halen. Die angel is de Germaans-Slavische tegenstelling.

Onder de handen van Berchtold, wat bangelijk van karakter, lopen de zaken op de Balkan in de zomer van 1914 uit de rails. Al is Rusland niet door een verdrag gebonden om Servië in geval van een oorlog te hulp te snellen, toch mag het kleine koninkrijk op de Balkan zich gesteund voelen door de grote Slavische broer. Berchtold moet dat als geen ander beseffen, maar toch denkt hij de Serviërs op de knieën te kunnen krijgen zonder bemoeienis van de Russen. In februari 1913 is hij ook nog door de Duitse kanselier Theobald von Bethmann Hollweg gewaarschuwd voor escalatie op de Balkan: ‘Volgens mij zou het een vergissing met ontzettend verstrekkende gevolgen zijn als wij met geweld een oplossing zouden proberen te forceren.’ Achter Rusland staat immers ook Frankrijk.

***

Voor een goed begrip van de rivaliteit tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije moeten we terug naar september 1908. Plaats van handeling: kasteel Buchlau, in hedendaags Tsjechië. Kasteelheer is Leopold Graf Berchtold. In het grootste geheim ontvangt hij de ministers van Buitenlandse Zaken van Rusland en Oostenrijk-Hongarije. Alois Lexa von Aerenthal en Alexander Izvolski heten ze. Aerenthal, de Oostenrijker, is de sluwste. Hij ontfutselt Izvolski de toezegging dat Rusland een Oostenrijkse annexatie van Bosnië en Herzegovina zal laten passeren. In ruil daarvoor belooft Aerenthal steun aan de Russische claim om via de Dardanellen toegang tot het warme water van de Middellandse Zee te krijgen, zonder aan de status van Constantinopel te tornen. Het is hét grote verlangen van de Russen sinds eeuwen: een vrije doorgang naar de wereldzeeën.

In de marge van de besprekingen, die zonder verslaglegging afgesloten worden en daarom achteraf ruimte voor uiteenlopende interpretaties bieden, laat Aerenthal ook ruimte voor expansie van Servië en Montenegro op de Balkan, in het geval die twee kleine staten de annexatie van Bosnië-Herzegovina accepteren. Wenen laat er geen gras over groeien. Daags nadat Bulgarije zich formeel onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk heeft verklaard, voegt Oostenrijk-Hongarije Bosnië en Herzegovina toe aan zijn grondgebied. In Wenen wordt dat gezien als slechts een formalisering van wat in 1878 het Verdrag van Berlijn al had bepaald: het bestuur over de Ottomaanse provincie kwam dat jaar bij Oostenrijk-Hongarije te liggen.

Het inpalmen van Bosnië-Herzegovina zorgt dertig jaar later voor internationale spanningen. De verontwaardiging is het grootst in het aanpalende Servië. Het zelfbewuste koninkrijk ziet door de annexatie zijn weg naar de Adriatische Zee geblokkeerd. Het mobiliseert zijn troepen en wendt zich in zijn nood tot Rusland, de grote broer. Maar die geeft in de geest van Buchlau prioriteit aan de eigen agenda: een vrije doortocht van de Zwarte via de Egeïsche naar de Middellandse Zee. Arme Izvolski. Zijn gentleman’s agreement met Aerenthal blijkt boterzacht. Oostenrijk-Hongarije laat de Russen op het internationaal toneel in de kou staan. Vooral de Britten hechten er stiekem aan dat het barbaarse Rusland van warm water verstoken blijft.

Er is één land dat zich openlijk níet heeft uitgesproken tegen de annexatie van Bosnië-Herzegovina: Duitsland. In die zin lijkt de Bosnische Crisis van 1908, met zijn Germaanse broederband, op een generale repetitie van de Eerste Wereldoorlog. Maar eerst zullen er nog twee oorlogen op de Balkan worden gevoerd, die van 1912 en die van 1913.

In de Eerste Balkan Oorlog moet het Ottomaanse Rijk, dat als de ‘Zieke Man van Europa’ bekend staat, het opnemen tegen een Liga van Balkanstaten: Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland. De Turken leggen het af en moeten zich terugtrekken uit Europa. Maar daarna raken de zegevierende Balkanstaatjes het onderling niet eens, met name over Macedonië. In de wirwar die daarop volgt weten de Ottomanen zich terug te vechten, maar betekenisvoller is de sterkere positie op de landkaart die Servië na het optrekken van de mist inneemt. Het pas gecreëerde Albanië mag dan de weg naar de Adriatische Zee voor de Serviërs afsluiten, de contouren van een Zuid-Slavische staat op de Balkan nemen duidelijk vorm aan.

Dát is vooral een flinke tegenvaller voor de Oostenrijks-Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken, die inmiddels Leopold Graf Berchtold heet. Berchtold heeft sowieso al moeite om in de voetsporen te treden van zijn sluwe voorganger, de in 1912 overleden Aerenthal, op wie keizer Franz Joseph blind had vertrouwd.

In het hart van Europa rammelen de Slaven aan de poort van Oostenrijk-Hongarije. Berchtold heeft in 1914 onder andere te kampen met pro-Russische sentimenten onder de Oekraïenstalige Roethenen. Aan de Oostenrijkse premier Karl von Stürgkh schrijft hij in juni 1914: ‘Het is geen overdrijving als ik zeg dat onze betrekkingen met Rusland , die van zo’n groot belang zijn, in de toekomst zullen worden bepaald door de vraag of wij erin slagen de russificatie van de Roethenen te voorkomen.’ Maar daar vergist Berchtold zich: het Russisch gevaar zal diezelfde maand nog uit de Servische hoek komen.

Op 28 juni 1914 durven Servische terroristen het zelfs aan de troonopvolger van de Habsburgers uit de weg te ruimen. Berchtold, die bij de eerdere crises op de Balkan nog een weifelende indruk heeft gemaakt, weet dat hij de Serviërs deze keer niet weg mag laten komen. De aanslag op Franz Ferdinand, in wie Berchtold binnen de veelkoppige besluitvormingsstructuren van de Habsburg Monarchie een machtige bondgenoot heeft gehad, is de ideale gelegenheid om het gevaar van Servië te bezweren. Het kleine koninkrijk lijkt immers hard op weg om, naar analogie van de Italiaanse eenwording, tot het ‘Piedmont van de Zuid-Slaven’ uit te groeien.

Berchtold voelt daarbij de hete adem in z’n nek van haviken als Conrad von Hötzendorf, chef van de generale staf van het leger. Die was het liefst daags na de aanslag al Servië binnengevallen. Maar er zijn ook gematigde krachten, met name graaf Tisza, de premier van Hongarije. Tisza waarschuwt de oude keizer Franz Josef nog voor de ramkoers die Berchtold volgt. Maar uiteindelijk zal ook Tisza op 14 juli instemmen met het ultimatum dat Berchtold de Serviërs negen dagen later gaat voorleggen. Aan dat ultimatum is een blanco cheque van de Duitse keizer voorafgegaan. Wenen weet zich op weg naar Belgrado geruggensteund door Berlijn.

Het pakket van tien eisen dat Oostenrijk-Hongarije in Belgrado bezorgt, laat zich lezen als een opzichtige poging tot het creëren van een casus belli. Servië gaat, voor het verstrijken van de strakke deadline van slechts twee etmalen, diep door de knieën. Het antwoord op het ultimatum, voorzien van een appendix met de resultaten van het politieonderzoek naar de aanslag in Sarajevo, is een diplomatiek hoogstandje. Ootmoedig zegt Belgrado toe om een eind te maken aan vijandige uitingen aan het adres van Oostenrijk-Hongarije. Het wil daartoe ook nauw samenwerken met Wenen. Aan de smokkel van wapens en explosieven tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije zal ook een eind worden gemaakt.

Maar één voorwaarde kan Servië als soevereine staat niet inwilligen. Dat is de eis van Oostenrijk-Hongarije om in Servië zelf op zoek te gaan naar de samenzweerders achter de aanslag. Die regelrechte inbreuk op de eigen jurisdictie van Belgrado, is de stok waarmee Berchtold Servië weet te slaan. Wenen verklaart Belgrado op 28 juli de oorlog – met alle desastreuze gevolgen van dien. De bemiddelingspoging van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Sir Edward Grey, komt te laat.

De oorlogsverklaring komt voor velen als een donderslag bij heldere hemel. De aanslag op Franz Ferdinand is al een maand geleden. Europa was overgegaan tot de orde van de dag. In Frankrijk, bijvoorbeeld, stonden de voorpagina’s van juli vol met verhalen over de rechtszaak tegen ene Henriette Caillaux. Ze is de vrouw van de minister van Financiën, die in politieke problemen is gekomen door artikelen in Le Figaro. Henriette heeft in maart 1914 haar man gewroken door de directeur van die krant in koelen bloede neer te schieten. Half juli staat ze terecht. Dát, en niet het uitbreken van een oorlog die wel eens de hele wereld zou kunnen omspannen, domineert het nieuws in Frankrijk.

***

Berchtold heeft de oorlog politiek niet overleefd. In januari 1915 al weet graaf Tisza keizer Franz Joseph ervan te overtuigen dat zijn minister van Buitenlandse Zaken maar een besluiteloos type is. Hij is er niet in geslaagd om Italië aan de zijde van Oostenrijk te krijgen. Rome heeft daarvoor de nodige territoriale eisen aan Wenen gesteld. Aanvankelijk zette Berchtold zich schrap tegen concessies in de Trentino, maar onder Duitse druk is hij daarop teruggekomen. Om aan een oorlog met Italië te ontkomen adviseert hij zijn collega’s om ook delen van de Albanese kustlijn op te geven. Behalve Tisza wil ook chef-staf Conrad van Hötzendorf daar niet van weten.

Berchtold verdwijnt van het centrum van de macht, het Ballhausplatz in Wenen, naar de achtergrond. In 1916 wordt hij aan het Weense hof aangesteld als Obersthofmeister. Later mag hij de nieuwe keizer Karl als Oberstkämmerer nog van advies gaan dienen. In 1942 sterft Berchtold in Hongarije, 79 jaar oud. De man die ziende blind de schop ter hand nam om het massagraf van de Eerste Wereldoorlog te delven, is zelf bijgezet in de familietombe te Buchlau.