194 Ernest Hemingway en de stukjes shrapnel in het been (zondag 10 maart 1918)

Ernest Hemingway

Ernest Hemingway, ambulancechauffeur, kon zich erop beroepen de eerste Amerikaan te zijn die zijn bloed in Italië had gestort. Het maakte hem, dankzij Gertrude Stein, een vertegenwoordiger van de Lost Generation. Zijn schrijversleven is een very long story.

  • Volgers van Veertien Achttien krijgen zowel het Word-bestand als de mp3 van deze aflevering over de mail.

193 Douglas MacArthur en de maïskolfpijp (zondag 3 maart 1918)

Douglas MacArthur

Douglas MacArthur kon het mooi zeggen en hij was het dan ook die de 42e Divisie van Amerikanen uit alle windstreken van haar bijnaam voorzag: de Rainbow Division. Ook zijn eigen pr had hij behoorlijk op orde, in beide wereldoorlogen.

  • Volgers van Veertien Achttien krijgen zowel het Word-bestand als de mp3 van deze aflevering over de mail.

156 George M. Cohan en de gebiedende wijs van een liedje (zondag 17 juni 1917)

‘And we won’t come back till it’s over, over there’: George M. Cohan tekende voor hét victorieliedje van de Amerikanen, Over There. Kwestie van: ‘Johnny get your gun’.

De gebiedende wijs van een liedje

Kort, kort, kort, lang. Op 78 toeren vond de Vijfde Symfonie van Beethoven haar weg naar huiskamers met een grammofoon, wereldwijd. Het was de eerste symfonie die in haar geheel op een langspeelplaat was gevangen. De Berliner Philharmoniker onder leiding van de Hongaarse dirigent Arthur Nikisch voerde het uit, Deutsche Grammophon bracht het uit. De maand was … augustus 1914. Ta, ta, ta, tááá.

De grammofoon riep de tijd een halt toe, zoals de film dat ook kon. Wie vandaag net als gisteren in katzwijm wilde vallen bij de tenor Enrico Caruso, liet simpelweg de naald nog maar eens in de groef van zijn langspeelplaat vallen. Een exclusieve ervaring was dat niet. Caruso’s uitvoering van de aria ‘Vesti la giubba‘ was al in 1904 de eerste langspeelplaat die meer dan een miljoen keer werd verkocht. Dankzij de nieuwe media werden de massa’s collectief ontroerd.

Patriottische sentimenten konden er in de eerste maanden van de oorlog nog hoger door opgezweept worden. Geen groter feest dan een grammofoon in de loopgraaf, al konden de jongens natuurlijk ook prima zelf hun keel opzetten om de sleur zowel als het gevaar van het frontleven te verdrijven. Rijk was hun repertoire. Een lied als ‘It’s a long way to Tipperary‘ had in feite niets met oorlog van doen. Een Ierse Paddy denkt in Londen aan Tipperary, waar zijn Molly woont: simpel liefdesliedje, versneden met heimwee. Het werd al in 1912 geschreven door een Engelsman, Jack Judge. Hij had Ierse voorouders maar was zelf nog nooit in Ierland geweest, laat staan in het graafschap Tipperary. In de vooroorlogse music halls, vol met volks vermaak, was Tipperary al tot een hit uitgegroeid, nog voor de British Expeditionary Force het ging omhelzen als ‘the song they sing as they march along’.

Een andere Britse klassieker werd een meer ingetogen nummer dat wél speciaal voor de oorlog geschreven was: ‘Keep the home fires burning‘. Het werd in 1914 al razend populair onder de troepen, ook al was de tekst gericht aan de families thuis, die hun haard warm moesten houden voor als de jongens thuiskwamen van de oorlog. Even kolderiek als vilein was een kraker als ‘Belgium put the khibosh on the Kaiser‘, waarin Wilhelm door John Bull zo’n ongenadig pak slaag wordt verkocht dat de keizer niet meer op zijn troon kan zitten.

In 1917 publiceerde tweede luitenant F.T. Nettleingham de bundel ‘Tommy’s Tunes‘, gevuld met hier en daar gekuiste soldatenliedjes. Ze weerspiegelen volgens Nettleingham de Britse neiging om de spot met zichzelf te drijven ‘tot op een alarmerend niveau’. Uit het overzicht blijkt dat de soldaten voor hun eigen liedjes uit steeds weer een ander vaatje tapten: music hall-deuntjes, kerkelijke gezangen en het schunnige repertoire van het staande leger.

De Duitse soldaten, vooral die uit de zuidelijke staten, troostten zich met Die Wacht am Rhein. Uit het patriottisch oeuvre kon vrijelijk worden geput: ‘Vaterlandslied‘, ‘Der freie deutsche Rhein‘, ‘Der gute Kamerad‘ en ‘Reiters Morgenlied‘. Het ‘Engelandlied‘, van de journalist en schrijver Hermann Löns, stamt uit de openingsfase van de Eerste Wereldoorlog, maar zou pas op toon worden gezet aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het begint opgewekt: ‘Heute wollen wir ein Liedlein singen, trinken wollen wir den kühlen Wein’. Maar in het refrein gaat het er al een stuk serieuzer aan toe: ‘Wir fahren gegen Engeland’. Om wie in de zee achter blijft, moet men niet wenen, zo rondt het laatste couplet af, want de betreurde heeft zijn bloed voor het vaderland laten vloeien. Löns zelf sterft overigens al op 26 september 1914 te land, in de buurt van Reims, drie weken nadat hij zich als 48-jarige vrijwilliger voor het front heeft gemeld. Zijn Engelandlied krijgt in de Tweede Wereldoorlog een tweede kans, galmend uit talloze kelen van Wehrmacht-soldaten.

Ook in de Duitse Soldatenlieder, net als in de Tommy’s Tunes, kruipt gaandeweg de satire. Mijnenwerpers worden door de Frontschweine omgedoopt in Marmaladeneimer (blikjes jam), terwijl ze hun veldkeuken Gulaschkanone gaan noemen. Niet zelden krijgen de liedjes een ronduit vijandige ondertoon in de richting van het eigen officierenkorps. Het cynisme druipt ervanaf in ‘Hanging on the old barbed wire‘. Couplet na couplet wordt fijntjes uit de doeken gedaan waar de hoge heren zoal uithangen: in de kantine, aan de bar, in de dug-out. In het laatste couplet wordt duidelijk waar het ouwe bataljon is gesignaleerd. Dat hangt in het prikkeldraad.

Zo zijn ‘de liedjes van dakloze mannen, opgeroepen onder uitzonderlijke en verwarrende omstandigheden; de liedjes van een reizend gezelschap, die voortdurend veranderen onder het toeval van dood en verminking’. Ze nemen het militair apparaat op de hak, de mannen die marcheren en zingen tegelijk.

Als de Tommy’s ‘We are Fred Karno’s Army’ aanheffen, op de melodie van een kerkelijke hymne nog wel, maken ze zich welbeschouwd aan desertie schuldig. Fred Karno is een beroemd komiek en impresario van de music halls, waar de voornaamste gevechtshandeling een taart in het gezicht is. Zo’n oorlog zouden zij ook wel willen.

Voor het zuivere, vaderlandslievende oorlogslied, vrij van alle twijfels nog, kun je in het vierde oorlogsjaar, 1917, nog het best bij de Amerikanen terecht. Die blijken er als nieuwkomers nog wel ontvankelijk voor. Vol overtuiging reizen de Yankees vanuit Amerika naar de oorlog in Europa af. En ze zingen …

Over there, over there,
Send the word, send the word over there
That the Yanks are coming, the Yanks are coming
The drums rum-tumming everywhere.
So prepare, say a prayer,
Send the word, send the word to beware –
We’ll be over, we’re coming over,
And we won’t come back till it’s over, over there.

Subtiele woordspeling: de Yanks komen pas terug ‘till it’s over, over there’. Door met dat ene woordje over zowel tijd als ruimte te definiëren toont George M. Cohan, tekstschrijver en componist, zijn vakmanschap. De Nederlandstalige versie van de variétékomiek Albert Bol mist dat raffinement: ‘Laat maar gaan‘. Cohans liedje groeit uit tot de victory hymn van de American Expeditionary Force. Amerika’s morele superioriteit uitdragend is het talloze malen over de toonbank gegaan, in uitvoeringen van uiteenlopende wereldsterren als Enrico Caruso, Nora Bayes en Al Jolson.

Cohan is geboren op de derde juli van 1878, maar in navolging van zijn ouders zal hij gaan rondbazuinen net als zijn vaderland op de ‘fourth of July’ te zijn geboren. George is een kindsterretje, dat samen met zijn zus en ouders als één van The Four Cohans schittert in de vaudeville, het Amerikaanse evenbeeld van de music halls. Al in zijn tienerjaren gaat hij zelf, vanuit zijn Amerikaans-Ierse achtergrond, sketches en catchy songs schrijven. In 1904 tekent hij voor de show Little Johnny Jones, een doorslaand succes op Broadway. Voor hij de aansluiting gaat missen met nieuwlichterij als rag en jazz, houdt Cohan Broadway in zijn broekzak. In 1968, een kwarteeuw na zijn dood, gaat op Broadway nog een musical over zijn leven in première: George M.! En op Times Square staat heden ten dage een standbeeld van Cohan.

Tijdens zijn leven, in 1936, heeft Cohan voor Over There de Congressional Gold Medal gekregen uit handen van president Franklin D. Roosevelt. Een jaar later ging Cohan op zijn oude dag, zingend en dansend, de rol van Roosevelt spelen in de politieke Broadway-musical ‘I’d rather be right‘. Dat Cohan met de progressieve idealen van Roosevelt en zijn New Deal weinig op had, deerde hem niet. In 1913 al had hij zich bij veel collega-acteurs onmogelijk gemaakt door zich tegen hun vakbond uit te spreken. Cohan was nu eenmaal als producent van shows aan de kant van het kapitaal komen staan.

In 1942 stierf Cohan op 64-jarige leeftijd aan kanker, te vroeg om mee te maken dat Amerikaanse jongens opnieuw de boot gingen pakken naar Europa: Over There. Hij heeft in zijn sterfjaar nog wel een privévertoning gekregen van de biopic die over zijn leven was gemaakt. James Cagney speelt er de rol in van Cohan als ‘Yankee Doodle Dandy‘, zoals de film ook heet.

In een scène uit de film zie we hoe Cagney als Cohan een militaire kapel op straat tegenkomt. Hij fluit wat mee en met die paar noten op zijn lippen gaat hij vervolgens achter de piano zitten: de wording van ‘Over There‘. Met Cohan zelf achter de piano zingt een sweetheart of the forces het opwekkende lied een met doughboys volgepakt kamp toe. Als het licht uitvalt, springt Cohan van zijn pianokruk op en geeft het bevel om van alle wagens en trucks de koplampen te ontsteken. ‘Everybody sing!, schreeuwt hij. En dat doen ze – nogal wiedes – uit volle borst.

Na wat shots van soldaten die eerst in een Amerikaanse haven de loopplank op stappen en daarna in een Europees landschap de loopgraaf in springen, maakt Cohan als voice-over de balans op: ‘We wonnen de oorlog. Manhattan ging uit zijn dak met naoorlogse hysterie. Maar ik bouwde mijn shows op met vooroorlogs spul, het sentiment en de humor die in een ouder Amerika tot rijpdom waren gekomen.’

***

In 1988 zet de Amerikaanse metalband Metallica ‘One‘ op de plaat. Het nummer verhaalt over een man die wil sterven door zijn adem in te houden, maar zelfs daartoe niet in staat is. Samen met de machines waar hij aan vastzit, houdt een buis in zijn keel hem in leven, Het is een landmijn die hem in dit bed heeft geworpen; die zijn spraak heeft genomen, zijn gehoor heeft genomen, zijn armen heeft genomen, zijn benen heeft genomen, zijn ziel heeft genomen.

Metallica baseerde One op een boek dat de jonge Amerikaanse schrijver Dalton Trumbo in 1939 schreef vanuit het perspectief van een oorlogsinvalide die werkelijk niets meer kan dan zijn troosteloze bestaan overpeinzen. Op zijn beurt was Trumbo op dat idee gekomen door een krantenartikel, waarin journalisten beschreven hoe de Prins van Wales met betraande ogen uit een ziekenhuiskamer was gekomen. De prins had er kennis gemaakt met een Canadese veteraan van de Grote Oorlog die alle vier zijn ledematen en nagenoeg alle zintuigen miste.

Als ‘Stiltewoorden’ verscheen Trumbo’s boek in 2008 in een Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Dulce et Decorum. ‘Johnny got his gun‘ is de originele titel. Trumbo maakte – heel subtiel – de verleden tijd van de gebiedende wijs waarmee George M. Cohan zijn liedje ‘Over There’ opende: Johnny get your gun, get your gun, get your gun…

110 Franz von Papen en ‘die idiote Yankees’ (zondag 30 juli 1916)

Franz von Papen

Franz von Papen

Intrigeren was de tweede natuur van Franz von Papen, die vooral bekend is als de man die in 1933 Hitler voor zijn karretje dacht te kunnen spannen. Schimmiger is zijn verleden in de Eerste Wereldoorlog, al bestaat er geen twijfel meer over dat hij als militair attache achter tal van sabotageactiviteiten in Amerika stak.

099 Charlie Chaplin en het bed van water (zondag 14 mei 1916)

Het duurde lang eer de Britse koningin eraan toe was om Charlie Chaplin te ridderen. Zijn oeverloze liefdesleven was daar niet alleen debet aan. Patriotten namen het de komiek ook kwalijk dat hij in de Grote Oorlog niet in de loopgraven was gestapt. Maar Chaplin had, als altijd, zijn weerwoord klaar.

Het bed van water

In haar antioorlogsroman Regeneration, in het Nederlands verschenen als Niemandsland, laat Pat Barker patiënten met een oorlogstrauma in het Craiglockhart War Hospital naar films van Charlie Chaplin kijken. Slapstick versus shell shock: dat is het idee. Je vraagt je af hoe groot van een film als The Floorwalker het therapeutisch effect kan zijn geweest op oorlogsinvaliden met de meest horribele taferelen op het netvlies. Een half been, dat is het eerste wat we Charlie Chaplin in The Floorwalker zien vastpakken. Hij bevindt zich dan alleen niet op het slagveld, maar op de confectieafdeling van een warenhuis, waarin hij de film lang met de roltrap slag levert.

Hoe dicht naderden realiteit en film elkaar, luidt de vraag. ‘Het is opvallend hoe vaak er in de brieven, dagboeken en herinneringen van de soldaten over film gesproken wordt’, schrijft Modris Eksteins in Lenteriten. Hij haalt het voorbeeld aan van een lid van het 360e regiment van de Franse Infanterie, die in mei 1915 toekeek hoe een naburig bataljon bij Arras ten aanval trok. ‘Het leek wel alsof we in een bioscoop zaten’, herinnerde de infanterist zich. Mannen die als poppetjes neer gemaaid werden: als shot leek dat toch eerder op het witte doek dan op het leven zelf.

De documentairefilm The Battle of the Somme draaide al in augustus 1916, nog geen twee maanden na het begin van de slag. De film bleek goed voor 20 miljoen verkochte bioscoopkaartjes: het Britse thuisfront smachtte er kennelijk naar om de oorlog aan te kijken. Maar wat zagen die achterblijvers écht? De filmmakers Geoffrey Malins en John McDowell ensceneerden het moment waarop de jongens ‘over the top’ gingen; een beeld dat in tal van latere documentaires als een authentiek fragment voorgesteld zou worden. Maar in de film zit ook de radeloze blik van de Tommy die een stervende kameraad op zijn rug wegdraagt uit de loopgraaf. En tot zo’n blik is geen acteur in staat.

The Floorwalker was de eerste van twaalf comedy’s die Chaplin in 1916 ging maken voor de Mutual Film Corporation. Zijn typetje van de tramp was zo oud als de oorlog. In 1914 dook de zwerver met zijn bolhoed en bamboe wandelstokje voor het eerst op. Het grote publiek was meteen weg van Charlie. Als geboren Londenaar kwam Charles Spencer Chaplin in 1910 zijn geluk in de Verenigde Staten beproeven. Zijn beide ouders hadden in theatergezelschappen door Engeland gereisd. Maar vader dronk als een tempelier en moeder was een labiel type. Vlak nadat zij een kind van een ander had gekregen, viel het huwelijk uiteen. Met nog een andere halfbroer, Sydney, wist Charlie staande te blijven. De theatrale talenten die ze van hun ouders hadden meegekregen, stonden de broers daarbij ten dienste. In Aldershot, thuis van het Britse leger sinds de Krimoorlog, stond Charlie Chaplin op vijfjarige leeftijd voor het eerst op de planken. Toen de stem van zijn moeder Hannah het had begeven, nam hij in het legertheater haar rol over.

Zijn eerste jaren in de Verenigde Staten stonden nog in het teken van het muziektheater, dat in Amerika voor ‘vaudeville’ doorging en in Engeland ‘music hall’ werd genoemd. Maar het nieuwe medium trok aan Charles Chaplin: de film. Niet Amerika, maar Frankrijk was tot aan de oorlog het centrum van de filmindustrie . De Franse gebroeders Pathé distribueerden in de Verenigde Staten twee keer zoveel films als hun Amerikaanse collega’s. Het celluloid netwerk van Pathé overspande Europese hoofdsteden en koloniale wingewesten.

Groter nog dan de Pathé-Frères was die andere Franse producent, Léon Gaumont. Het maken van films én van camera’s ging bij beide bedrijven samen met het exploiteren van een keten aan bioscopen. In 1911 maakte Gaumont van een voormalige paardenrenbaan aan de Place de Clichy in Parijs zijn Gaumont Palace, het grootste filmtheater ter wereld. In Amerika was het publiek vertrouwd met kleine buurtbioscopen, nickelodeons genaamd. Bewegende beelden waren de fase van circusattractie allang voorbij. In een houterige, manische stijl bewogen de sterren van de stomme film zich over het doek, begeleid door de ragtimedeuntjes van een tingeltangelpiano. Bij de laatste voorstelling van de dag, als het personeel onderhand naar huis wou, werd het tempo doorgaans nog wat opgeschroefd .

Vermaak was wat de film het grote publiek bovenal bood. Maar al voor de oorlog tekende de veelzijdigheid van het nieuwe medium zich af. D.W. Griffith zet in 1915 met The Birth of a Nation de stap naar een grote speelfilm. Er is felle kritiek op de racistische ondertoon van het verhaal, dat zich ten tijde van de Amerikaanse Burgeroorlog afspeelt. Maar een kaskraker wordt de film wel. Zo’n 25 miljoen Amerikanen gaan hem bekijken. Nog ambitieuzer van opzet is een jaar later het historische vierluik Intolerance, waarvoor Griffith alle registers aan figuranten en decorstukken opentrekt. De film zal grote invloed uitoefenen op naoorlogse cineasten, de Rus Sergej Eisenstein vooral, maar commercieel gezien is Intolerance een flop. Griffith is niet bij de pakken neer gaan zitten. In 1919 richt hij, de regisseur, United Artists op samen met de filmsterren Mary Pickford, Douglas Fairbanks en Charlie Chaplin.

De eerste, echte filmster is een Fransman geweest: Gabriel-Maximilien Leuvielle, in de jaren voor de oorlog razend populair onder zijn pseudoniem Max Linder. Al is Max een elegante dandy, overduidelijk heeft Charlie Chaplin hem als voorbeeld genomen bij het uitwerken van zijn zwerverstypetje: datzelfde loopje, diezelfde onschuld. Linder speelt zijn eigen scripts. Alleen al in 1912 scheidt hij 34 films af. Overal ter wereld schateren bioscoopgangers om het rijke heerschap dat niet door heeft dat een hond in zijn hoge hoed plast. Linder gaat honderdduizenden goudfranken verdienen, tot de oorlog ook zijn leven overhoop zal halen.

De autoriteiten in Engeland en Frankrijk grijpen de gelegenheid aan om het platte amusement gelijk te schakelen aan de oorlogsinspanning. De cultus van glamour komt met een schok tot stilstand. Filmstudio’s worden tijdens de mobilisatie gevorderd voor de productie van munitie. Filmtheaters gaan op slot. Pas in 1915 gaan de geallieerden het belang van de film als propagandamiddel erkennen. Fotografen en cameramannen worden dan aan de strijd onttrokken. In Frankrijk gaan ze voor de Section Photographique et Cinématographique de l’Armée de gevechtshandelingen vastleggen. Die SPCA zal aan het eind van de oorlog 150.000 foto’s en 250.000 meter film nalaten .

Marcel L’Herbier, later een gevierd filmmaker, werkte ver achter het front, in Parijs, voor de SPCA. Zijn herinnering : ‘Ik stond oog in oog met de afschuwelijke werkelijkheid. Alles dat aan het front was gefilmd, ging door mijn handen. We knipten, we plakten, we kozen wat getoond kon worden. Ik keek naar horrorscènes. Ik zag opengescheurde soldaten, verdeeld over twee stukken, onthoofd. Die shock maakte me duidelijk dat ik een filmmaker moest worden.’

Ook de Duitse film is voor de oorlog al van de grond gekomen. De massa is verliefd op Henny Porten, wier carrière in de twintigste eeuw net zo lang door zal lopen als die van Charlie Chaplin. Maar ook voor diva’s geldt in de oorlog geen pardon. De man van Henny Porten, de regisseur Curt A. Stark, sneuvelt in 1916 aan het front. November van dat jaar nemen industriëlen het initiatief tot oprichting van de Deutsche Lichtbild-Gesellschaft (DLG), tot ongenoegen van generaal Erich Ludendorff die een eigen productiemaatschappij voorstaat. Zijn Universum Film Aktiengesellschaft (UFA) gaat vanaf november 1917 de strijd aan met geallieerde propagandafilms.

Ondanks zijn status als vedette is ook Linder naar het front vertrokken. Volgens de ene bron belandt hij in een wolk van gifgas, volgens de andere loopt hij een longontsteking op als hij zich uren lang zich in ijskoud water onder een brug voor de Duitsers moet verstoppen . Hoe dan ook, vechten kan hij niet meer. Linder vertrekt daarna wel naar de Verenigde Staten. Hij gaat werken voor Essanay, dat tot voor kort Charlie Chaplin onder contract heeft gehad. Verzwakt als hij is kan Linder de verwachtingen niet inlossen. Na de oorlog zal hij nog wel een aantal films maken, ook in de Verenigde Staten, maar het slot van zijn leven is dieptragisch. In 1925 vermoordt hij eerst zijn vrouw en daarna zichzelf. Anders dan Charlie Chaplin is Max Linder, ‘de man met de zijden hoed’, zo goed als vergeten. Maar een vijfde deel van zijn oeuvre ook is bewaard gebleven .

Chaplin heeft anders dan Linder de oorlog niet aan den lijve ondervonden, iets wat hem door Britse patriotten lang is nagedragen. De filmster heeft zich tegen die kritiek verweerd: hij had zich wel degelijk voor dienst in het leger aangemeld, maar hij was afgekeurd: te klein en te mager.

In elk geval heeft Chaplin zich wel ingespannen om de bevolking in zowel de Verenigde Staten als Groot-Brittannië achter de oorlog te krijgen door hun regeringen aan oorlogsleningen te helpen. In 1918 heeft hij voor dat doel op eigen kosten een propagandafilm gemaakt: The Bond. We zien Charlie een zak geld aan Uncle Sam geven. Die geeft dat op zijn beurt door aan een industrieel, waarna een soldaat langs komt om van diezelfde industrieel een wapen in ontvangst te nemen. Hetzelfde ritueel herhaalt zich, maar nu komt een matroos zijn wapen ophalen. Apotheose van de korte film: Charlie die eerst in zijn handen spuugt en dan een groot bord pakt waarop staat geschreven ‘Liberty Bonds’. Met vier welgemikte klappen slaat hij een op keizer Wilhelm II gelijkend personage knock-out. Dan blikt hij in de camera, terwijl zijn vingers wijzen naar de twee woorden op het bord: ‘liberty’ en ‘bonds’. Hij balt de vuisten. Omdat ook deze film stom is, weten we niet wat hij in een vlaag van hysterie de kijker toeschreeuwt.

De mimiek verschilt in elk geval niet veel van die van de sprekende hoofdrolspeler uit een van Chaplins beroemdste films: The Great Dictator. Op meesterlijke wijze neemt Chaplin in die film uit 1940 Adolf Hitler op de hak, spelend met de wereldbol als ballon. Of Hitler om zijn eigen karikatuur heeft moeten lachen, is twijfelachtig. De Führer heeft de film minstens twee keer gezien. De komiek en de tiran hadden meer gemeen dan een snorretje dat niet voorbij de neusvleugels kwam. Ze waren nagenoeg even oud. Chaplin werd vier dagen eerder dan Hitler geboren, op 16 april 1889.

Na de Tweede Wereldoorlog is Chaplin in opspraak geraakt. Als prominent doelwit van de communisten hatende senator Joseph McCarthy ziet Chaplin zich gedwongen om in 1952 de Verenigde Staten de rug toe te keren. Twintig jaar later pas zal hij terugkeren om een Oscar voor zijn oeuvre in ontvangst te nemen. Eerste kerstdag 1977 sterft hij in zijn slaap, thuis in Zwitserland.

Twee jaar voor zijn dood pas werd hij door koningin Elisabeth tot ridder van zijn geboorteland geslagen. De Britse aarzelingen waren niet alleen terug te voeren tot zijn vermeende afzijdigheid in de Eerste Wereldoorlog, zijn sympathie voor linkse politiek en zijn agnostische levenshouding, maar vooral ook tot zijn voorliefde voor jonge meisjes. Elf kinderen zijn uit vier huwelijken voortgekomen. Een veelvoud daarvan moet het aantal buitenechtelijke relaties van Chaplin zijn geweest.

***

In het laatste oorlogsjaar, 1918, brengt de Amerikaanse filmindustrie twee belangrijke propagandafilms voort. D.W. Griffith produceert Hearts of the World, dat zich afspeelt in een door Duitsers geteisterd Frans dorpje. De andere klassieker is Shoulder Arms, van Charlie Chaplin. Het is een waagstuk. Filmproducer Cecil. B. DeMille heeft hem gewaarschuwd om van de oorlog geen lolletje te maken. Maar Chaplin durft het aan om de misère van de frontsoldaat met humor aan te lengen. Zo zien we hoe Charlie als doughboy zijn nest in de loopgraaf opzoekt. Het regent pijpenstelen. Het water is zo hoog gestegen dat van een snurkende kameraad alleen het gelaat en zijn tenen aan de oppervlakte komen. Een dikke pad rust uit op zijn rechtervoet. Charlie vist dan zijn kussen uit het water en probeert een uiltje te knappen. Hij grijpt de toeter van een grammofoon om onder water slapend door te kunnen ademen.

Het was dus toch mogelijk: film die de bitterste werkelijkheid overtrof.