261 Helmut Frink en de glimlach voor de heldendood (zondag 22 juni 1919)

Helmut Frink

Helmut Frink

Als twee Duitse ministers in Versailles de vrede moeten tekenen, op 28 juni 1919, wordt in het stadje Diez an der Lahn ene Helmut Frink geboren. Aan zijn generatie gaat Adolf Hitler de oproep om Versailles te wreken adresseren. Helmut Frink, het vredeskindje, sneuvelt in de volgende wereldoorlog, 24 jaar oud. Postuum wordt hij tot held uitgeroepen. Wat daarvan rest, zijn versierselen.

  • Volgers van Veertien Achttien krijgen deze slotaflevering per mail (doc + mps3).
Advertisements

256 Christopher R.W. Nevinson en de helmen naast de lijken (zondag 18 mei 1919)

Christopher Nevinson

Christopher Nevinson

Oorlog als hygiëne – de jonge, Engelse kunstenaar Christopher R.W. Nevinson liet het zich aanpraten door de futurist Filippo Tommaso Marinetti. Nevinson, die als ambulancechauffeur de oorlog in was gegaan, schilderde staal en vlees in perfecte harmonie. Maar de gruwelen van de strijd zette hij als officieel oorlogskunstenaar ook op doek, ondanks de militaire censuur.

  • Volgers van Veertien Achttien ontvangen deze aflevering per mail (doc + mp3)

225 Adolf Hitler en de ratten aan zijn bajonet (zondag 13 oktober 1918)

Adolf Hitler

Adolf Hitler

Een zonderling type, die Adolf Hitler. Gaf niets om God of vrouwen, hoefde niet op verlof, kreeg nooit eens een pakketje van het thuisfront. De nazipropaganda maakte van de korporaal een onversneden held, maar het grootste deel van de Grote Oorlog vervulde hij de rol van Etappenschwein, varken van het achterland.

De ratten aan zijn bajonet

Je schreeuwt het hem alsnog toe: ‘Come on, Henry Tandey, haal die trekker over. Schiet die mof neer. Nu!’ Maar in alle flashbacks laat Tandey hem steeds weer lopen.

Twintig jaar na dato ging de Duitser, die eigenlijk geen Duitser was, op zijn Beierse rots van Berchtesgaden voor een foto staan van het schilderij waarop Tandey tijdens de Eerste Slag om Ieper een gewonde kameraad wegdraagt. ‘Deze man stond op het punt mij te doden’,vertelde de heerser van Berchtesgaden aan zijn gast, de premier van Groot-Brittannië. ‘Ik dacht Duitsland nooit meer terug te zullen zien.’ Of Neville Chamberlain, de premier, Tandey misschien de groeten wilde doen… Naar verluidt heeft die brave Chamberlain dat nog gedaan ook, in het vervloekte jaar 1938, toen de overwinnaars van de Grote Oorlog het arme Tsjecho-Slowakije aan nazi-Duitsland overleverden in ruil voor een valse garantie op vrede.

Had Henry Tandey, een van de zwaarst gedecoreerde soldaten uit het Britse leger, op 28 september 1918 inderdaad de wereldgeschiedenis de andere kant op kunnen sturen door de toen nog volstrekt onbeduidende korporaal Adolf Hitler zonder pardon neer te knallen? Tandey zelf meende in elk geval dat hij de latere Führer wel degelijk voor zijn loop had gehad. Na het Duitse bombardement van Coventry, november 1940, is Tandey ook niet opgehouden zijn eigen barmhartigheid te vervloeken: ‘Maar ik kón een gewonde man niet neerschieten’, zocht hij naar gewetensrust.

Medio oktober 1918 was de oorlog alsnog voorbij voor Adolf Hitler. Mosterdgas dreef bij Wervik, ten zuiden van Ieper, het licht uit zijn ogen. Zo althans staat het te lezen in Mein Kampf, de warrige autobiografie die Hitler in 1924 dicteerde tijdens zijn gevangenschap vanwege een mislukte staatsgreep. Hij was de ochtend na de gasaanval nog in staat gebleken als ordonnans een boodschap te bezorgen. Maar toen gingen zijn ogen als kolen gloeien en trad om hem heen de duisternis in – een manmoedig slot van vier jaar trouwe dienst aan het front. Die voorstelling van zaken is door historicus Thomas Weber aan debunking onderworpen. In zijn boek Hitler’s First War maakt Weber aannemelijk dat de tijdelijke blindheid van Hitler niet van puur fysieke, maar van psychosomatische aard was.

Het behoorde tot de nazipropaganda om Adolf Hitler te portretteren als een van plicht vervulde oorlogsheld, die keer op keer de dood wist te trotseren. Balthasar Brandmayer getuigde in 1932 van zijn belevenissen met de heldhaftige Adolf Hitler in een boekje met als titel Zwei Meldegänger. Deze passage betreft de herfst van 1915, als het regiment van Hitler bij Aubers de vijand partij moet geven: ‘Wij gaan nu dwars door het veld. Ik kom nauwelijks meer van de grond omhoog … en Hitler drong voorwaarts … hij verliet rustig en gelaten, omgeven door bliksemende schichten, zijn dekking … Vrees of angst was hem waarachtig onbekend.’

Een andere strijdmakker, Ignaz Westenkirchner, herinnerde zich hoe Hitler verbeten jacht maakte op ratten in de loopgraven: ‘Lang nadat de rest van ons onder zeil was gegaan, ging Hitler nog met een zaklantaarn rond en spietste hij de ratten aan zijn bajonet. Ten slotte smeet iemand een laars naar zijn hoofd en hadden we wat rust.’

Dat Hitler van ’14 tot diep in ’18 gevaar heeft gelopen, hoeft niet betwijfeld te worden, maar Weber nuanceert dat beeld wel. Adolf Hitler beleefde in zijn hoedanigheid van regimentskoerier een relatief rustige tijd. Een flink eind achter het front bracht hij, te voet of op de fiets, boodschappen van het hoofdkwartier naar de bataljonsstaven en vice versa. Frontsoldaten, die de kogels wél hoorden fluiten, zagen zulke koeriers voor Etappenschweinen aan, varkens van het achterland. Was Hitler tevreden met zijn veilige omgeving en heeft hij daarom nooit werk gemaakt van een hogere rang dan die van Gefreiter? Weber veronderstelt het. Lafaard noch held lijkt Adolf Hitler in de Eerste Wereldoorlog aan dit beeld te beantwoorden: hij deed wat zijn superieuren van hem verlangden.

Hij kwam niet eens uit Beieren, de bakermat van zijn regiment. Hitler was een Oostenrijker van geboorte. Geboren in Braunau, anno1889, beleefde hij in Linz een ongelukkige jeugd vol ontluikende fobieën. Als jongeman was hij naar de hoofdstad Wenen vertrokken, de koffer gevuld met artistieke dromen. Tot twee keer toe werd hij er voor de Kunstacademie afgewezen. Hij kon aardig tekenen, maar dat kwam niet in de buurt van een artistiek talent. Zijn dagen vulde hij als een bohémien grotendeels met het lezen van kranten. Zo af en toe verkocht hij een schilderijtje.

Aan familie had hij al snel alleen nog een zus, Paula, maar het contact met haar verwaterde en het zou pas in de jaren twintig hersteld worden. De andere vier kinderen uit het gezin van zes waren jong gestorven. Zijn vader Alois, die zijn achternaam Schicklgruber in Hitler had veranderd, was een bruut voor zijn jongere vrouw en de kinderen. Senior had een betrekking als douanebeambte. Tussen Adolf en zijn ongelukkige moeder Klara Pölzl bestond juist een zeer innige band, waaraan haar dood in 1907 een eind maakte. De joodse dokter die kwam vertellen dat Klara borstkanker had en niet lang meer zou leven, zag hoe de zoon door verdriet overmand werd. Hitler heeft zijn leven lang de foto van zijn moeder bij zich gehouden, tot in de Berlijnse bunker waarin hij zich aan het eind van de Tweede Wereldoorlog op 56-jarige leeftijd van het leven zou benemen. Hij deed dat samen met Eva Braun, de tweede vrouw in zijn bestaan. Vlak daarvoor waren ze nog getrouwd.

Een jaar voor de Grote Oorlog had Hitler Wenen ingeruild voor München, hoogstwaarschijnlijk om de dienstplicht in het leger van de door hem verachte Habsburgers te ontlopen. Hij voelde zich in het kleinsteedse Beieren helemaal thuis. Op de Odeonsplatz in München verwelkomde hij op 2 augustus 1914 de oorlog. ‘Ik viel op mijn knieën en dankte de hemel vanuit het diepste van mijn hart om het voorrecht te mogen leven in zo’n tijdperk’, zou hij in Mein Kampf schrijven. Een foto, waarvan historici de authenticiteit betwijfelen, toont een euforische Hitler midden in de massa. Een dag later richtte hij een verzoek tot de koning van Beieren, Ludwig III, om als buitenlander dienst in zijn leger te mogen nemen. Dat mocht, las Hitler niet veel later, terwijl zijn handen trilden van opwinding om het royale antwoord.

Op 21 oktober 1914 vertrok hij naar het front in Vlaanderen. ‘Ik hoop dat we tot in Engeland geraken’, schreef Hitler aan de kleermaker Josef Popp, bij wie hij in München een kamer had gehuurd. Op de 29e oktober volgde bij Geluveld, ten oosten van Ieper, al de vuurdoop voor hun Reserve-Infanterie-Regiment Nr. 16, dat beter bekend stond als het List-Regiment, naar de commandant. Deze Julius von List zou op de derde dag van de slag om Geluveld al sneuvelen.

Twee jaar later raakte Hitler aan de Somme gewond door een granaatscherf in zijn liesstreek. Dat hij er ook een van zijn testikels kwijtraakte, mag als een hardnekkige mythe beschouwd worden. Tot tweemaal toe ontving Hitler een IJzeren Kruis, een in 1914 en een in 1918. Voor die laatste had zijn overste gezorgd, de joodse officier Hugo Gutmann. Welke koene daad van Hitler tot de aanbeveling van Gutmann heeft geleid, is altijd vaag gebleven. Verhalen over Hitler die eigenhandig een vijftiental vijanden wist in te rekenen, zijn niet met feiten te schragen.

Adolf Hitler identificeerde zich volledig met de oorlog en de gemeenschap van kameraden. Daartoe behoorde ook Fuchsl, een witte terriër waar hij bijna drie jaar lang dol op was. Vrouwen interesseerden Hitler niet. Ook voor het verhaal dat hij bij een Française een kind verwekt zou hebben, ontbreekt het bewijs. Aan God had hij evenmin een boodschap. Op verlof zat Hitler niet te wachten. Nooit kreeg hij, anders dan zijn kameraden, een pakketje van het thuisfront. Toen ze hem met Kerstmis toch wat wilden geven, weigerde Hitler dat pertinent aan te nemen. Ze vonden hem maar een zonderling type en geloofden zijn uiteenzettingen over Arthur Schopenhauer, filosoof van het pessimisme, verder wel. Balthasar Brandmayer, metselaar van beroep, herinnerde zich Hitler als een sterk vermagerde frontkameraad met een bleek gelaat en twee donkere ogen, diep weggestopt in de kassen. De snor was nog lang niet zo getrimd als het emblematische vierkantje van de Führer in later jaren.

Volgens Weber is het niet zo dat Hitler de nationaal-socialistische ideologie, zijn Weltanschauung, in de loopgraven van de Grote Oorlog heeft uitgebroed. ‘Het is pas in de herfst van 1919 dat hij zich vastbijt in een extreemrechts en antisemitisch gedachtegoed’ , weerspreekt Weber de visie van Ian Kershaw, voor wie de Eerste Wereldoorlog wél de sleutel is tot het raadsel van de machtspoliticus, die als geen ander – Lenin wellicht uitgezonderd – een stempel op de twintigste eeuw heeft gedrukt.

Antidemocratisch waar het om politieke verhoudingen ging, was Hitler er alles aan gelegen om ‘het volk’, een begrip dat bij hem met ‘ras’ samenviel, voor zich te winnen. Met opzwepende toespraken, waarvoor Hitler een uniek talent had, en veel vlagvertoon ging hij dat voor elkaar spelen, al was voor de grote doorbraak de economische wereldcrisis van 1929 nodig. Bij de laatste Rijksdagverkiezing van de Weimar Republiek, op 5 maart 1933, haalde de NSDAP van Hitler 43,9 procent van de stemmen. Hij was toen al rijkskanselier.

Dat Duitse fascisme van Hitler appelleerde sterk aan de Kameradschaft waarnaar de zich verraden voelende veteranen na de oorlog zo hunkerden. Alleen zij die de Fronterlebnis begrepen, konden het nationaal-socialisme ten volle bevatten. Vernietiging was de conditio sine qua non van vernieuwing. Marxisten en joden moesten als het ongedierte van de loopgraven uitgeroeid worden. In Mein Kampf zegt Hitler, zelf een gasslachtoffer, het te betreuren dat tijdens de oorlog niet aan ‘twaalf- à vijftienduizend Hebreeuwse vernietigers van het menselijk ras gifgas is toegediend’. Niemand die daar het programma voor de ‘Endlösung van het jodenvraagstuk’ in heeft gezien.

Terwijl de Britten zijn regiment in Vlaanderen definitief vermorzelden, werd Hitler terug in de Heimat verdacht van hysterie. Het nieuws over de abdicatie van de keizer en het uitroepen van de republiek deed hem in zijn ziekenhuisbed geen goed. Ziedend was Hitler, wie het opnieuw zwart voor de ogen werd. ‘De haat die in hem was opgeweld barstte nu met geweld open’, schrijft Kershaw in zijn biografie van Hitler. Die stelt het zelf in Mein Kampf voor dat hij op dat moment op de kruising van zijn leven stond: ‘Die nacht besloot ik om, zodra mijn gezichtsvermogen was teruggekeerd, de politiek in te gaan.’ Hij kon eenvoudigweg niet accepteren dat de oorlog, die eindelijk zin aan zijn leven had gegeven, in een nederlaag geëindigd was. Hitler bleef bij het leger en trad toe tot een reservebataljon in Beieren. Daar, in München, sloot hij zich aan bij een splintergroepering die zich Deutsche Arbeiter Partei noemde. Hij nam in achterafzaaltjes het woord en men ving aan met luisteren…

196 Ernst Jünger en de oerbron van bloed (zondag 24 maart 1918)

Ernst Juenger

Lees Sturm of In Stahlgewittern en je zit midden in de oorlog. De lust te doden heeft Ernst Jünger unverfroren te boek gesteld. Hij is 102 jaar oud geworden, oud genoeg om alsnog het loflied op een verenigd Europa aan te heffen.

De oerbron van bloed

Luitenant Sturm ligt al een uur bewegingloos te turen naar een streep aarde boven het gras. Eindelijk ziet hij een gele vlek voorbij schuiven: het aflossen van de wacht bij de Engelsen. Sturm haalt de veiligheidspal over en wacht tot de schim, die een hoofd onder een helm is, het draadkruis van zijn vizier passeert. Hij schiet. Het witte scherm van de dolle kervel trilt op het land na. Was zijn schot raak? Hij zal het nooit weten. Sturm, die voor de oorlog in Heidelberg zoölogie studeerde, vraagt zich ook af of hij nog wel dezelfde is als ‘de man die tot voor kort nog had geschreven aan een proefschrift ‘over de vermenigvuldiging van de Amoeba proteus door middel van kunstmatige deling’.

Het romanpersonage Luitenant Sturm is het alter ego van zijn schrijver. Diens naam luidt Ernst Jünger. Hij zal 102 jaar oud worden. De laatste Duitser met een Pour le Mérite om de nek is hij na zijn dood in 1998 door de Duitse post ook nog met een Sonderbriefmarke vereerd. Jünger is als zoon van een chemicus en apotheker te Heidelberg geboren. Hij begon aan een studie zoölogie in 1923, het jaar waarin het boek verscheen met als titel Sturm.

Drie jaar eerder al had Jünger in militaire en nationalistische kringen naamgemaakt met In Stahlgewittern, waaraan de Engelse vertaling Storm of Steel meer recht doet dan Oorlogsroes in het Nederlands. Literaire faam verwierf hij pas toen een Engelse uitgever in 1929 Storm of Steel op de markt bracht. Het is een afschuwelijk boek, bepaald niet omdat het slecht geschreven is – verre van dat: ieder woord bij Jünger is zijn betekenis waard –, maar omdat het bij de lezer zoveel afschuw wekt. Deze passage bijvoorbeeld: ‘Plotseling zakte onze scherpschutter in elkaar. Hij was door het hoofd geschoten. Hoewel zijn hersenen over zijn gezicht liepen tot aan zijn kin, was hij nog volledig bij bewustzijn toen we hem naar een naburige loopgraaf droegen.’

Het inzicht is ook al te pijnlijk. Op onze goede zeden, op alle humaniteit en vooruitgangsdenken, rust maar een heel dun fineerlaagje. Zodra zijn kans zich voordoet, steekt het beest de kop op. De trekker overhalen, een granaat werpen, een bajonet planten – op zulke momenten beschikt de mens over een duivelse macht, die van een esthetisch genot vergezeld gaat. Lees Jünger er maar op na, in het voorwoord van de tweede druk van In Stahlgewittern. De oorlog, zo was zijn overtuiging, ging het karakter aannemen van ‘door de oude meesters geschilderde kruisigingen: een groots begrip, waarvan de schittering nacht en bloed wegvaagt’.

Tot in details beschrijft Jünger de lust om te doden. In Stahlgewittern, dat hij als zijn oorlogsdagboek heeft gepresenteerd, herbergt het tafereel van een groepje Britten die bij Cambrai in hun loopgraaf doodlopen. Van boven kan Jünger handgranaten als sneeuwballen in hun midden werpen. ‘Kreten van woede en angst’ vermengen zich, terwijl Jünger en zijn mannen ‘met vuur in hun ogen’ op de rand van de loopgraaf springen. Oorlog is extase. Zin noch onzin zoekt Jünger erachter. Het doel, dat is de oorlog zelf. En de stormtroeper, ridder van het gemechaniseerde tijdperk, is bij uitstek de soldaat die de oorlog daadwerkelijk vinden zal – tot zijn intens geluk.

Ja, Jünger beschrijft de pijn en het verlies, de eigen verwondingen, zoals opgelopen in de eerste week van het Voorjaarsoffensief eind maart 1918, en de dood van een naaste, maar veroordelen doet hij niet. Dit leven, deze strijd, het is zijn eigen keus geweest. En de vrijwilliger aanvaardt nu – eerder amoreel dan immoreel – de consequenties. Hij vecht ook niet zozeer voor idealen. Hij vecht op instinct. Ook voor Luitenant Sturm was het begrip ‘vaderland’, de lokroep van 1914, al snel een abstractie geworden. Citaat: ‘Inmiddels schenen de mensen van alle volkeren hem allang verliefden toe die allemaal trouw aan een enige zweren, en die niet weten dat ze allemaal bezeten zijn van dezélfde liefde.’

Schaamteloos en schuldloos laat Jünger zijn lezer opgaan in de trance van de krijgsman die het leven neemt opdat het zijne niet genomen wordt. Toch is het Jünger niet om lijfsbehoud te doen. Van zijn paringsdans met de dood gaat een diepere bekoring uit. Sensatiezucht is er in elk geval niet vreemd aan. Al voor de oorlog is Jünger van huis én school weggelopen om het avontuur te omarmen in het Franse Vreemdelingenlegioen, met Afrika als bestemming. Dat bleef nog bij een uitstapje. De Europese oorlog, vanaf 1914, wordt de ware catharsis – een schone lei voor niet alleen het individu, maar uiteindelijk ook zijn samenleving. Oorlog is de manifestatie van een kosmische kracht, die zich aan beschaving niks gelegen laat liggen. Weg met de zekerheid, hier met het gevaar!

In Stahlgewittern is wat de auteur Alan Kramer betreft dan ook geen onschuldig oorlogsdagboek, maar een ‘bijdrage aan een protofascistische mobilisatie waarin we de centrale mythe van palingenenis kunnen herkennen, dat wil zeggen de wedergeboorte na de dood en de vernieuwing van het volk na het verval en de bijna-vernietiging’. Bondiger geformuleerd: met zijn woeste moordzucht en wilde levenslust kondigt Jünger het Europa van de nieuwe tijd aan.

Maar voor het de tijd van Adolf Hitler wordt, doolt Ernst Jünger eerst nog verweesd rond in de Weimar Republiek. Hij stuit, zoals zoveel veteranen, op het onbegrip van de burgerij die ‘brallende frasen over helden en de heldendood’ slaakt, maar geen idee van de échte oorlog heeft. Soldaat noch burger poogt hij al schrijvend zich een plaats te verwerven, terend op de intensiteit van het leven in de loopgraven en de band met de oude kameraden binnen hun Schicksalsgemeinschaft, de gemeenschap van het noodlot.

Jünger gaat bijdragen leveren aan het gelijknamige periodiek van de Stahlhelm, ‘Bund der Frontsoldaten’. De Stahlhelmers functioneren als een paramilitaire organisatie, een van de vele in naoorlogs Duitsland. Op zijn hoogtepunt telt de Stahlhelm een half miljoen leden. Velen van hen zullen toetreden tot de beweging van nationaal-socialisten. Nationaal, vanwege de liefde voor het vaderland; socialistisch, omwille van de broederschap in de loopgraven.

Ook Jünger laat zich ‘louteren’ door Hitler, als die in een Münchener circus een vlammende rede afsteekt. De twee gaan elkaars pennenvruchten uitwisselen: Jünger zijn oorlogsboeken, Hitler Mein Kampf . Maar als hem in 1927 een zetel voor de nazi’s in de Rijksdag wordt aangeboden, past Jünger gedecideerd: ‘Ik schrijf liever een gedicht dan zestigduizend idioten te vertegenwoordigen in een parlement’.

Jünger is niet de enige intellectueel die zijn aanvankelijk enthousiasme voor de partij van Adolf Hitler laat varen. De expressionistische dichter-arts Gottfried Benn, de gevierde componist Richard Strauss en de naar ‘de zin van het zijn’ zoekende filosoof Martin Heidegger – zij allen krijgen net als Jünger hun bekomst van het nazisme. Aan de scheiding van geesten gaat een Babylonische spraakverwarring vooraf. Bloed is voor Hitler een biologisch criterium van raszuiverheid. Voor Jünger vloeit het bloed uit de oerbron van innerlijke zuiverheid. Jünger is de nihilist, die volstaat met het verwerpen van burgerlijke waarden; Hitler is de moralist, die zijn eigen, antiburgerlijke ideologie optrekt.

In de jaren na de machtsovername van de nationaal-socialisten koestert Jünger zijn apolitieke status als onafhankelijk artiest. Het politiek activisme heeft hem in de jaren twintig niets gebracht. Hij trekt zich terug – een innere Emigration – en slaat de opkomst van Hitler in afzijdigheid gade. Hij, de nietzschiaanse Übermensch die de oorlog heeft verheerlijkt als een hoogst individuele ervaring, wendt superieur zijn blik af van de slaafse massa die met gestrekte arm aan een Führer voorbijtrekt. In 1939 verschijnt van Jünger dan nog Auf den Marmorklippen: een parabel die zich lezen laat als een aanklacht tegen de tirannie van een cultuurloze barbaar – wie anders dan Adolf Hitler?

Heeft Jünger, die niet zonder reden als literaire wegbereider van het fascisme mag worden gezien, zich dan tot een verzetsman in nazi-Duitsland ontwikkeld? Verre van dat: hij trekt het uniform weer aan. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog laat Jünger zich binnen de Wehrmacht tot kapitein bevorderen. Korte tijd wordt hij naar de Kaukasus uitgezonden, maar het grootste deel van de oorlog maakt hij deel uit van de bezettingsmacht in Parijs. Censuur wordt zijn stiel. Hij lijkt te spotten met de oorlog door het geallieerde bombardement van de Franse hoofdstad te beschrijven als een vuurwerkshow, gadegeslagen met een glaasje sekt in de handen. Als op 20 juli 1944 de aanslag van Wehrmacht-officieren op Hitler mislukt, komt ook Jünger als verdachte in beeld. Maar de nazi’s vinden geen bewijs voor medeplichtigheid van Jünger, die de eed van zijn persoonlijke trouw aan Hitler ook heeft uitgesproken.

Een van zijn zonen sneuvelt dan nog op achttienjarige leeftijd in 1944 in Italië. Of die dood zin heeft gehad, wil een journalist van Die Zeit in 1989 van Ernst Jünger weten. ‘In elk geval was hij geen arm, misleid kind’, antwoordt Jünger. ‘Hij heeft zich vrijwillig gemeld en hij is gevallen. Dat is toch niet zinloos.’

***

Tot op hoge leeftijd is Ernst Jünger blijven schrijven. Tot zijn laatste snik ook is hij omstreden gebleven, veelzeggend genoeg in Duitsland meer dan in Frankrijk. In het bijzijn van de Franse president François Mitterand en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl mocht Jünger, de antidemocraat van weleer, in 1984 bij het monument van Douaumont een loflied op het verenigd Europa aanheffen.

Erich Maria Remarque en Ernst Jünger zijn de enige twee Duitse schrijvers over de Eerste Wereldoorlog die tot op de dag van vandaag herdrukken beleven. Maar waar Remarque’s Im Westen nichts neues ons vooral leert hoe de oorlogsgeneratie huiverend op de strijd terugblikt, laat Jünger zich lezen als een live verslag van de strijd – vrij van censuur en zedelijke nuances. Stoerdoenerij is het ook niet, zoals deze passage uit In Stahlgewittern bewijst: ‘Weg moest ik, alleen maar weg, ver weg! Zonder erbarmen rende ik alles overhoop. Ik ben geen vriend van het eufemisme zenuwinzinking. Ik was gewoon bang, doods- en doodsbang.’

193 Douglas MacArthur en de maïskolfpijp (zondag 3 maart 1918)

Douglas MacArthur

Douglas MacArthur kon het mooi zeggen en hij was het dan ook die de 42e Divisie van Amerikanen uit alle windstreken van haar bijnaam voorzag: de Rainbow Division. Ook zijn eigen pr had hij behoorlijk op orde, in beide wereldoorlogen.

  • Volgers van Veertien Achttien krijgen zowel het Word-bestand als de mp3 van deze aflevering over de mail.