217 George Gadsby en acht op zeventig pakketjes (zondag 18 augustus 1918)

George Gadsby

George Gadsby was een van de 170.000 Britse ‘Prisoners of the Kaiser‘. Meer dan de helft van die krijgsgevangenen vielen tijdens de laatste acht maanden van de oorlog in Duitse handen. Gadsby, die pas in 2000 stierf, keek triomfantelijk terug op zijn tijd van detentie. Dwangarbeid wist hij naar eigen zeggen tot één losgedraaide schroef per dag te beperken.

Advertisements

196 Ernst Jünger en de oerbron van bloed (zondag 24 maart 1918)

Ernst Juenger

Lees Sturm of In Stahlgewittern en je zit midden in de oorlog. De lust te doden heeft Ernst Jünger unverfroren te boek gesteld. Hij is 102 jaar oud geworden, oud genoeg om alsnog het loflied op een verenigd Europa aan te heffen.

De oerbron van bloed

Luitenant Sturm ligt al een uur bewegingloos te turen naar een streep aarde boven het gras. Eindelijk ziet hij een gele vlek voorbij schuiven: het aflossen van de wacht bij de Engelsen. Sturm haalt de veiligheidspal over en wacht tot de schim, die een hoofd onder een helm is, het draadkruis van zijn vizier passeert. Hij schiet. Het witte scherm van de dolle kervel trilt op het land na. Was zijn schot raak? Hij zal het nooit weten. Sturm, die voor de oorlog in Heidelberg zoölogie studeerde, vraagt zich ook af of hij nog wel dezelfde is als ‘de man die tot voor kort nog had geschreven aan een proefschrift ‘over de vermenigvuldiging van de Amoeba proteus door middel van kunstmatige deling’.

Het romanpersonage Luitenant Sturm is het alter ego van zijn schrijver. Diens naam luidt Ernst Jünger. Hij zal 102 jaar oud worden. De laatste Duitser met een Pour le Mérite om de nek is hij na zijn dood in 1998 door de Duitse post ook nog met een Sonderbriefmarke vereerd. Jünger is als zoon van een chemicus en apotheker te Heidelberg geboren. Hij begon aan een studie zoölogie in 1923, het jaar waarin het boek verscheen met als titel Sturm.

Drie jaar eerder al had Jünger in militaire en nationalistische kringen naamgemaakt met In Stahlgewittern, waaraan de Engelse vertaling Storm of Steel meer recht doet dan Oorlogsroes in het Nederlands. Literaire faam verwierf hij pas toen een Engelse uitgever in 1929 Storm of Steel op de markt bracht. Het is een afschuwelijk boek, bepaald niet omdat het slecht geschreven is – verre van dat: ieder woord bij Jünger is zijn betekenis waard –, maar omdat het bij de lezer zoveel afschuw wekt. Deze passage bijvoorbeeld: ‘Plotseling zakte onze scherpschutter in elkaar. Hij was door het hoofd geschoten. Hoewel zijn hersenen over zijn gezicht liepen tot aan zijn kin, was hij nog volledig bij bewustzijn toen we hem naar een naburige loopgraaf droegen.’

Het inzicht is ook al te pijnlijk. Op onze goede zeden, op alle humaniteit en vooruitgangsdenken, rust maar een heel dun fineerlaagje. Zodra zijn kans zich voordoet, steekt het beest de kop op. De trekker overhalen, een granaat werpen, een bajonet planten – op zulke momenten beschikt de mens over een duivelse macht, die van een esthetisch genot vergezeld gaat. Lees Jünger er maar op na, in het voorwoord van de tweede druk van In Stahlgewittern. De oorlog, zo was zijn overtuiging, ging het karakter aannemen van ‘door de oude meesters geschilderde kruisigingen: een groots begrip, waarvan de schittering nacht en bloed wegvaagt’.

Tot in details beschrijft Jünger de lust om te doden. In Stahlgewittern, dat hij als zijn oorlogsdagboek heeft gepresenteerd, herbergt het tafereel van een groepje Britten die bij Cambrai in hun loopgraaf doodlopen. Van boven kan Jünger handgranaten als sneeuwballen in hun midden werpen. ‘Kreten van woede en angst’ vermengen zich, terwijl Jünger en zijn mannen ‘met vuur in hun ogen’ op de rand van de loopgraaf springen. Oorlog is extase. Zin noch onzin zoekt Jünger erachter. Het doel, dat is de oorlog zelf. En de stormtroeper, ridder van het gemechaniseerde tijdperk, is bij uitstek de soldaat die de oorlog daadwerkelijk vinden zal – tot zijn intens geluk.

Ja, Jünger beschrijft de pijn en het verlies, de eigen verwondingen, zoals opgelopen in de eerste week van het Voorjaarsoffensief eind maart 1918, en de dood van een naaste, maar veroordelen doet hij niet. Dit leven, deze strijd, het is zijn eigen keus geweest. En de vrijwilliger aanvaardt nu – eerder amoreel dan immoreel – de consequenties. Hij vecht ook niet zozeer voor idealen. Hij vecht op instinct. Ook voor Luitenant Sturm was het begrip ‘vaderland’, de lokroep van 1914, al snel een abstractie geworden. Citaat: ‘Inmiddels schenen de mensen van alle volkeren hem allang verliefden toe die allemaal trouw aan een enige zweren, en die niet weten dat ze allemaal bezeten zijn van dezélfde liefde.’

Schaamteloos en schuldloos laat Jünger zijn lezer opgaan in de trance van de krijgsman die het leven neemt opdat het zijne niet genomen wordt. Toch is het Jünger niet om lijfsbehoud te doen. Van zijn paringsdans met de dood gaat een diepere bekoring uit. Sensatiezucht is er in elk geval niet vreemd aan. Al voor de oorlog is Jünger van huis én school weggelopen om het avontuur te omarmen in het Franse Vreemdelingenlegioen, met Afrika als bestemming. Dat bleef nog bij een uitstapje. De Europese oorlog, vanaf 1914, wordt de ware catharsis – een schone lei voor niet alleen het individu, maar uiteindelijk ook zijn samenleving. Oorlog is de manifestatie van een kosmische kracht, die zich aan beschaving niks gelegen laat liggen. Weg met de zekerheid, hier met het gevaar!

In Stahlgewittern is wat de auteur Alan Kramer betreft dan ook geen onschuldig oorlogsdagboek, maar een ‘bijdrage aan een protofascistische mobilisatie waarin we de centrale mythe van palingenenis kunnen herkennen, dat wil zeggen de wedergeboorte na de dood en de vernieuwing van het volk na het verval en de bijna-vernietiging’. Bondiger geformuleerd: met zijn woeste moordzucht en wilde levenslust kondigt Jünger het Europa van de nieuwe tijd aan.

Maar voor het de tijd van Adolf Hitler wordt, doolt Ernst Jünger eerst nog verweesd rond in de Weimar Republiek. Hij stuit, zoals zoveel veteranen, op het onbegrip van de burgerij die ‘brallende frasen over helden en de heldendood’ slaakt, maar geen idee van de échte oorlog heeft. Soldaat noch burger poogt hij al schrijvend zich een plaats te verwerven, terend op de intensiteit van het leven in de loopgraven en de band met de oude kameraden binnen hun Schicksalsgemeinschaft, de gemeenschap van het noodlot.

Jünger gaat bijdragen leveren aan het gelijknamige periodiek van de Stahlhelm, ‘Bund der Frontsoldaten’. De Stahlhelmers functioneren als een paramilitaire organisatie, een van de vele in naoorlogs Duitsland. Op zijn hoogtepunt telt de Stahlhelm een half miljoen leden. Velen van hen zullen toetreden tot de beweging van nationaal-socialisten. Nationaal, vanwege de liefde voor het vaderland; socialistisch, omwille van de broederschap in de loopgraven.

Ook Jünger laat zich ‘louteren’ door Hitler, als die in een Münchener circus een vlammende rede afsteekt. De twee gaan elkaars pennenvruchten uitwisselen: Jünger zijn oorlogsboeken, Hitler Mein Kampf . Maar als hem in 1927 een zetel voor de nazi’s in de Rijksdag wordt aangeboden, past Jünger gedecideerd: ‘Ik schrijf liever een gedicht dan zestigduizend idioten te vertegenwoordigen in een parlement’.

Jünger is niet de enige intellectueel die zijn aanvankelijk enthousiasme voor de partij van Adolf Hitler laat varen. De expressionistische dichter-arts Gottfried Benn, de gevierde componist Richard Strauss en de naar ‘de zin van het zijn’ zoekende filosoof Martin Heidegger – zij allen krijgen net als Jünger hun bekomst van het nazisme. Aan de scheiding van geesten gaat een Babylonische spraakverwarring vooraf. Bloed is voor Hitler een biologisch criterium van raszuiverheid. Voor Jünger vloeit het bloed uit de oerbron van innerlijke zuiverheid. Jünger is de nihilist, die volstaat met het verwerpen van burgerlijke waarden; Hitler is de moralist, die zijn eigen, antiburgerlijke ideologie optrekt.

In de jaren na de machtsovername van de nationaal-socialisten koestert Jünger zijn apolitieke status als onafhankelijk artiest. Het politiek activisme heeft hem in de jaren twintig niets gebracht. Hij trekt zich terug – een innere Emigration – en slaat de opkomst van Hitler in afzijdigheid gade. Hij, de nietzschiaanse Übermensch die de oorlog heeft verheerlijkt als een hoogst individuele ervaring, wendt superieur zijn blik af van de slaafse massa die met gestrekte arm aan een Führer voorbijtrekt. In 1939 verschijnt van Jünger dan nog Auf den Marmorklippen: een parabel die zich lezen laat als een aanklacht tegen de tirannie van een cultuurloze barbaar – wie anders dan Adolf Hitler?

Heeft Jünger, die niet zonder reden als literaire wegbereider van het fascisme mag worden gezien, zich dan tot een verzetsman in nazi-Duitsland ontwikkeld? Verre van dat: hij trekt het uniform weer aan. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog laat Jünger zich binnen de Wehrmacht tot kapitein bevorderen. Korte tijd wordt hij naar de Kaukasus uitgezonden, maar het grootste deel van de oorlog maakt hij deel uit van de bezettingsmacht in Parijs. Censuur wordt zijn stiel. Hij lijkt te spotten met de oorlog door het geallieerde bombardement van de Franse hoofdstad te beschrijven als een vuurwerkshow, gadegeslagen met een glaasje sekt in de handen. Als op 20 juli 1944 de aanslag van Wehrmacht-officieren op Hitler mislukt, komt ook Jünger als verdachte in beeld. Maar de nazi’s vinden geen bewijs voor medeplichtigheid van Jünger, die de eed van zijn persoonlijke trouw aan Hitler ook heeft uitgesproken.

Een van zijn zonen sneuvelt dan nog op achttienjarige leeftijd in 1944 in Italië. Of die dood zin heeft gehad, wil een journalist van Die Zeit in 1989 van Ernst Jünger weten. ‘In elk geval was hij geen arm, misleid kind’, antwoordt Jünger. ‘Hij heeft zich vrijwillig gemeld en hij is gevallen. Dat is toch niet zinloos.’

***

Tot op hoge leeftijd is Ernst Jünger blijven schrijven. Tot zijn laatste snik ook is hij omstreden gebleven, veelzeggend genoeg in Duitsland meer dan in Frankrijk. In het bijzijn van de Franse president François Mitterand en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl mocht Jünger, de antidemocraat van weleer, in 1984 bij het monument van Douaumont een loflied op het verenigd Europa aanheffen.

Erich Maria Remarque en Ernst Jünger zijn de enige twee Duitse schrijvers over de Eerste Wereldoorlog die tot op de dag van vandaag herdrukken beleven. Maar waar Remarque’s Im Westen nichts neues ons vooral leert hoe de oorlogsgeneratie huiverend op de strijd terugblikt, laat Jünger zich lezen als een live verslag van de strijd – vrij van censuur en zedelijke nuances. Stoerdoenerij is het ook niet, zoals deze passage uit In Stahlgewittern bewijst: ‘Weg moest ik, alleen maar weg, ver weg! Zonder erbarmen rende ik alles overhoop. Ik ben geen vriend van het eufemisme zenuwinzinking. Ik was gewoon bang, doods- en doodsbang.’