061 Joseph Joffre en de achtergrond van wijnvaten (zondag 22 augustus 1915)


Papa Joffre, de Held van de Marne, had ook de uitstraling van een ‘vriendelijk kerstmannetje’. Bij de Somme zal in 1916 blijken dat Joffre geen beweging in de oorlog kan krijgen. Dan bevorderen we hem maar tot maarschalk, besluit de Franse regering vervolgens. Mooie oplossing voor de man die het heenzenden van officieren, oftewel het limogeren, tot praktijk verhief.

Advertisements

012 Helmut von Moltke en zijn krankzinnige spagaat (13 september 1914)

 

De generaal was ook een zwever. Helmut von Moltke kon tegelijkertijd de allesomvattende liefde zoeken en de oorlog voorbereiden. Een zekere zelfkennis kon de opperbevelhebber van de Duitse legers niet ontzegd worden: ‘Voor de taak van veldheer in een oorlog ben ik te zwaarmoedig, te bedachtzaam, te gewetensvol, zo u wilt.’

Zijn krankzinnige spagaat

Als het drama aan de Marne zich voor de Duitsers heeft voltrokken, is Helmuth von Moltke, chef van de generale staf, ten einde raad. Hij weet het niet meer. Staart naar de kaarten. Gebroken, lichamelijk en geestelijk, vervuld ook van zelfmedelijden, moet hij de keizer melden er geen heil meer in te zien. De minister van Oorlog, de weinig tactvolle Erich von Falkenhayn, komt Von Moltkes plaats aan het front innemen. Of liever: áchter het front, want al te dichtbij het vuur is Von Moltke de afgelopen maand niet geweest. Falkenhayn zal zijn hoofdkwartier dan ook eerst eens wat dichterbij de troepen positioneren.

 

Van alle karakters die de Eerste Wereldoorlog ten tonele voert, hoort Helmuth Johannes Ludwig von Moltke bij de meest raadselachtige. De man had een tere ziel, lees je her en der. Hij speelde cello, mocht graag schilderen en kende zijn Goethe. De keizer zelf noemde hem der Traurige Julius. Maar Von Moltke had niet alleen een tere ziel. Zijn gezondheid was ook broos. Toen de machthebbers in Europa eind juli 1914 de afgrond naderden, was de 66-jarige Helmuth von Moltke aan het kuren in Karlsbad.

 

Wat nog het meest verwondert, is zijn innige verstandhouding met Rudolf Steiner, de Oostenrijkse antroposoof, geboren in hedendaags Kroatië, die nu nog op Vrije Scholen en op biologisch-dynamische landbouwbedrijven wordt vereerd als een ziener. Steiner, de man die het individu in de kosmos op doet gaan. En Von Moltke, de generaal die soldaten in de aarde laat zinken. Wat hadden die twee in hemelsnaam samen? Mevrouw Von Moltke misschien. Zij was het eerst naar Steiner toe gezweefd. Daarna had ook haar man, de hoogste militair van het Rijk, begerig zijn oren laten hangen naar de verheven gedachten van Rudolf Steiner. Tien dagen voor de Slag aan de Marne hebben de twee elkaar nog ontmoet, vlakbij het hoofdkwartier in Koblenz. Steiner drukte Von Moltke nog eens op het hart dat door kracht een door de Geest geleid volk vanuit de strijd het licht naar het hart van Europa zal weten te voeren, teneinde de mensheid te helen.

 

Wat voor spirituele invloed Steiner ook op Von Moltke heeft gehad, een pacifist heeft hij van  de generaal niet gemaakt. Integendeel, Moltke is de man die in de jaren voor 1914 op de keizer inpraat: de oorlog komt hoe dan ook en hij kan maar zo snel mogelijk uitbreken. Rusland, dat is een reus die binnenkort uit zijn slaap ontwaakt. Als het leed van de verloren oorlog tegen Japan is geleden, zal Rusland overeind komen. En dan heeft het Duitse keizerrijk niet alleen in het westen, maar ook in het oosten een groot probleem. Voordat de omsingeling definitief is, moet Duitsland lobreken. Ziedaar, het hartstochtelijk pleidooi van Helmuth von Moltke, een sociaaldarwinist, voor wie het bestaansrecht van een volk op het slagveld bewezen moest worden.

 

Daarmee is hij voor velen de verpersoonlijking van de Duitse agressie geworden. Von Moltke zal misschien gedacht hebben de oorlog te kunnen beperken tot een enkele vijand, maar het risico op een uitslaande brand is hij bepaald niet uit de weg gegaan. Anderen hebben hem dan weer weggezet als de man die de Duitse kansen verkwanseld heeft door aan het befaamde Von Schlieffen-plan te morrelen. Met name Wilhelm Groener, die Paul von Hindenburg na de oorlog op zou volgen als chef-staf van het Duitse leger, heeft Von Moltke het om zeep helpen van de Von Schlieffen-strategie in de schoenen geschoven. Nadien hebben de nazi’s hun best gedaan om de mythe van het geniale Schlieffen-plan in stand te houden.

 

Von Schlieffen zag nu eenmaal minder gevaren dan Von Moltke. Dat mag ook voor realisme doorgaan, al was de telg uit een oud Mecklenburgs geslacht voor alles een fatalist. De Fransen die de Elzas overliepen en de Russen die over Oost-Pruisen heen golfden: Von Moltke achtte niet zonder reden de gevolgen voor Duitsland ronduit rampzalig. Hij voorzag een lange, slopende oorlog, die op meerdere fronten tegelijk gewonnen zou moeten worden. Al in 1905 had hij daar zijn keizer voor gewaarschuwd: ‘Ons volk zal volkomen uitgeput zijn, zelfs als we de overwinning zouden behalen.’

 

Zijn pessimisme had voor de oorlog ook betrekking op de financiële rek van de Duitse natie: ‘Onze vijanden bewapenen zich beter dan wij, omdat wij blut zijn.’ Daar zat zeker een kern van waarheid in: historicus Niall Ferguson maakt aannemelijk dat in de financiële beperkingen van Duitsland een oorzaak van de Grote Oorlog moet worden gezien. Ferguson haalt daarvoor ook Von Moltke aan. Die betoogde in maart 1913 dat er ‘zo naar een oorlog moet worden toegewerkt dat men die zal zien als een verlossing van de grote bewapeningen, de financiële lasten, de politieke spanningen.’ Oorlog, op de keper beschouwd, is een buitenlands avontuur omwille van de binnenlandse vrede.

 

***

 

Hij had zijn naam mee. Wilhelm II moest en zou ‘zijn eigen Moltke’ hebben. De gelijknamige oom van Helmuth had aan de zijde van Bismarck het grote Duitse Rijk gesmeed in enkele glorieuze veldslagen. Met name Frankrijk, de aartsvijand, was in 1870 niet opgewassen geweest tegen Helmuth von Moltke de Oudere. Die zou zijn neef in de jaren daarna als adjudant aanstellen, waarna Wilhelm II hem in 1906 als zijn eerste man binnen het leger verkoos, als opvolger van Von Schlieffen, de vermaarde strateeg, wiens schaduw over de eerste maand van de Grote Oorlog ging hangen.

 

De benoeming was van meet af aan controversieel. En ook Von Moltke zelf zal er wakker van hebben gelegen. Hij had weinig fiducie in de keizer. Een opperbevelhebber die militaire oefeningen afblaast als het regent: dat moet voor een Pruisisch aristocraat als Von Moltke een gruwel zijn geweest. Wat moest er van Duitsland worden met zo’n monarch aan het roer? Von Moltke hield Wilhelm ook het liefst buiten de militaire plannen die klaar liggen om uitgevoerd te worden. Steiner beweert Von Moltke gevraagd te hebben naar het waarom. Omdat de keizer er ongetwijfeld over zou zijn gaan babbelen, moet Von Moltke geantwoord hebben.

 

De keizerlijke wanhoop bij Von Moltke slaat in de dagen voor het daadwerkelijk uitbreken van de oorlog past echt toe. Wilhelm II wil te elfder ure niet in het westen mobiliseren. Hij denkt en hoopt vurig dat de strijd alleen in het oosten, tegen de Rus, gevoerd kan worden. Von Moltke heeft het niet meer. Luister wat Barbara Tuchman erover schrijft in De Kanonnen van Augustus: ‘Von Moltke was ontzet door de gedachten dat zijn prachtige mobilisatiemachine nu ineens in de achteruit zou moeten worden geschakeld. Hij weigerde botweg. Gedurende de afgelopen tien jaar had hij, eerst als assistent van Von Schlieffen, daarna als diens opvolger, deze dag voorbereid. Der Tag, waarop alle verzamelde Duitse energie de mars naar de definitieve alleenheerschappij over Europa zou beginnen.’

 

Uiteindelijk zal de keizer dan toch het groene licht geven aan Von Moltke en kan die zijn mobilisatieschema in het westen aan houden. Het Luxemburgse plaatsje Troisvierges de Drie Maagden van Geloof, Hoop en Liefde hebben de plannenmakers van Von Moltke uitgekozen voor de eerste grensoverschrijding. Der Tag van Von Moltke is gekomen. ‘Onze opmars door België is stellig bruut’, schrijft hij op 5 augustus. ‘Maar we vechten voor ons leven en wie ons voor de voeten loopt, moet de consequenties aanvaarden.’ Een maand lang probeert hij op afstand –  zijn legers te dirigeren. Zijn meest omstreden besluit: het overbrengen van troepen van het westen naar het oosten. Zo had Von Schlieffen het dus niet bedoeld.

 

Op 14 september breekt een nieuwe dag voor Von Moltke aan: de dag van zijn zenuwinzinking. Von Moltke bezwijkt onder de zware verantwoordelijkheid die de eerste maand van de oorlog op hem is gaan rusten. Helmuth von Moltke was een weifelend, doemdenkend type. In zijn eigen woorden: ‘Voor de taak van veldheer in een oorlog ben ik te zwaarmoedig, te bedachtzaam, te gewetensvol, zo u wilt.’

 

Op het hoofdkwartier duwen ze hem nog een tweede viool in de hand om de schijn op te houden. Het Duitse volk wordt, net als het opperbevel bij de Oostenrijks-Hongaarse bondgenoot, tot in november onwetend gehouden van de wisseling van de wacht. De verlieslijsten van de Marne worden ook niet gepubliceerd. Von Moltke ervaart zijn degradatie, verpakt als een periode van verlof, ondertussen als een groot onrecht. ‘Majesteit, niemand vertelt mij nog wat!’, heeft hij de keizer toegeroepen. Waarop die antwoordde dat voor hem precies hetzelfde gold.

 

***

 

Twee jaar zijn hem nog gegeven om het hem aangedane onrecht te herstellen, maar voor Von Moltke zal geen rol meer weggelegd zijn op het hoofdtoneel van de Eerste Wereldoorlog. Op 18 juni 1916 begeeft hij zich in Berlijn naar de kerk om een herdenkingsdienst voor veldmaarschalk Colmar Freiherr Von der Goltz luister bij te zetten. Von Moltke houdt een rede waarin hij de overledene alle lof toezwaait. De geschiedenis, zegt hij, heeft herhaaldelijk laten zien dat heldendom en tragedie dicht bij elkaar liggen. Het kerkvolk moet aangevoeld hebben dat de spreker niet enkel op de gehemelde doelde, maar ook op zichzelf. Als de Turkse ambassadeur aan zijn eulogie voor Von der Goltz bezig is, zakt Von Moltke, een gekend hartpatiënt, in elkaar. Hij sterft, 68 jaar oud.

 

Dat was hoe dan ook te vroeg voor de geschiedschrijving, want Von Moltke had na de oorlog nog wel een en ander uit kunnen leggen over het pad dat hij samen met Duitsland richting oorlog bewandelde. Zijn vrouw geeft in 1922 nog wel brieven en memoires van Von Moltke uit, maar het lijkt erop dat ze met de inhoud ervan behoorlijk heeft zitten knoeien. De dagboeken die Von Moltke bijhield, heeft zijn zoon Wilhelm in 1945 verbrand, vlak voor de Russen Berlijn innamen.

 

Wat heeft Helmuth von Moltke bezield? Hoe kon de zwevende generaal zijn spirituele zoektocht naar de allesomvattende liefde rijmen met het achteloos schuiven van kanonnenvlees op zijn stafkaarten? Rudolf Steiner moet er enig zicht op hebben gehad. Na de dood van Von Moltke hebben de twee aan gene zijde immers contact onderhouden. Een verslag van die esoterische uitwisseling is terug te lezen in een uitgave van de Rudolf Steiner Press, met als titel ‘Light for the New Millennium’.

 

Deze boodschap, bijvoorbeeld, heeft Helmuth von Moltke in december 1921 naar de aarde gezonden: ‘De gebeurtenissen aan de Marne! Het was allemaal anders afgelopen als ik niet vergezeld was geweest door het wantrouwen van hen die mij omringden. Ik reisde af naar het front in een wolk van wantrouwen.’ Het was uiteindelijk allemaal het werk geweest van Ahriman, de ‘Vorst van de duisternis’. Wat Wilhelm II betrof, heeft Von Moltke van boven ons deze uitleg nog nagelaten: ‘De Kaiser was feitelijk nogal zwak door toedoen van krachten die vanuit zijn vorige leven in hem doorwerkten.’

 

011 Joseph Gallieni en zijn kaarsrechte gestalte (6 september 1914)

 

Bij Joseph Gallieni horen de taxi’s van Parijs. ‘Eh bien, dat is nog eens bijzonder’, mompelde de redder van Parijs toen hij ze beladen met soldaten naar het front zag rijden. Eh bien, dat zijn nog eens de verhalen die oorlogsmisdaden doen verbleken.

De kaarsrechte gestalte

Als Frankrijk hem roept de hoofdstad te verdedigen, is zijn vrouw juist gestorven. Hij is al 65. Drie jaar geleden heeft hij de hoogste post in het Franse leger aan zich voorbij laten gaan. Hij is ziek. De komende twee jaar zal hij voor zijn prostaatklier tweemaal onder het mes moeten. Tevergeefs, halverwege de Eerste Wereldoorlog komt hij te overlijden.

 

Zijn naam: Joseph Gallieni, de man die Parijs in september 1914 uit de klauwen van de Duitsers wegrukte. Bij dat verhaal denk je meteen aan de taxichauffeurs van Parijs, die er door Gallieni opuit werden gestuurd om soldaten naar het front te vervoeren. Het is een verhaal dat mythische proporties heeft aangenomen. Gallieni zelf zou langs de kant van de weg hebben gestaan en goedkeurend hebben gemompeld: ‘Eh bien, voilà au moins qui n’est pas banal!’ ‘Kijk aan, dat is nog eens bijzonder.’

 

Niet dat die taxi’s het verschil hebben gemaakt in de vreselijke Slag bij de Marne, waaraan ook het lot van Parijs verbonden was. Het spoor was, niet alleen in Frankrijk, de levensader van het leger. Militaire successen of nederlagen waren niet zelden terug te voeren tot de capaciteit van het spoorwegennet. Het Duitse Von Schlieffen-plan was op het spoorboekje geënt. Maar die taxi’s van Gallieni spraken natuurlijk enorm tot de verbeelding. Het idee moet ook van Gallieni zelf zijn gekomen. Toen de overbelasting van het spoor aan de orde kwam, opperde hij: ‘Mmm, waarom gebruiken we dan geen taxi’s?’

 

Het is mogelijk er een te gaan bekijken, in het Legermuseum van het Hôtel des Invalides in Parijs. Honderden van die koddige karretjes verzamelden zich op 7 september om soldaten te laden voor het Zesde Leger van de Fransen. Dat was haastig gevormd om de laat opgemerkte zwaai van generaal Von Kluck zijn kracht te ontnemen. ‘Wat doen we met het tarief?’, moet een taxichauffeur nog gevraagd hebben. Bij het konvooi sloten zich vrachtwagens, limousines en zelfs racewagens aan. Menig taxichauffeur keerde om bij de eindbestemming, Nanteuil, voor een tweede ritje. Vijf soldaten konden aan boord. In totaal werden er zo’n 4000 manschappen per taxi naar het front gebracht. ‘Eh bien, voilà au moins qui n’est pas banal!’, zeggen we Gallieni nog maar een keer na.

 

Hij keek naar die taxi’s door zijn lorgnet, die boven zijn statige neus en grijze hangsnor hing. Lang en mager was Joseph Simon Gallieni. Van de Franse president Poincaré komt deze karakterschets:  ‘Met zijn kaarsrechte gestalte, zijn opgeheven hoofd en zijn indringende oogopslag kwam hij ons tegemoet als een indrukwekkend voorbeeld van menselijke kracht.’ En daarvan getuigde ook zijn curriculum vitae. Gallieni had op z’n 21e als tweede luitenant gevochten bij Sedan, de voor Frankrijk fatale slag in de Frans-Pruisische Oorlog. Hij was als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd. Daar had hij zich de Duitse taal ook eigen gemaakt, zoals hij zich later ook op het Russisch ging toeleggen. Hij hield een dagboek bij in het Duits, Engels en Italiaans met de vreemde, veeltalige titel ‘Erinnerungen of my life di ragazzo’.

 

Gallieni, zoon van een Italiaanse immigrant, was al met al een man van de wereld. Zijn carrière in het Franse leger speelde zich buiten het moederland af. Gallieni was een koloniaal militair. Zijn loopbaan voerde van La Réunion, het eiland in de Indische Oceaan, via West-Afrika, Martinique, de Soedan, Frans Indo-China naar tenslotte Madagascar. Er waren er in het Franse leger die de koloniale dienst typeerden als le tourisme, maar Gallieni heeft zich bepaald niet beperkt tot het aanbidden van de zon. Hij toonde zich een meester in de politiek van de olievlek: vanuit een centrum met gezond verstand de koloniale invloedssfeer uitbreiden door inheemse allianties aan te gaan.

 

Meedogenloos was hij ook. Op Madagascar met name heeft Gallieni flink huisgehouden. Hij volstond niet met het uitbannen van Britse invloeden op het eiland, maar drukte met harde hand ook een inheemse opstand de kop in. De term genocide wordt door menigeen aan die operatie verbonden. Aan zijn periode in Madagascar hield Gallieni deze inlandse bijnaam over: jeneraly masiaka. Vertaald: ‘de wrede generaal’.

 

Zijn reputatie van ijzervreter kan hem in 1911 de hoogste militaire post van het vaderland opleveren. Opperbevelhebber Victor-Constant Michel is terzijde geschoven. De man is zich bewust van het Duitse gevaar en heeft daarom een defensief plan opgesteld. Maar verdediging is een verboden woord in het Frankrijk van na Sedan. Attaquer à l’outrance, aanvallen tot het uiterste, dat is het parool. Michel, de verdediger, moet dus plaats maken voor een spits met scorend vermogen. Gallieni bedankt echter voor die eer. Hij voelt zich te oud, maar is ook bang dat het vaderlandse leger een koloniaal als hij niet vreet.

 

Hij kent nog wel iemand, een ondergeschikte uit zijn tijd in Madagascar. Joseph Joffre, die moet het maar gaan doen. Joffre wordt inderdaad de man aan wie het vaderland in nood zal worden toevertrouwd. Hij zal al zijn kaarten op de aanval via Elzas-Lotharingen zetten. Joffre heeft lange tijd geen oog voor de spierballen die het Duitse leger laat rollen aan zijn rechterkant, in België en niet veel later ook Noord-Frankrijk. Gallieni wel.

 

Gallieni is een vertrouweling van de minister van Oorlog, Adolphe Messimy. Eind augustus komen ze samen tot een dubbele conclusie: Parijs staat op vallen en Joffre heeft dat niet door. Messimy vraagt Gallieni de verdediging van Parijs als gouverneur op zich te nemen. Navrant detail: dat is dan nog de taak van de eerder weggestuurde opperbevelhebber Michel. Briesend zal die zich voor een tweede maal heen laten zenden, waarna de oude Gallieni zich op de stadswallen van Parijs positioneert. Hij eist meer eigen troepen, die onttrokken moeten worden aan de legers van Joffre. Maar die legt dat bevel naast zich neer. Eerder had Joffre Gallieni ook maar een belet van twee minuutjes gegeven, toen die hem kwam wijzen op het gevaar dat Von Kluck heette. De eigenzinnige opperbevelhebber hield er kennelijk niet van dat een superieur uit voorbije dagen nog maar eens in zijn nek kwam hijgen.

 

Gallieni zal desondanks de verdediging van Parijs ferm ter hand nemen. De stemming in de hoofdstad is daar ook naar. De eerste dagen van september had de Parijse bevolking nog geamuseerd naar de hemel gekeken, waarin een Taube cirkelde, een wit Duits vliegtuigje. De duif liet niet alleen bommen los. Ook briefjes voor de Parijse bevolking liet het naar beneden dwarrelen. Het Duitse leger stond voor de poorten van Parijs, luidde de boodschap, er zat niets anders op dan zich over te geven. Eén oude vrouw is nog slachtoffer geworden van een bom uit de Taube, maar daarna ging er vooral amusementswaarde uit van het vliegtuigje, dat op gezette tijden aan kwam zeilen.

 

Een Amerikaanse attaché, Eric Fisher Wood, heeft beschreven hoe ‘heel Parijs’ op vrijdag 3 december wachtte op de ‘Taube van zes uur’. Maar ‘Von Heidssen’ – zoals Fisher Wood hem abusievelijk noemde – bleef weg. Een geweerkogel had hoog in de lucht zijn hart doorboord. ‘Von Heidssen’ werd op de grond, met riemen vastgesnoerd, in zijn onbeschadigde kist teruggevonden, zo zou de volgende dag bekend zijn gemaakt. Propaganda misschien, want uit andere bronnen blijkt dat Ferdinand von Hiddessen – zijn werkelijke naam – begin 1915 krijgsgevangen is gemaakt. Diezelfde naam duikt jaren later ook weer op in een Amerikaanse lijst van nazikopstukken.

 

Begin september wordt de situatie in Parijs wel degelijk penibel. Een ware exodus komt op gang. Het is vluchten voor de Hunnen geblazen. Ook de regering neemt, op aandringen van Gallieni, de wijk  Maar dezelfde dag juichen twee stafofficieren in het hoofdkwartier van Gallieni. Het blijkt dat Von Kluck zijn leger naar het oosten heeft laten afbuigen, weg van Parijs, richting de Marne. Gallieni ziet dan zijn kans schoon. Van Joffre krijgt hij het commando over het Zesde Leger toevertrouwd. Bij de rivier de Ourcq valt Gallieni de ongedekte rechterflank van Von Kluck aan. Het is de openingsfase van de ongekend gruwelijke Slag bij de Marne, waarin de Duitse opmars stokt.

 

Anders dan in 1871 en 1940, valt Parijs in 1914 niet. De eer gaat naar Gallieni, wie door de historicus Liddell Hart zelfs een ‘Napoleontisch coup d’oeuil’ zal worden toegedicht, maar het is de opperbevelhebber Joffre die het ‘Wonder van de Marne’ achter zijn naam weet te schrijven. Papa Joffre kan voorlopig niet stuk bij het Franse volk. Gallieni, die niet eens een Croix de guerre voor zijn aandeel heeft gekregen, denkt daar bepaald anders over.

 

Als gouverneur van Parijs speelt Gallieni geen prominente rol meer. Na terugkeer van de regering is hij het vijfde wiel aan de wagen. Aan de zijlijn van het westelijk front onderkent hij de patstelling. Samen met een politicus als Aristide Briand en een collega-generaal als Louis Franchet d’Espèrey meent Gallieni dat het openen van een tweede front, op de Balkan, een noodzaak is.

 

In oktober 1915 wordt hij door een nieuwe Franse regering, met Aristide Briand als premier, tot het ambt van minister van Oorlog geroepen. Voortvarend als altijd gaat hij aan het werk. Hij ziet het vooral als zijn taak de missers van de generale staf, onder leiding van Joffre, aan te kaarten. Het verwaarlozen van de verdediging bij Verdun groeit uit tot een splijtzwam. Maar in maart 1916 wordt het Gallieni pijnlijk duidelijk dat hij deze slag niet gaat winnen. De regering handhaaft de al te populaire Joffre.

 

In de maand van zijn dood heeft hij het Franse kabinet een nota over de wijziging van het opperbevel voorgelegd. Gallieni draaide niet om de hete brij heen. Militairen dienden over militaire operaties te gaan. Bestuurlijke verantwoordelijkheid lag bij de minister van Oorlog. Bevelvoerders die ‘anachronistische ideeën en gedateerde procedures’ aanhingen, hoorden aan de kant te worden geschoven.

 

Gallieni dient zijn ontslag in om niet veel later in een ziekenhuis te worden opgenomen. Hij sterft op 27 mei 1916. Van de militaire top is niemand bij de uitvaart aanwezig. Maar vijf jaar later wordt postuum aan Joseph Gallieni de rang van maarschalk verleend.

 

***

 

Gallieni is niet in vergetelheid verzonken. In Parijs is het metrostation Gallieni een belangrijk knooppunt, dat in directe verbinding staat met het busstation Gallieni. Een stadje als Fréjus, in de Provence, herbergt niet alleen een lyceum en tennispark die naar Gallieni zijn vernoemd. Er staat ook een museum van de maritieme troepen met als pronkstuk het negentiende-eeuwse autootje waarmee Gallieni rondreed op Madagascar.  Zo gaat dat. Wie Parijs redt, ontsnapt aan het etiket Slachter van Madagascar.

 

010 Alexander von Kluck en de ommezwaai (30 augustus 1914)

‘Macht mir nur den Rechten stark.’ Het moet de laatste smeekbede zijn geweest van Alfred graaf Von Schlieffen, de architect van het Duitse aanvalsplan, die een jaar voor de oorlog hemelde. De man aan de rechterkant van het Duitse leger, de sterke kant dus, heette in augustus 1914 Alexander von Kluck, een in Münster geboren generaal die over voldoende Sturm und Drang beschikte om Von Schlieffen postuum te behagen. Zijn vuurdoop had de man 48 jaar eerder beleefd, tijdens de oorlog die Pruisen van Oostenrijk won met de Germaanse hegemonie als trofee. Meer een militair van het veld dan van de staf , deze Von Kluck.

 

Von Klucks Eerste Leger, de grootste van de zeven Duitse legers aan het westelijk front, moest, ‘de mouwen langs het Kanaal schurend’, een grote zwaai door België maken; vervolgens onder Parijs door duiken; en dan het Franse leger in de tang nemen, samen met de Duitse troepen die in het oosten eerst de kat uit de boom hadden gekeken. Von Kluck was de Duitse hamer.

 

Vanaf zijn benoeming tot chef-staf in 1891 had Von Schlieffen aan zijn plan geschaafd, niet zelden tot middernacht. Ter ontspanning mocht hij graag militaire geschiedenis aan zijn dochters voorlezen. Eerst had hij zijn kaarten gezet op vernietiging van de Franse forten langs de grens, maar toen hij vreesde dat het Duitse geschut daar zijn tanden op stuk ging bijten, ging hij het over een andere boeg gooien. Voor een snelle overwinning was het nodig over het grondgebied van Luxemburg, België én Nederland te trekken. Bij de politieke gevolgen van dat alles stond de militair Von Schlieffen niet al te lang stil. Groter was zijn angst voor een geconcentreerde aanval op de Centrale machten door Frankrijk, Rusland, Groot-Brittannië en wie weet Italië. Toen Rusland in 1905 in een oorlog met Japan was verwikkeld, drong Von Schlieffen er dan ook – tevergeefs – op aan om Frankrijk preventief aan te vallen.

 

De oorlog moest razendsnel afgewerkt worden, stipuleerde Von Schlieffen onder verwijzing naar economische belangen: ‘De machine met haar duizenden raderen, waardoor miljoenen de kost verdienen, kan niet lange tijd stilstaan. Je kunt niet een of twee jaar lang van de ene positie naar de andere trekken in veldslagen van twaalf dagen tot de oorlogvoerende partijen volledig uitgeput zijn, allebei om vrede smeken en allebei de status quo accepteren.’

 

Het Schlieffen-plan, in 1905 vervat in zijn beroemde Grosse Denkschrift, werd tot in detail uitgewerkt. Het was hogere wiskunde, vooral waar het ging om troepenverplaatsingen volgens het spoorboekje. Het Militaire Reisplan liet aan de vooravond van de oorlog 11.000 treinen 2 miljoen manschappen en 600.000 paarden vervoeren, en wel in 312 uur tijd. Waar de infanterie te voet verder moest, rekende Von Schlieffen op een marstempo van twintig kilometer per dag – een gemiddelde dat voor augustus 1914 aardig zou opgaan. Von Kluck zou zelfs 22 kilometer per dag halen. Zes weken ging het duren – nog steeds volgens Von Schlieffen – om aan het westelijk front de Vernichtung van het Franse leger te voltooien. Daarna kon het Duitse leger zich gaan richten op de Rus, ervan uitgaand dat die er niet in was geslaagd om binnen zes weken gevechtsklaar aan het oostelijk front te staan.

 

Denk niet dat Von Schlieffen vrij van twijfels was. Hij bevroedde dat voor de beslissende slag in het hart van Frankrijk 200.000 man extra nodig was. Tweehonderdduizend man, waarvoor simpelweg geen plaats was op de wegen van België en Noord-Frankrijk. Sowieso was de uitbreiding van de Duitse strijdkrachten in vredestijd achtergebleven bij de ambities van het Schlieffen-plan. Het conservatieve element binnen het Duitse militarisme was daar debet aan. Om het aristocratische gehalte van het landleger zo hoog mogelijk te houden, hadden opeenvolgende ministers van Oorlog er vrede mee gehad dat de budgetten naar de vloot van admiraal Von Tirpitz gingen.

 

Er is door militaire historici veel discussie gevoerd over de vraag of een stipte uitvoering van het Schlieffen-plan tot een Duitse zege had gevoerd. Direct na de oorlog was dat in elk geval de teneur in Duitse, militaire kringen, maar later zijn meer en meer historici het Schlieffen-plan als een grote gok gaan beschouwen. Von Schlieffen had een mooi plan opgesteld om de oorlog mee aan te vangen. Het happy end had hij echter verzuimd erbij te leveren.

 

Even verdeeld zijn de meningen over Alexander von Kluck. De een ziet in Von Kluck de meest toegewijde leerling van Von Schlieffen. De ander wijt de Duitse stranding aan het persoonlijk misgrijpen van Von Kluck. Aan het falen van de veldtocht, dat Von Kluck door menigeen wordt toegeschreven, heeft de Engelse taal een fraaie belediging overgehouden: dumb Kluck. Het betekent zoiets als ‘domme gans’. De oude Von Kluck werd door de Engelse soldaten dan ook nog Old one o’clock genoemd.

 

Het is vooral chef-staf Helmut von Moltke geweest die behoorlijk aan het plan van zijn voorganger Von Schlieffen heeft zitten morrelen. Vóór de oorlog al had Von Moltke het besluit al genomen om Nederland links te laten liggen. Daar lagen handelsmotieven aan ten grondslag, maar ook de angst voor een Engelse aanval in de rug. In de openingsfase van de oorlog moest Von Moltke ook al snel bijsturen in Oost-Pruisen. Om de Rus daar een halt toe te roepen werden vele tienduizenden soldaten bij ‘Von Schlieffen’ in het westen weggehaald. De generaals in Lotharingen en de Ardennen zetten Von Moltke onder druk om ook daar snel in de aanval te gaan, wat Von Schlieffen nu juist had ontraden. Roet in het eten gooide voorts de venijnige tegenstand van de Belgen en die van het kleine Britse Expeditie Leger bij Mons en Le Cateau. Slot van het liedje was dat Von Kluck zijn rechterarm lang niet zo krachtig door Frankrijk sloeg als Von Schlieffen nog op zijn sterfbed nodig had geacht.

 

Toch heeft een onverstoorbare Von Kluck, die in de persoon van Hermann von Kuhl over een bekwame chef-staf beschikte, Parijs op enkele tientallen kilometers weten te naderen. Op 20 augustus had hij op zijn Grote Trek de Belgische hoofdstad Brussel te pakken. Drie dagen later naderde Von Kluck de Noord-Franse plaats Compiègne, waar vier lange oorlogsjaren later het Duitse opperbevel zijn wapenstilstand kreeg voorgelegd. Was die vernederende ervaring de Duitsers bespaard gebleven, als Von Kluck in 1914 conform Von Schlieffen westelijk van Parijs door had gepakt, in plaats van in het oosten de aansluiting te zoeken met het Tweede Leger van Karl von Bülow, die meer tegenstand van Fransen en Britten heeft ontmoet?

 

***

 

De ommezwaai vindt plaats in het kasteel van Lodewijk XV in Compiègne, waar Von Kluck op 3 september zijn hoofdkwartier heeft gevestigd. Hij krijgt daar over de radio de opdracht van Von Moltke om naar het zuidoosten af te buigen. Agressief en arrogant van aard, neemt Von Kluck de vrijheid om achter de Franse generaal Lanrezac aan te gaan.

 

John Keegan, gerenommeerd militair historicus van de Grote Oorlog, meent dat hij zich zo bij de neus heeft laten nemen door de Franse chef-staf Joseph Joffre. In het gat dat Von Kluck laat vallen, opgemerkt door een Franse vliegenier, zullen de Fransen op behendige wijze gaan duiken. Joffre laat manschappen vanuit Lotharingen aanrukken om de achterhoede van Von Kluck te bespringen. De bevoorrading van diens troepen is dan al een groot probleem. De nood is zo hoog dat Von Kluck alle Duitse doden en gewonden op patronen laat nazoeken.

 

De troepen zijn moe, doodmoe. Hoor hoe het 4e Reservekorps het op 5 september is vergaan: ‘Te midden van dikke stofwolken, opgeworpen door mensen en paarden, staan zo nu en dan hinkende soldaten stil en zakken in elkaar in de greppels, aan het einde van hun krachten en van hun wil. Fuseliers, grenadiers, jagers, artilleristen, ze marcheren al vanaf zonsopgang. Sterker nog, zij marcheren al bijna drie weken zonder een dag rust te hebben gehad. Zij hebben de hele weg afgelegd van het dal van de Rijn tot de Île-de-France, van Düsseldorf naar Nanteuil-le-Haudoin via de Kempen, Brussel, Henegouwen, Artois en Picardië.’

 

De Slag bij de Ourcq, een riviertje dat zich in de Marne verliest, leidt de grote clash in. Die Eerste Slag bij de Marne – in 1918 volgt de tweede, waarvan de betekenis niet minder groot zal zijn – duurt tot 12 september. Cruciaal voor het verloop ervan is de missie waarop Von Moltke vanuit zijn hoofdkwartier in Luxemburg een zekere luitenant-kolonel Richard Hentsch heeft gestuurd. Ter plekke onderkent Hentsch het gevaar het gat dat tussen het Eerste en Tweede Leger is ontstaan. Hij komt met Von Bülow een tactische terugtocht overeen en kan die door het mandaat van Von Moltke als ondergeschikte ook voor het Eerste Leger van Von Kluck afkondigen.

 

De wrevel daarover én de kift tussen Von Kluck en Von Bülow, die bij de Oberste Heeresleitung in hoger aanzien staat, is na te lezen in ‘De mars naar Parijs en de Slag bij de Marne’, dat Von Kluck in 1920 heeft gepubliceerd. Als Hentsch in Mareuil arriveert, staat het Eerste Leger van Von Kluck er in diens lezing behoorlijk gunstig voor, terwijl Von Bülows Tweede Leger al in noordwestelijke richting aan zijn aftocht is begonnen. Fijntjes merkt Von Kluck op dat hij pas ná diens vertrek van Hentsch’ komst te horen heeft gekregen. ‘Een betreurenswaardige omstandigheid’, zo deelt Von Kluck zijn zwartepiet uit.

 

Hoe dan ook, aan het eind van de Eerste Slag bij de Marne zijn de Duitsers hun initiatief kwijt. En omdat de Fransen en de Britten niet bij machte zijn het over te nemen, verandert de Eerste Wereldoorlog van een Blitzkrieg in een Grabenkrieg – een loopgravenoorlog die duurt tot aan sint-juttemis. Halverwege de Eerste Slag bij de Marne noteert een jonge officier, luisterend naar de naam Erwin Rommel, in zijn dagboek: ‘Onze recente ervaringen maken duidelijk dat er slechts één manier is om het aantal verliezen te beperken: de diepe loopgraaf.’

 

***

 

Voor Alexander von Kluck heeft de oorlog in elk geval te lang geduurd. Als hij in maart 1915 vooruitgeschoven posten aan het inspecteren is, wordt Old one o’clock vlakbij Vailly-sur-Aisne getroffen door shrapnel: granaatscherven. De verwondingen aan zijn been zijn zo ernstig dat de dan al 68-jarige generaal niet meer aan het front zal verschijnen. In oktober 1916 wordt hij met de Pour le Mérite op zijn borst uitgezwaaid. Hij sterft in 1934, in Hitler-Duitsland, 88 jaar oud.

 

Voor een onbeduidende voetnoot bij Von Klucks verhaal zorgt zijn kleindochter, Mulino von Kluck. Eind jaren twintig lijkt zij een vedette van het witte doek te worden. Daar is het niet echt van gekomen, maar dit heeft Time in april 1929 nog wel over haar geschreven: ‘Mulino von Kluck, – 17, lang, blauwe ogen, blond –  is de film ingegaan. Haar eerste rol is in 1813, een film over Duitslands bevrijding uit de handen van Napoleon. Ze zal, zo zegt ze, Parijs nooit bezoeken.’ Waarom  niet, dat laat Time in het artikeltje achterwege. Misschien omdat het niet mocht van opa Von Kluck. Zijn kleindochter wel in Parijs en hij niet. Dat zou wat zijn.

 

008 Alexander Samsonov en de stilte van het pijnbomenbos (16 augustus 1914)

 

Hij durfde zijn tsaar niet meer onder ogen te komen. Dus klonk er een eenzaam schot in het pijnbomenbos. Alexander Samsonov, door de Duitsers in de tang genomen, glipt stilletjes weg uit de oorlog. Het tij is gekeerd bij Tannenberg. De kozakken gaan Berlijn niet halen.

De stilte van het pijnbomenbos

In tijden van oorlog is het wel zo nuttig als de legeraanvoerders in het veld met elkaar op kunnen schieten. Welnu, de Russen hebben in de openingsweken van de Grote Oorlog een serieus probleem van onverenigbare karakters aan de top.

Twee van hun legers, opgebouwd uit vijf korpsen, richten langs verschillende routes hun pijlen op Oost-Pruisen, in de bedoeling later de krachten te bundelen. Het Eerste Leger staat onder leiding van Pawel von Rennenkampf, de Russische generaal met de Duitse naam. Het Tweede Leger kent als commandant Alexander Samsonov, een veteraan van de Russisch-Turkse oorlog uit 1877-78, de Boksers-opstand in China van 1900 en de Russisch-Japanse Oorlog van 1904-05.  Samsonov is een ouwe vechtjas, die het Slavische ras superieur acht aan dat van de Teutoonse Germanen.

De twee, Rennenkampf en Samsonov, delen een geschiedenis. Ze hebben beiden gevochten in die Russisch-Japanse Oorlog, die op zo’n onterende  nederlaag voor de tsaar is uitgelopen. Het gele ras dat het blanke ras klop gaf: daar had men in de westerse wereld aan het begin van de eeuw behoorlijk van opgekeken.

Na de beslissende Slag bij Mukden, in Mantsjoerije, had Samsonov Rennenkampf grote verwijten gemaakt. Hij voelde zich in de steek gelaten. Op het station van Mukden moet Samsonov Rennenkampf tegen de grond hebben geslagen. Althans, dat beweerde een militaire waarnemer die van de partij was. Het ging om een Duitser, die we op de slagvelden van Oost-Pruisen in 1914 weer tegen zullen komen.

Vast staat dat Samsonov en Rennenkampf hun ruzie nog altijd niet hebben bijgelegd als ze van de tsaar samen op moeten trekken in Oost-Pruisen. Ze vertrekken apart van elkaar. Eenmaal voorbij de Mazurische Meren moet de aansluiting, bij Allenstein, plaats vinden. Daarna wacht Berlijn.

Er liggen aan het oostelijk front volop kansen voor de Russen, want de Duitsers zetten bijna al hun kaarten op een overrompeling in het westen. Het Von Schlieffen-plan schrijft dat voor. Von Schlieffen zelf is al gehemeld, maar zijn strategie ligt al jaren bij de Duitsers op de plank. Eerst in het westen via een machtige zwaai door België  Frankrijk oprollen en daarna de traag mobiliserende Russen in het oosten aanpakken: zo heeft Von Schlieffen het tot in detail uitgewerkt.

De Duitsers beschikken in de openingsfase van de oorlog aan hun oostzijde dan ook over maar één enkel leger: het Achtste onder leiding van de 65-jarige Maximilian von Prittwitz und Gaffron. Die heeft ook nog eens te maken met lastige strijdmakkers. Generaal Hermann von François onttrekt zich graag aan de bevelen van Von Prittwitz. Hij gaat voor zijn eigen aanvalsplannetjes, tot wanhoop van zijn superieur.

Het ziet er direct na de Russische inval niet best voor de Duitsers uit. Ze lijken Oost-Pruisen op te moeten geven. En dat vooruitzicht begint de Oberste Heeresleitung, ver weg in Koblenz, toch wel te benauwen. Oost-Pruisen heeft voor het keizerrijk een historische betekenis. Heden ten dage is het verdeeld over Polen, Rusland en Litouwen, maar het verleden ervan behoort toe aan de Oude Pruisen en de ridders van de Duitse Orde. Als de bakermat van het keizerrijk valt, dan moet ook voor Berlijn zelf gevreesd worden. Paniek breekt her en der al uit: ‘De Kozakken komen!’

Von Prittwitz lijkt niet tegen zijn taak te zijn opgewassen. Hij wil zich na de verloren slag bij Gumbinnen terugtrekken achter de rivier de Weichsel. In Koblenz valt dan het besluit om het front in het oosten te versterken. Manschappen zullen per trein van het westen naar het oosten worden overgebracht: een afzwakking van het Von Schlieffen-plan dat de Duitsers volgens sommige militaire historici de oorlog heeft gekost.

Samen met zijn chef-staf wordt Von Prittwitz ontslagen. Drie jaar later zal hij aan de gevolgen van een hartaanval sterven. De één jaar oudere Paul von Hindenburg neemt in augustus 1914 als bevelvoerder Von Prittwitz’ plaats aan het oostelijk front in. Opmerkelijk, want in 1911 was Hindenburg, een leerling van Von Schlieffen, al met vroegpensioen gegaan. Hindenburg krijgt ‘de held van Luik’, Erich Ludendorff, aan zijn zijde. In de trein op weg naar het oosten klikt het al meteen tussen die twee. Dat zal de rest van de oorlog zo blijven.

Nu moet de naam vallen van die Duitse waarnemer in Mukden, negen jaar eerder: Max Hoffman. Van deze even pientere als cynische officier komt het plan dat Ludendorff en Hindenburg na hun aankomst dankbaar zullen aanvaarden. Hoffman beseft dat het de Duitsers fataal wordt als de twee Russische legers de aansluiting tot stand brengen. Maar als ze eerst Samsonov en daarna Rennenkampf aan kunnen pakken, dan zijn er kansen voor Duitsland. Een Von Schlieffen-plan in het klein, goed beschouwd.

In een enorme frontzwaai, mogelijk gemaakt door hun uitstekende spoorwegennet, richten de Duitsers al hun slagkracht tegen Samsonov in het zuiden. Ludendorff moet het daags van tevoren nog dun door de broek hebben gelopen. Hij beseft dat nu voor Rennenkampf het veld open ligt. Maar dat risico moeten we incalculeren, besluit Hindenburg, kalm als altijd.

Het pakt perfect uit voor de Duitsers. Met toestemming van hogerhand richt Rennenkampf zijn aandacht op verovering van Köningsberg, het huidige Kaliningrad. Rugdekking voor Samsonov blijft zo uit. De communicatie tussen beide Russische legers is sowieso uiterst belabberd. De Duitsers slagen er moeiteloos in berichten te onderscheppen en te ontcijferen, zo er al van codering sprake is. Het leger van Rennenkampf ligt bovendien ver voor op het schema van Samsonov, die met veel zwaardere terreinomstandigheden te kampen heeft gehad. Bevoorrading van de troepen in de voorhoede is een logistieke nachtmerrie gebleken.

Arme Samsonov. Omdat de weerbarstige Von François ook Ludendorffs instructies in de wind heeft geslagen door voor zijn eigen aanvalsroute te kiezen, heeft Samsonov in al zijn optimisme kans gezien zijn troepen in het midden op te laten stomen naar de Weichsel, daarmee de afstand tot zijn beide flanken vergrotend. De koppigheid van Von François komt hem duur te staan. Stilaan dringt het tot Samsonov door dat hij niet een zich terugtrekkend leger achterna zit, maar juist tegenover een samengebalde troepenmacht komt te staan.

Samsonov weifelt nu, wat voor lafheid wordt aangezien door de commandant van het front in Oost-Pruisen, Yakov Jilinski, zelf bepaald geen toonbeeld van daadkracht. Samsonov krijgt het bevel zijn offensief in Oost-Pruisen onverdroten voort te zetten. Dat is Rusland immers aan zijn bondgenoot Frankrijk verplicht, hoe slecht het ook met de aanvoerlijnen en de munitieproductie in het land van de tsaar gesteld is. Manschappen volop, maar vooral hun artillerie legt het af tegen die van de Duitsers. Het optimisme dat de Russische legerleiding in Oost-Pruisen uitstraalt, wordt weerspiegeld in dat van de Oostenrijkers in het zuiden van Polen. Ook die denken een verslagen vijand op de hielen te zitten, om van een koude kermis thuis te zullen komen.

Zoals de Romeinen lang geleden bij Cannae door Hannibal in de tang werden genomen, zo zal het ook Samsonovs leger in de Kesselschlacht bij Tannenberg vergaan. Een clash van honderdduizenden speelt zich in de laatste dagen van augustus af. Samsonov mengt zich zelf ook in de strijd. Aan beide zijden ziet hij zijn leger vleugellam geraken op een terrein dat hem onvoldoende bekend is om de zaken ten goede te kunnen keren. De val klapt dicht voor Samsonov. Rennenkampf zal nog wel een poging wagen om zijn vervloekte collega uit de brand te helpen, maar dichter dan 72 kilometer komt hij niet in de buurt van diens omsingelde Tweede Leger.

Samsonov geeft op 28 augustus het bevel tot een algehele terugtocht, afgedwongen door het moordend artillerievuur van de Duitsers. Hij stapt dan op zijn paard in een kennelijke poging om uit de val te ontsnappen. Aan doden en gewonden zijn de verliezen aan Russische zijde meer dan dertigduizend in aantal. Nog eens negentigduizend zijn krijgsgevangen gemaakt. Samsonov is verslagen. De Duitsers, versterkt met 400 buitgemaakte kanonnen, hebben hun handen vrij om Rennenkampf bij de Mazurische Meren vanaf 9 september slag te gaan leveren. Ook daar zullen de Russen het hoofd moeten buigen in een wanordelijke exodus uit Oost-Pruisen, al is het fiasco er niet zo catastrofaal als dat van Tannenberg. De ronduit spectaculaire overwinning daar heeft in Duitsland mythische proporties aangenomen. Hindenburg en Ludendorff ontlenen er hun status van tactische genieën aan. Max Hoffmann wist beter. ‘Hier heeft generaal-veldmaarschalk Hindenburg vóór de Slag bij Tannenberg, na de Slag bij Tannenberg en, onder ons gezegd, ook tíjdens de Slag bij Tannenberg geslapen’, zo heeft hij na de oorlog enkele vrienden in het toenmalige hoofdkwartier rondgeleid.

Het drama van Samsonov is door Alexander Solzjenitsyn in zijn roman Augustus 1914 beschreven. Ook Barbara Tuchman verhaalt in De Kanonnen van augustus hoe het Samsonov moet zijn vergaan, nadat hij ’s nachts het plaatsje Willenberg heeft bereikt, vlakbij de Russische grens: ‘De generaal en zijn groep hadden gewacht in het bos tot het donker werd. Het was onmogelijk in het duister te paard over de moerassige grond verder te gaan. Ze trokken dus te voet voort. Hun lucifers raakten op en ze konden niet langer hun kompas lezen. Ze struikelden verder, hand in hand, om elkaar in het donker niet kwijt te raken. Samsonov, die aan astma leed, werd duidelijk vermoeider en zwakker. Hij bleef maar tegen zijn stafchef Potovsky zeggen: ‘De tsaar vertrouwde me. Hoe kan ik hem na zo’n ramp nog onder ogen komen?’ Na een afstand van zes mijl te hebben afgelegd, hielden ze stil om te rusten. Het was een uur ’s nachts. Samsonov verdween een ogenblik later in het dichte pijnbomenbos. Weer even later hoorden ze een schot. Potovsky wist meteen wat dit betekende. Al eerder op de dag had Samsonov gezegd dat hij zelfmoord wilde plegen, maar Potovsky meende hem daarvan te hebben afgebracht. Hij wist nu zeker dat de generaal dood was. Tuchman schrijft nog dat de Duitsers het lijk van Samsonov hebben begraven. Zijn weduwe mocht het in 1916 met hulp van het Rode Kruis naar Rusland laten overbrengen.

Pawel  von Rennenkampf is zijn Eerste Leger nog voorgegaan in de onbeslist geëindigde Slag bij Lodz, november 1914, maar daarna is de generaal met de weelderigste snor van heel het oostelijk front de laan uitgestuurd. Als na de Februari Revolutie een Voorlopige Regering aantreedt, belandt Rennenkampf alsnog in het gevang wegens zijn ondermaatse leiding in de openingsfase van de oorlog. Onder de bolsjewieken komt hij vrij. Hij duikt onder langs de kust van de Zee van Azov, waar hij zich voor een Griek uitgeeft. De bolsjewieken weten hem echter te traceren. Ze willen dat hij als commandant in het Rode Leger de burgeroorlog in gaat. Dat weigert Rennenkampf echter. Daarvoor krijgt hij op 1 april 1918 een kogel die hij, anders dan Samsonov, niet uit heeft mogen kiezen.