251 Reginald E.H. Dyer en de lijken bij de waterput (zondag 13 april 1919)

Reginald E.H. Dyer

Reginald E.H. Dyer

Het bloedbad van Jallianwala Bagh zet in april 1919 de koloniale verhoudingen in Brits-Indië op scherp. Op commando van Reginald E.H. Dyer schieten Gurkha en Beloetsjen op een menigte Sikhs in hun heilige stad Amritsar. Officiële dodental: 379. ‘Ik beschouwde het als mijn plicht om te vuren, en wel om goed te vuren’, ging Dyer zichzelf later verdedigen.

  • Volgers van Veertien Achttien ontvangen deze aflevering per mail (doc + mp3)

228 Wilfred Owen en kogels als zachte regen (zondag 3 november 1918)

Een week voor de Wapenstilstand sterft Wilfred Owen, dichter-soldaat. Bitterzoet en onwaardig is het om te moeten sterven voor je vaderland. Maar dat hoor je zelden als er herdacht wordt.

Wilfred Owen

Wilfred Owen

Kogels als zachte regen

Iedere avond om acht uur klinkt onder de Menenpoort van Ieper de Last Post als eerbetoon aan de gesneuvelde soldaten van de Grote Oorlog. Op bijzondere dagen is er altijd wel iemand die een gedicht voordraagt. Meestal zijn het de beroemde regels uit ‘For the Fallen’ (Voor de Gevallenen), dat Laurence Binyon al in 1914 schreef als devies voor nabestaanden:

At the going down of the sun, and in the morning
We will remember them

Dulce et decorum est is het bekendste gedicht van de bekendste war poet, Wilfred Owen. Je hoort het nooit eens voorgedragen worden onder die Menenpoort, die nota bene staat in de stad van het mosterdgas, het yperiet dus. Liever een oproep tot het herdenken van de doden dan een aanklacht tegen hun sterven? Bitterzoet en onwaardig is het om voor je vaderland te moeten sterven, verkondigt Owen de omgekeerde waarheid in de laatste regels van zijn gedicht. Daaraan vooraf gaat de beschrijving van een gasaanval waarin hij en zijn maten, doodvermoeid, terecht zijn gekomen. Eentje weet zijn gasmasker niet op tijd over zijn hoofd te trekken. Iedere nacht ziet Owen weer hoe die arme sukkel in het gas stikt. En dan wendt de dichter zich rechtstreeks tot zijn lezer, zijn luisteraar. In de vertaling van Tom Lanoye:

Als ooit, in nachtmerries, ook u zou moeten lopen
Achter de ezelskar waar wij zijn lijk op smeten;
Zag u die ogen draaien, paffig wit en open, in
Die omgekeerde duivelskop, verwrongen, aangevreten;
En hoorde u, bij elke bult, de gorgel van zijn bloed
Dat kwam geborreld uit door schuim verpeste longen,
Als een kapotgebeten tabakspruim geperst
Uit niet te helen zweren op reine kindertongen –

Mijn vriend, nooit meer verkocht u, trots en manifest,
Aan jongens, die dorsten naar wat vergeefse glorie
Uw Oude Leugen: Dulce et decorum est
Pro patria mori

Wilfred Owen heeft zijn grote oorlog niet overleefd. Vader en moeder, Tom en Susan Owen, kregen de kwade tijding van de dood van hun oudste zoon op 11 november 1918 – 11 november, Wapenstilstandsdag. Ook in Shrewsbury, waar de Owens woonden, beierden de kerkklokken omdat het eindelijk vrede was. Precies een week eerder was Wilfred Owen gesneuveld in Noord-Frankrijk, terwijl hij zijn manschappen aanmoedigde bij het oversteken van het kanaal tussen de Sambre en de Oise. Hij was 25 jaar oud – 25 jaar. In een militair hoekje van de begraafplaats voor de dorpelingen van Ors, een vlek in Noord-Frankrijk, staat de witte zerk van Wilfred Owen onberispelijk in een rijtje. Bezoekers laten bij hem wel beduidend meer poppy’s achter dan bij de anderen.

Vier dagen na zijn dood werd de toekenning van het Military Cross aan Wilfred Owen in het regimentsdagboek bijgeschreven. Hij had die onderscheiding verdiend door op de eerste oktober de bestorming van Joncourt, ten noorden van Saint-Quentin, aan te voeren. In de verlegen, introverte, studentikoze, barmhartige, verantwoordelijke maar ook ietwat naïeve Owen zat de soldaat ver weggestopt. Mei 1917 schreef hij zijn moeder nog: ‘Meer en meer ben ik een christen. Verdraag oneer en schande, maar grijp nooit naar wapens. Ze mogen je vernederen, woedend maken, vermoorden, maar moord niet.’ ‘Be killed, but do not kill.’ Hij wist waar Christus zich bevond: in het niemandsland. Vaak hoorden de mannen daar Zijn stem.

Maar in oktober 1918, bij Joncourt, was zelfs Wilfred Owen verworden tot een killer met dichtgeschroeide zintuigen: ‘My senses are charred.’ Zijn moeder krijgt dit verslag van Joncourt: ‘Na de granaten die we hadden ondergaan, en het gas, waren de kogels als zachte regen uit de hemel.’ En: ‘Ik verloor al mijn aardse eigenschappen en ik vocht als een engel… Ik maakte een Duits machinegeweer buit en nam een groot aantal mannen gevangen. Ik schoot er maar één met mijn revolver neer. Mijn zenuwen houden het prima.’

Owen moet zijn moeder hier ontzien hebben. De motivatie van het Military Cross leert dat Owen met het door hem veroverde machinegeweer de vijand ‘aanzienlijke verliezen’ toe heeft weten te brengen. ‘It is a great life’, bejubelt hij de vriendschapsband onder de soldaten in de allerlaatste brief aan zijn moeder, geschreven op de laatste dag van oktober. De kok hakte houtjes en het water spatte hoog op toen een oude soldaat zijn gejaste piepers in een pan wierp: zo ging het er in de habitat van de dichter-soldaat aan toe.

Wilfred Edward Salter Owen werd als de oudste van vier kinderen geboren in Oswestry, een dorpje in Shropshire, het graafschap dat grenst aan Wales, waar de helft van zijn stamboom ook wortelde. De bijbel en de gedichten van romantici als John Keats, Percy Bysshe Shelley en William Wordsworth vormden de gelovige jongeling. Voor een beurs schoten zijn cijfers tekort en thuis konden ze het geld voor een opleiding aan de universiteit van Londen ook niet opbrengen. In ruil voor inwoning ging hij diensten verlenen aan de vicar van het plaatsje Dunsden, ondertussen plantkunde studerend aan het University College in Reading. Owen raakte teleurgesteld in de zorg van de kerk om de armen en in de liturgie. Intellectueel werd hij ook niet door de vicar en zijn omgeving uitgedaagd.

In 1913 vertrok hij naar Frankrijk om er Engels te gaan geven op een school in Bordeaux. Later onderrichte hij aan huis twee jongens uit een katholiek gezin. Maar ook dat bracht hem weinig voldoening. Wel raakte hij bevriend met een oudere dichter, Laurent Tailhade, die in 1893 de Parijse bourgeoisie had geschokt door een aanslag van een anarchist op het Huis van Afgevaardigden goed te praten met de woorden ‘wat doet het slachtoffer ertoe als de daad mooi is?’

Na het uitbreken van de oorlog nam Owen zijn tijd om zich bij het Britse leger aan te melden. Hij heeft ook overwogen om zich bij de Fransen aan te sluiten. Op 21 oktober 1915 was hij niet langer bestand tegen de oorlogspropaganda en meldde hij zich alsnog als vrijwilliger bij het Officer’s Training Corps van de Artists Rifles. Zeven maanden duurde de training op een kamp in Essex. Pas op 1 januari 1917 kwam hij, ingedeeld bij het Manchester Regiment, in Frankrijk aan.

De oorlog in Frankrijk bracht hem de meest gruwelijke ervaringen. Januari 1917 verdedigde hij onder zwaar vuur vijftig uur lang een onder water gelopen dugout. In maart lag hij met een hersenschudding in het veldhospitaal. Weer een maand later werd Owen bij het bos van Savy, ten oosten van Saint-Quentin, door een loopgraafmortier de lucht in geworpen. Hij landde in een krater. Dagenlang lag de gevoelige ziel er te midden van de uiteengereten resten van een collega-officier – zo zou hij zich dat althans gaan herinneren.

Er was nu iets geknapt in die dromerige jongeman, die zo graag sonnetten schreef: shell shock. Als officier werd hij overgebracht naar het Craiglockhart Hospital in Edinburgh. Daar ontmoette hij een al gelauwerde poëet: Siegfried Sassoon. Allebei getraumatiseerd werd Owen door Sassoon gestimuleerd om zijn frontervaringen zonder omhaal onder woorden te brengen. Daardoor heeft niemand de horror van de Eerste Wereldoorlog zo dichtbij weten te brengen als Wilfred Owen in dat ene annus mirabilis van hem.

Owen verafgoodde Sassoon in een relatie die beslist ook homo-erotisch geladen was. Ze waren beiden ontdaan dat de ander vanuit het ziekenhuis weer naar het front terugkeerde. Owen werd in juni genezen verklaard. De volgende maand raakte Sassoon zwaargewond bij Hazebrouck.

Owen voelde het als zijn plicht om de plaats van zijn vriend in te gaan nemen. Als Sassoon niet meer kon verhalen van het leven in de loopgraven, dan moest hij dat maar voor zijn rekening nemen. In augustus stapte hij weer op de boot naar Frankrijk. Zijn moeder schreef hij eerder blij dan bang te zijn.

Voor de finale push van de geallieerde strijdkrachten bevond tweede luitenant Wilfred Owen zich in de voorhoede van het Vierde Leger. Om hem heen zag hij zijn mannen sneuvelen. Op de tweede oktober 1918 verloor hij drie brancardiers achter elkaar. Twee dagen later schreef hij in de zoveelste brief aan zijn moeder dat hij zijn jongens hielp door voor te gaan in de strijd én door hun lijden te aanschouwen. Op 4 november 1918 kwam aan zijn eigen lijden een eind, bij Ors.

Toen Owen onder Duitse kogels bezweek, waren er pas vier gedichten van hem gepubliceerd. Alles wat hij schreef vóór 1917, is amper de moeite waard geweest. De oorlog verhief hem tot een groot dichter, die in staat bleek de grootste gruwelen in erbarmelijke woorden te vangen. ‘My subject is war and the pity of war. The poetry is in the pity.’ De oorlog en de ellende ervan, daar moest hij over schrijven: ’All a poet can do today is warn.’ Ook in zijn brieven ging het hem erom de vinger op de zere plek te leggen. Zijn jongere broer Harold kreeg voorgeschoteld hoe het een soldaat met een verbrijzeld scheenbeen was vergaan. De dokter moest het bot ronddraaien en als een zuiger indrukken om de pus uit het been te krijgen. ‘Ik vertel je dit alles bewust om je te onderrichten over wat zich in een oorlog voordoet’.

Jonge broertjes komen ook voor in het sonnet ‘Lofzang op gedoemde jonge gasten’, zoals Tom Lanoye Owens ‘Anthem for Doomed Youth’ vertaalde. Ook al niet geschikt voor de Menenpoort:

Welk klokgelui betaamt voor wie vergaan als dieren?
Alleen het monsterlijke woeden van mortieren.

Of neen, alleen de ratel van een mitraillette -

Geen mens raffelt zo schoon een laatste schietgebed.



Voor hen geen bel of toeters, krans of kerkhofblom.
Geen treurmuziek – tenzij stampei van die orkesten

Die slechts bestaan uit slagwerk van kartets en bom
En bugels, jankend over droevige gewesten.



Waar brandt hun kaars? De vlam die hun ten afscheid heet?

Niet in de hand van jonge broertjes. In hun ógen

Laat nooit het vuur dat hen gedenken zal zich doven.



De bleekheid van verloofdes dient hun lijk tot kleed.

Eén bloem: de tedere berusting der beminden.

En elke schemering: het luiken van de blinden.

Het duurde een hele poos voordat Owens oorlogspoëzie echt het volle licht kreeg. Dat is in belangrijke mate de verdienste geweest van zijn vriend Siegfried Sassoon, die de oorlog wel overleefde. Benjamin Britten ging zijn War Requiem componeren rondom negen naar de keel grijpende gedichten van Owen. Aanleiding voor het stuk was de inwijding in 1962 van de nieuwe kathedraal van Coventry, dat platgebombardeerd uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Inmiddels leert de jeugd op Britse scholen behalve Shakespeare ook Wilfred Owen uit het hoofd. Maar of Horatius daarmee het zwijgen is opgelegd? Dulce et decorum est pro patria mori: de oude leugen regeert.

125 Bernard Freyberg en twee vuile vingers in een wond (zondag 12 november 1916)

Commandant van de Nieuw-Zeelandse troepen in WOII, had Bernard Freyberg aan WOI al een heldenstatus overgehouden. Zijn zwempartij naar Gallipoli, zijn doodsverachting aan de Somme, zijn verovering op 11 november 1918: perfect cv voor een VC.

113 Friedrich von Bernhardi en de biologische noodzaak (zondag 20 augustus 1916)

Friedrich von Bernhardi

Friedrich von Bernhardi

De vraag luidt: was de oorlogshitser Friedrich von Bernhardi representatief voor het wilhelminische Duitsland? In 1912 schreef hij zijn stukgelezen boek ‘Duitsland en de volgende oorlog’. En in die volgende oorlog werd hij als generaal opgenomen in de orde van zijn grootste held, de Pruisische koning Frederik de Grote.

105 Wilfred Nevill en de Grote Europacup Finale (zondag 25 juni 1916)

Zestigduizend man speelden de Britten kwijt op 1 juli 1916, de eerste dag van de Slag aan de Somme. In het eerste uur van de aanval liet ook captain Wilfred Nevill het leven. Door zijn jongens achter vier voetballen in het niemandsland aan te sturen, maakte hij van het slagveld een speelveld.

De Grote Europacup Finale

‘On through the hail of slaughter where gallant comrades fall
Where blood is poured like water they drive the trickling ball.
The fear of death before them is but an empty name.
True to the blood that bore them the Surreys play the game.’

Een voetbal als een druppel in een poel van bloed. Mannen die de doodsangst niet eens bij naam noemen, terwijl hun kameraden op galante wijze om hen heen vallen. Omdat het in hun bloed zit, spelen die van Surrey hun wedstrijd.

Zo verhaalde al in de oorlog een parmantig vers in de Daily Mail over de voetnoot die het achtste bataljon van het East Surrey Regiment plaatste op 1 juli 1916. Het was de dag waarop het Britse leger zijn Big Push aanving, na een week de Duitse loopgraven achter de Somme omgeploegd te hebben met anderhalf miljoen granaten, de bergen aan blindgangers weliswaar inbegrepen.

Een van de mannen die op 1 juli ‘over the top’ gingen, was captain Wilfred Percy Nevill, die ze thuis Bill of Billie noemden. Nevill was een onstuimig officier, die graag op de firestep van zijn loopgraaf mocht gaan staan om de Duitsers eens goed uit te kunnen schelden. Hij was twintig toen hij gehoor gaf aan de oproep van Lord Kitchener om het vaderland te dienen. In de elf maanden die hij in de loopgraven van Picardië doorbracht, schreef hij meer dan tweehonderd brieven aan de achterblijvers thuis. Citaat uit één zo’n brief, gericht aan zijn moeder: ‘Mag ik van de gelegenheid gebruik maken te zeggen hoe fantastisch u bent in het toezenden van precies dát wat ik vraag, in plaats van iets waarvan u gedacht zou hebben dat het me wel van pas kwam.’

Billie kwam uit een warm nest vol zussen en broers. Welvarend en christelijk waren ze thuis. Uit het bijbelboek van Jozua haalde hij zijn leidraad: ‘Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.’ Zijn vader overleed toen Billie pas negen jaren telde, maar voor het overige was zijn jeugd onbekommerd geweest. Op school blonk hij uit in cricket en hockey. Maar aan de klassieke opleiding die hij ging volgen aan het Jesus College in Cambridge, kwam na een jaar al een eind. Ineens was de oorlog daar en ook Wilfred Nevill wou van de partij zijn.

Eenmaal in Frankrijk bekwaamde hij zich in paardrijden en maakte hij zich de Franse taal meester. Z’n contactuele vaardigheden hielpen hem snel promotie te maken. ‘Het is zeldzaam, zelfs in het leger, dat een man de liefde wint van zijn metgezellen, maar onze gevoelens voor Capt. Nevill gingen dieper dan die van bewondering en er was geen man in het bataljon die hem níet overal gevolgd zou hebben’, schreef een sergeant aan de moeder van Billie Nevill. Er was een aanleiding voor die brief. Kapitein Nevill had al in het eerste uur van de Slag aan de Somme het leven gelaten.

Niet lang nadat Nevill uit zijn loopgraaf was geklommen, vond een Duits machinegeweer hem. Maar het is niet daarom dat hij nog altijd herinnerd wordt. Honderden mannen per minuut stortten ter aarde in die vroege zaterdagochtend, door de dichter Siegfried Sassoon omschreven als ‘the kind commonly called heavenly’. De dood van Neville was niets bijzonders. Hij leeft voort door de vier voetballen die hij van verlof in Engeland mee had genomen: voor elk van zijn pelotons één. Nevill ging er het vuur in zijn mannen mee aanwakkeren. Wie als eerste zijn bal in een Duitse loopgraaf wist te trappen, wachtte een prijs. Eén peloton voorzag zijn bal van dit opschrift: ‘The Great European Cup. The Final. East Surreys v Bavarians. Kick Off at Zero’. Op een andere bal kwam ‘No referee’ te staan: ‘Geen scheidsrechter’.

Half acht in de ochtend was zero hour. Officieren die op hun horloge keken. Kopjes navy rum die uitgedeeld werden. Mannen die elkaar voor hun ladders de hand drukten in een gewijde stilte. En dan: het schrille geluid van een fluitje. Wat bracht die jongens ertoe om de veiligheid van hun loopgraaf te verlaten? Kameraadschap? Niet voor elkaar onder willen doen? Of het besef dat er nu eenmaal niets anders op zat? Een deserteur kreeg de kogel.

Billie Nevill heeft zelf de aftrap verricht, staat her en der te lezen. Maar een auteur als Malcolm Brown spreekt dat met klem tegen. Dit ooggetuigenverslag komt van een soldaat uit een aanpalend regiment: ‘Terwijl het kanonvuur wegstierf, zag ik een infanterist over de borstwering in het niemandsland klimmen, anderen wenkend om hem te volgen. Ondertussen trapte hij tegen een bal; een goede trap, de bal klom en legde een heel stuk af in de richting van de Duitse linie.’

Het bataljon van Nevill had Montauban als mikpunt. Aan het eind van de voor de Britten zo desastreus verlopen dag was de verovering van dat plaatsje een van de weinige lichtpunten. De eerste van de 141 dagen die de Slag aan de Somme ging duren, kostte de Duitsers 8000 verliezen, tegen 60.000 voor de Britten, waarvan 20.000 doden.

Het stroomgebied van de Somme was al tijdens de conferentie in Chantilly, december 1915, voor een geallieerd offensief uitgekozen. Belangrijkste reden, met name voor de Franse opperbevelhebber Joseph Joffre, was dat in dit overlapgebied de Britten wel gezamenlijk met de Fransen op moesten gaan trekken. Maar naarmate de Fransen in de loop van 1916 steeds dieper wegzakten in de hel van Verdun, verwijdde het Britse front zich vanaf Ieper helemaal tot aan het moerassige Somme-dal vlakbij Péronne. Verdun is er dan ook de reden van dat de ‘Somme’ vooral een Britse aangelegenheid is geworden. Van de veertig door Joffre geplande divisies aan Franse zijde hebben zich er op 1 juli maar vijf in de strijd gestort. Die vijf hebben het er overigens stukken beter vanaf gebracht dan de Britse eenheden.

Als Douglas Haig en zijn stafofficieren al niet schuldig zijn geweest aan de zwartste dag uit de militaire geschiedenis van Groot-Brittannië, dan toch zeker het landschap. De Duitsers zetelden sinds 1914 hoog en droog op krijtheuvels, waartegen de Britse soldaten zich met hun 35 kilo zware bepakking omhoog moesten worstelen. Velen hebben zich afgevraagd waarom de Britten zich die onmogelijke omstandigheden op hebben laten dringen. Maar ook hun suïcidale strijdwijze mocht verbazing wekken. Waarom niet de pijlen gericht op de zwakke plekken in de Duitse verdediging in plaats van een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van de aanval? Die kritiek staat zelfs in de British Official History, de toch tamelijk onderkoelde geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog, waarvan de 28 delen tussen 1923 en 1949 verschenen. Het antwoord op de prangende vraag hebben de legerhistorici erbij geleverd. De problemen die het slaan van een semi-beleg en het concentreren van artillerie met zich meebrachten, waren voor de oorlog nu eenmaal geen onderwerp van studie geweest.

Het optimisme van de Britse staf had trekken van carrièrejacht, zelfbedrog en blinde loyaliteit, typeert historicus Basil Liddell Hart, zelf overigens een veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Liddell Hart haalt het voorbeeld aan van een legercommandant die zich zei te voelen als ‘Napoleon voor de Slag bij Austerlitz’. Een generaal als Sir Henry Rawlinson zag het offensief voorbij de Somme als een kans om de vijand af te matten. ‘Zoveel mogelijk Duitsers doden met zo min mogelijk verliezen voor onszelf’, was zijn simpele filosofie. Maar Haig wou meer. Haig, van wie gezegd wordt dat hij de Schot is die de meeste Engelsen heeft gedood, achtte een doorbraak van het front mogelijk. Pas nadat de volle omvang van 1 juli tot hem doorgedrongen was, viel Haig terug op Rawlinsons concept van de uitputtingsstrategie.

Groot was het vertrouwen geweest in de oorverdovende artilleriebarrage, die een week lang de lucht had doen trillen en de Duitsers bijkans gek had gekregen. Maar de veerkracht van hun verdediging bleef bewaard in de diep uitgegraven schuilplaatsen. Het omgewoelde terrein vormde daarbij voor de oprukkende, Britse infanterist juist een extra handicap. Zo werd het met hun mitrailleurs prijsschieten voor de Duitsers, die de Britten zagen naderen in de hun voorgeschreven, trage tred – schouder aan schouder.

‘Als demonstratie van moed was het groots, als voorbeeld van tactiek doet de herinnering je huiveren’, luidde het commentaar achteraf van Sir Edward Spears, verbindingsofficier bij de Fransen. Een Duitse infanterist begreep er na afloop ook niets van: ‘Je hoefde niet te richten, we schoten gewoon op ze in. Hadden ze maar gerend, dan zouden we overlopen zijn.’ Het geweeklaag van stervende Tommies ging door merg en been. Een Britse rifleman werd in zijn rug geschoten en had nooit gedacht het nog na te kunnen vertellen: ‘Ik legde mijn hoofd op mijn armen en ging liggen om te sterven. Het enige wat ik kon denken was: stel je voor, meer dan vijftien maanden trainen voor dit.’

***

Zoveel jaren later gelden de ballen van Neville als de metafoor van de waanzin die de Grote Oorlog was. Wie in godsnaam maakt van een slagveld zijn speelveld? ‘Eigenlijk was die W.P. Nevill, als ik het goed begrijp, dus een ongelooflijke opportunistische sukkel zonder enige realiteitszin en is hij daarom een soort legende geworden’, liet een bezoeker van de site forumeerstewereldoorlog.nl achter. ‘Zo’n beetje het toppunt van naïviteit en daarom verworden tot curiositeit.’

Uniek was de voetbalwedstrijd van de East Surreys op 1 juli 1916 overigens niet. De bal die attaquerende Canadezen op 17 april 1917 naar de top van Vimy Ridge trapten, is nog altijd te bewonderen in een Canadees museum. Maar al voor Nevill, in 1915 bij Loos, was het een Londens regiment onder vuur dat een bal meenam in het niemandsland. Toch werd het partijtje van captain Nevill al snel na het wapenfeit in Engelse kranten ten tonele gevoerd als een uitzonderlijk display van sportsmanship en bravery.

In de jaren zeventig maakten de Vlaardingse dichter Lévi Weemoedt en programmamaker Rob van Olm voor de VPRO-radio een vierdelige serie over de Slag aan de Somme en de voetballen van captain Nevill in het bijzonder. Het werd een huiveringwekkende zoektocht, die de twee onder meer voerde naar het graf van Nevill op de begraafplaats van Carnoy, vlakbij de plaats waar hij viel. Ze vonden ook een van de vier ballen terug in een Engels museum. ‘Een soort meloen van aan elkaar genaaide lapjes leer’, beschreef Weemoedt het relikwie. Aan het eind van hun queeste wisten Weemoedt en Van Olm het zeker: ‘Oorlog was voetbal’.