257 Albert Einstein en de wijsvinger in de haarlok (zondag 25 mei 1919)

Albert Einstein

Albert Einstein

De Engelse wetenschapper Arthur Eddington reist in mei 1919 naar het West-Afrikaanse eiland Principe af om met foto’s van een zonsverduistering de relativiteitstheorie van Albert Einstein te bewijzen. Het wordt een sensatie. De oorlog heeft alle waarden van de menselijke beschaving in twijfel getrokken, maar die van het heelal blijken ook relatief te zijn.

Volgers van Veertien Achttien ontvangen deze aflevering per mail (doc + mp3).

Advertisements

236 Ludwig Wittgenstein en de logica van de loopgraven (zondag 29 december 1918)

Ludwig Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein

Obsessief geniaal, in de lijn van de familie, was Ludwig Wittgenstein, die zijn Tractatus Logico-Philosophicus in de Oostenrijkse loopgraven uitwerkte, zoals hij zijn eigen mortier construeerde uit een boomstam met bronzen draad eromheen gewikkeld.

De logica van de loopgraven

De dood die de Oostenrijkse Rittmeister Kurt Wittgenstein tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog aan het Italiaanse front vond, moet hij zelf opgezocht hebben. Maar waarom en hoe hij op 40-jarige leeftijd een eind aan zijn leven heeft gemaakt, zal altijd een mysterie blijven. Zijn lichaam is ook nooit teruggevonden.

Veertien jaar eerder, in 1904, ging zijn jongere broer Rudolf aan een tafeltje zitten in een restaurant in Berlijn, waar hij scheikunde studeerde. Hij vroeg de pianist om het lied ‘Verlassen, verlassen, verlassen bin ich’ en strooide toen wat kaliumcyanide door zijn melk. Snel maar gruwelijk trad de dood in.

Twee jaar dáárvoor weer ondernam Hans Wittgenstein, van al zijn muzikale broers en zussen nog het meest getalenteerd, een boottocht in Chesapeake Bay. Hij keerde niet terug. In Amerika had Hans zich ver weg geweten van zijn dominante, perfectionistische vader, die zijn kinderen thuis hield, waar hij ze beter dan op school meende te kunnen uitrusten voor een industriële loopbaan. Na de verdwijning van Hans ging zijn vader hem doodzwijgen. De rampspoed binnen het even begaafde als verdoemde gezin ging daarmee echter niet liggen. Zie Rudolf, zie Kurt.

Steenrijk was de vader, Karl Wittgenstein. De Oostenrijker stond bekend als de ‘Andrew Carnegie van Oost-Europa’. Met zijn Amerikaanse evenknie was hij ook bevriend. In twee decennia tijd had Wittgenstein een imperium uit ijzer en staal opgetrokken om zich op z’n 52e al terug te kunnen trekken in zijn ‘Paleis Wittgenstein’. Hij manifesteerde zich daar als een mecenas voor de Weense kunst. Gustav Klimt schilderde een van de dochters, Margarethe, bij gelegenheid van haar huwelijk. De oude Johannes Brahms, Bruno Walter, Clara Schumann, Gustav Mahler en Pablo Casals – al die groten uit de muziek kwamen bij de Wittgensteins over de vloer. De moeder des huizes, Leopoldine, was zelf ook een virtuoze pianiste.

Obsessieve genialiteit was de norm in het gezin. Ludwig, de benjamin onder de acht kinderen, ving er al vroeg een glimp van op in het holst van de nacht. Wakker gemaakt door pianospel daalde Ludwig de trap af. Onbespied keek hij toe hoe zijn oudere broer Hans als een bezetene achter de piano tekeer ging. Voor een flirt met de dood, waartoe zijn drie oudere broers zich lieten verleiden, zou ook Ludwig Wittgenstein ontvankelijk blijken. De man die door velen beschouwd wordt als de meest invloedrijke en oorspronkelijke filosoof van de twintigste eeuw, worstelde zijn leven lang met suïcidale gedachten.

Als kind spreidde Ludwig vooral een mechanische passie tentoon. Op z’n tiende fabriceerde hij al een naaimachine van houten stokjes. Zijn prestaties op school waren dan weer niet geweldig. Spellen met name was dramatisch: de jongen had dyslexie. Hij gold als een buitenbeentje, die stotterend Hoogduits sprak. Ludwig stond erop dat andere kinderen hem met ‘Sie’ aanspraken.

Toen zijn vader eindelijk van zijn principe afstapte en Ludwig naar school liet gaan, was het voor de jongste van het stel te laat om nog tot het gymnasium in Wenen toegelaten te kunnen worden. In Linz bezocht hij daarom de Staatsoberrealschule. De meeste leraren daar waren geestelijk gestoord, zo ging een van de andere leerlingen zich herinneren. Dat was Adolf Hitler, zes dagen ouder dan Ludwig Wittgenstein. Ze zaten niet in dezelfde klas – Hitler liep een jaar achter, Wittgenstein een jaar voor – en de theorie van de Australische auteur Kimberley Cornish dat Auschwitz terug valt te voeren tot een ruzie tussen beiden op het schoolplein, is ronduit bespottelijk. Drie van Ludwigs grootouders waren van Joodse komaf, maar de kinderen Wittgenstein werden gedoopt in overeenstemming met het katholieke geloof van moeder.

Ludwig begon een studie mechanica in Berlijn en raakte al snel geïnteresseerd in de luchtvaarttechniek, die hem in 1908 naar Manchester voerde. Hij slaagde erin een patent aan te vragen voor een nieuw type propeller. Zijn belangstelling voor wiskunde begon inmiddels de overhand te krijgen. Inspiratiebron waren de studies van Gottlob Frege en Bertrand Russell. Bij die laatste meldde hij zich in het Cambridge van het jaar 1911. Russell onderkende meteen het genie in Wittgenstein. ‘I love him en heb het gevoel dat hij alle problemen op zal lossen waarvoor ik te oud ben’, heeft Russell verzucht.

In 1913 stierf vader Karl Wittgenstein. Zijn zoon Ludwig kreeg de beschikking over een fortuin, waarvan hij een deel schonk aan schrijvers als Rainer Maria Rilke en Georg Trakl. Wittgenstein trok zich terug in een dorpje in Noorwegen, waar hij zich aan notities over logica zette. Aan de universiteit in Cambridge bleek men niet onder de indruk. De verontwaardiging daarover week bij Ludwig al snel voor de vervoering om als vrijwilliger in het leger van Oostenrijk-Hongarije te gaan dienen. Zijn oudste zuster Hermine zou in haar ‘Familieherinneringen’ schrijven dat niet enkel patriottisme Ludwig dreef, maar ook het verlangen iets moeilijks op te pakken buiten het intellectuele domein.

Zijn twee jaar oudere broer Paul meldde zich ook aan het front. Het eerste oorlogsjaar kwam hij niet ongeschonden door. Hij verloor zijn arm en werd door de Russen gevangen genomen. Na de oorlog zette de eenarmige Paul Wittgenstein zijn loopbaan als pianist voort. Maurice Ravel zou voor hem het ‘Concert voor de linkerhand’ – in D Majeur – gaan componeren. Paul Wittgenstein week in 1931 te Wenen eigenzinnig van de partituur af. Ravel zou het hem nooit vergeven.

Ludwig Wittgenstein ving de oorlog aan op een patrouilleboot op de Weichsel. Hij raakte bij een explosie gewond. Na zijn herstel diende hij op een legertrein in de buurt van Lvov. De klappen van het Broesilov Offensief ving hij in 1916 op. Januari 1917 werd hij als onderdeel van een regiment met houwitzers naar het Russisch front gestuurd. Ondanks zijn weerzin ertegen aanvaardde hij een officiersrang. Het laatste oorlogsjaar bekampte Ludwig Wittgenstein nabij het plateau van Asiago de Italianen. Daar construeerde hij zijn eigen mortier uit een boomstam met bronzen draad eromheen gewikkeld. Op 3 november 1918 namen de Italianen bij Trento een grote groep Oostenrijkers gevangen. Luitenant Ludwig Wittgenstein was een van hen.

De oorlog had hem niet alleen geweld gebracht. De filosofische notie van wat taal vermag, werkte hij in de loopgraven uit tot wat zijn beroemde Tractatus Logico-Philosophicus zou worden. Wittgenstein zag in een tijdschrift een tekening waarin de totstandkoming van een auto-ongeluk in stappen was weergegeven. Een zin, opgebouwd uit woorden, is zo’n zelfde plaatje van de werkelijkheid. Als woorden de namen van dingen zijn, dan is de gedachte een zin waarin die woorden zich op een betekenisvolle manier tot elkaar verhouden. Waar of niet waar, dat doet er niet toe. Zolang de voorstelling een stand van zaken kán zijn, dient taal de mens. Maar daarmee houdt het dan ook op.

Wat niet ís, wat geen ding is, maar een idee, kan ook niet gezegd worden. Pogingen daartoe zijn louter geleuter. ‘God’, ‘ziel’, ‘geest’ – dat zijn abstracties die zich semantisch niet laten temmen. Ethiek en esthetiek bewegen zich in mystieke sferen, waar de taal niet in door weet te dringen. Voilà, de zevende en meest geciteerde stelling uit de Tractatus van Wittgenstein: ‘Waar men niet over spreken kan, daarover moet men zwijgen.’

Tot augustus 1919 zat Wittgenstein opgesloten in een Italiaans kamp. Hij slaagde er met hulp van het Rode Kruis in om een kopie van zijn Tractatus op te sturen naar Russell en Frege in Engeland. ‘Abhandlung’ luidde de Duitse naam. Wittgenstein beschouwde het ook als het einde van zijn filosofische exercities: ‘De finale oplossing van de problemen’. Een uitgever bleek niet makkelijk te vinden. De ene vroeg een bijdrage in de drukkosten, de andere drong aan op wijzigingen in de tekst. Wittgenstein weigerde pertinent.

Eind december troffen Wittgenstein en Bertrand Russell elkaar in Den Haag. De Brit, die als pacifist de oorlog had getrotseerd, zag de oorlogsvrijwilliger Wittgenstein als een andere man terug. Mysticus en asceet was de Oostenrijker geworden. Een maand eerder had Wittgenstein in een brief aan Russell de opdracht gegeven om al zijn bezittingen, ook de dagboeken en manuscripten, in Cambridge te verbranden. Van zijn familie nam hij geen geld meer aan.

Russell toonde zich bereid om een inleiding tot de Tractatus te schrijven en zo de kansen op publiceren te verhogen. Maar Wittgenstein leek het wel te geloven en nam in augustus 1920 een betrekking aan als tuinman in de abdij van Klosterneuburg, nabij Wenen. Een maand later vestigde hij zich als onderwijzer op een lagere school in een Oostenrijks bergdorpje. In brieven aan Russell schreef hij met onverholen dedain over de dorpelingen. ‘Het valt me zwaar met mensen te leven. Het zijn alleen niet echt mensen, eerder een kwart dier en driekwart mens.’

Wittgenstein was een inspirerende leraar voor de bollebozen, maar een bullebak voor de kneuzen. Hij deelde oorvijgen uit en trok aan haren, ook die van meisjes, maar ontkende glashard als hij daarvoor ter verantwoording werd geroepen. In 1926 deed zich een incident voor waarmee hij niet weg kwam. Josef Haidbauer, een 11-jarige jongen, zou bewusteloos zijn geraakt na een uithaal van Wittgenstein. Die pakte als onderwijzer zijn biezen, maar ontkwam niet aan verhoren van de politie. Tot een daadwerkelijke vervolging kwam het niet, mogelijk door inspanningen van zijn welgestelde familie.

Wittgenstein wist daarna in Cambridge alsnog tot grote academische hoogten te stijgen. Bij zijn terugkeer in 1929 schreef de econoom John Maynard Keynes aan zijn vrouw: ‘Wel, God is aangekomen. Ik heb hem ontmoet in de trein van 5.15 uur.’ Hij gaf twee middagen per week college. Soms riep hij midden in een betoog ‘een ogenblik, even nadenken!’ om minutenlang naar zijn handpalm te kijken. Na nog naar Noorwegen te zijn uitgeweken, was het in Cambridge dat Ludwig Wittgenstein in 1951 op 62-jarige leeftijd kwam te overlijden aan prostaatkanker – het eind aan een overwegend solitair bestaan. Geen van zijn relaties met mannen was tot een langdurige verbintenis uitgegroeid.

Wittgenstein is nog naar Neder-Oostenrijk teruggekeerd om vergiffenis te vragen aan de kinderen die hij zo hardhandig had aangepakt. Hoe hebben de kinderen gereageerd op de boetedoening van hun geleerde onderwijzer van weleer? Wel, Hermine Piribauer schijnt het volgende antwoord te hebben gegeven: ‘Ja ja’.

073 Sigmund Freud en de driften van Eros en Thanatos (zondag 14 november 1915)

De oorlog brengt de Weense psychiater Sigmund Freud op het thema van de vergankelijkheid. ‘Voorbij het lustprincipe’ gaat Freud op zoek naar de menselijke neiging tot destructie. Maar in een essay uit 1915 toont hij zich ook hoopvol: ‘We zullen alles opbouwen wat de oorlog vernietigd heeft en misschien op een stabieler en duurzamer fundament.’

De driften van Eros en Thanatos

In het onderbewuste krijgt de dood geen kans. Een mens wil er simpelweg niet van weten. Verdringt zijn einde. Onsterfelijk waant, ten diepste, ieder mens zich. Maar voor de dood van een ander geldt dat niet. Die is heel goed voorstelbaar. 

Het zijn dergelijke bespiegelingen die het collectieve sterven van ’14-‘18 bij de Weense psychiater Sigmund Freud losmaakt. In het decennium voor de oorlog heeft zijn psychoanalyse school gemaakt. Met Eros, de seksueel geladen levensdrift, meende hij de menselijke geest ontsloten te hebben. Nu krijgt hij oog voor die andere drift, de doodsdrift, die Thanatos zal worden genoemd. In ieder mens sluimert het verlangen naar de staat van rust die aan zijn bestaan vooraf is gegaan, zo is Freud gaandeweg de oorlog gaan beseffen.

Getraumatiseerde soldaten uit de Grote Oorlog zullen Freud ook ‘voorbij zijn lustprincipe’ gaan voeren. Als de mens uit is op maximalisatie van zijn geluk, het botvieren van zijn lusten dus, hoe kan het dan verklaard worden dat die arme drommels keer op keer door diezelfde hel trekken? Achter al dat herbeleven van gruwelen kan Eros onmogelijk schuilgaan. Het moet Thanatos zijn.

Doods- en levensdrift sluiten elkaar niet uit, meent Freud. Ze zijn wel in conflict met elkaar. Eros kan Thanatos beteugelen door diens agressie naar buiten te richten. Het verlangen naar de eigen dood keert zich zo tegen de ander. Agressie. Destructie. En uiteindelijk ook oorlog, zodra het korstje van de beschaving open is gekrabd; het ‘narcisme van de geringe verschillen’ de overhand krijgt; de mens tot zijn primitieve staat is teruggekeerd; en er geen rem meer op het onderbewuste staat. 

In het leven van alledag laat de oorlog Freud ook niet onberoerd. Zijn zonen worden voor het leger opgeroepen. Geen van de vier zal sneuvelen, behalve dan in een boze droom van hun vader, zoals die door hemzelf beschreven is. Voor de oorlog heeft hij het oedipuscomplex opgetrokken: een man staat zijn vader naar het leven. Maar in die droom over zijn gedode zonen herkent hij nu, via het spiegelbeeld, een andere, verborgen impuls: ‘De afgunst om de jeugd die door de ouderen wordt gevoeld.’ 

Zes kinderen heeft Freud gehad. De twee jongste, de meisjes, waren hem het liefst. Freud, de grote zielenvorser, stond niet bekend om empathie. Maar als zijn zondagskind, Sophie, in 1920 aan de Spaanse griep komt te overlijden, treedt een rouw in die hij negen jaar later liefdevol zal beschrijven: ‘Wat ook de plaats van dit verdriet in mag komen nemen, het blijft, ook als het die plaats volledig opvult, toch iets anders. En zo hoort het te zijn. Het is de enige manier om een liefde vol te houden die we niet op willen geven.’

Bij het uitbreken van de oorlog is hij nog vooral bezig met de pijnlijke breuk binnen zijn beweging. Híj, niemand anders, is de schepper van de psychoanalyse. Freud duldt het niet dat nota bene zijn gedoodverfde troonopvolger, de Zwitser Carl Gustav Jung, zijn cruciale theorie over seksuele verdringing als oorzaak van psychische stoornissen in twijfel trekt. In 1913, op een congres in München, is het conflict tussen meester en leerling uitgebarsten.

De oorlog verhoedt dat Freud in het openbaar de degens met zijn sceptici kan kruisen. De voorbereidingen voor een nieuw psychoanalytisch congres in Dresden moeten gestaakt worden. Terwijl er toch alle reden is om juist nu op zoek te gaan naar de oorzaken van waanzin, verstomt het psychiatrisch debat in Europa. ‘Zelfs de wetenschap heeft haar onverstoorbare onpartijdigheid verloren’, schrijft Freud. ‘Haar diep verbitterde dienaren zoeken bij de wetenschap de wapens om hun bijdrage te leveren aan de strijd tegen de vijand. De antropoloog voelt zich verplicht de tegenstander inferieur en ontaard te noemen, de psychiater om bij hem een mentale of psychische stoornis vast te stellen.’

Ook op de trap van Berggasse 19 in Wenen wordt het akelig stil. Opgedroogd is de gestage stroom van bemiddelde maar zenuwzieke patiënten, op weg naar de divan die dokter Freud met een Perzisch tapijt heeft omhangen. In het voorjaar van 1915 becijfert Freud dat de oorlog hem al 40.000 kronen heeft gekost. In de behandelkamer staren de antiquiteiten, minutieus verzameld gedurende lange tijd, de dokter aan. Er zijn veel studies gewijd aan de verzamelwoede van Sigmund Freud, maar iedere drift erachter lijkt betwistbaar.

In ‘De Duizelingwekkende Jaren’ plaatst Philipp Blom de dubbelhartige moraal van het vooroorlogse Wenen in het perspectief van Freuds leer van het bewuste en het onderbewuste. Dit was geen stad van universele waarden, maar van rivaliserende talen en nationalistische twisten, waarin ook Sigmund Freud, goddeloze zoon van orthodox-joodse ouders, zich thuis wist achter de façades waarmee de Habsburgers hun verval wisten te markeren; een valse schijn waaraan de oorlog een eind ging maken.

Zijn afschuw over de oorlog heeft niet lang op zich laten wachten, maar ook Freud beleefde de extase waarin de julicrisis van 1914 uitmondde. ‘Gans mijn libido behoort Oostenrijk-Hongarije toe’, heeft hij op geheel eigen wijze uitgeroepen. En op 26 juli 1914 schreef hij een vriend: ‘Ik voel mij misschien voor het eerst sinds dertig jaar een Oostenrijker en wil het nog één keer met dit weinig hoopvolle rijk proberen. De stemming is overal uitstekend.’

Op 22 september 1914 is Freud alweer bij zijn zinnen. In een brief aan een vriend schrijft hij over het zoontje van zijn dochter Sophie: ‘Mijn kleinzoon is een vriendelijk kereltje, die erin slaagt onbedaarlijk te lachen als iemand aandacht aan hem besteedt; het is een fatsoenlijk, beschaafd schepsel, wat dubbel waardevol is in deze tijden van ongebreidelde bestialiteit.’

November 1915 werkt Freud aan een kort essay dat pas een jaar later zal verschijnen. Hij noemt het ‘Vergankelijkheid’. Het begint als volgt: ‘Niet zo lang geleden vertrok ik voor een zomerse wandeling door een lieflijk landschap in het gezelschap van een zwijgzame vriend en een jonge maar al beroemde dichter.’

Grote kans dat Freud hier een droom beschrijft. De wandeling heeft waarschijnlijk nooit plaatsgevonden, maar het wordt aangenomen dat de karakters wel uit Freuds leven zijn gegrepen. Het zwijgzame type is dan Lou Andreas-Salomé, een vrouw met opmerkelijke contacten. Als psychoanalytica maakt ze deel uit van de beweging van Freud, maar ze onderhoudt ook een liefdesrelatie aan met de veel jongere dichter Rainer Maria Rilke, het andere personage uit de vergankelijkheidsvertelling van Freud. Beiden, de zwijgzame Salomé en de beroemde Rilke, staan onder de invloed van het gedachtegoed van Friedrich Nietzsche. Salomé heeft ook een stormachtige liefdesrelatie gehad met de filosoof die God voor Dionysius inruilde om op de drempel van de twintigste eeuw in volstrekte waanzin te sterven.

Meedogenloos heeft Nietzsche afgerekend met de christelijke cultuur. ‘God is dood en wij hebben hem vermoord’, luidde zijn necrologie van het westerse avondland. Maar als God dood is, wat voor leven blijft er dan voor de mens over? Het is die vraag waarmee Freud de jonge Rilke laat tobben in dat lieflijk landschap. Freud vervolgt: ‘De dichter bewonderde de schoonheid van het decor om ons heen, maar hij kon er geen vreugde in scheppen. Het verwarde hem dat al dat mooie tot verval gedoemd was, dat het met de winter zou verdwijnen, net als de menselijke schoonheid en alle schoonheid en pracht die de mens tot stand heeft gebracht of scheppen zal.’ 

Het is de vergankelijkheid die de dichter naar de keel grijpt, maar een denker als Freud weet haar wel naar zijn hand te zetten. Natuurlijk, het tijdelijke laat zich ook door hem niet ontkennen. Maar voor Freud stijgt de waarde van schoonheid juist naarmate de tijd korter is om ervan te genieten. Zijn gezelschap, ziet hij dan in, verzet zich voortijdig tegen het rouwen om wat verloren is gegaan. En rouw is voor de man van de wetenschap een raadselachtig verschijnsel. Bij verlies komt libido vrij, zet Freud uiteen, het vermogen om lief te hebben. Het is vrij om terug te keren naar het eigen ego of een ander object, maar de libido blijft zich pijnlijk vastklampen aan wat al weg is. Waarom toch? 

Het is op dit punt dat Freud de oorlog oppakt die de volgende zomer zou komen. Hij schrijft: ‘De oorlog vernietigde niet alleen de schoonheid van het landschap waar hij doorheen trok en uitingen van kunst die hij op zijn pad tegenkwam, maar het verbrijzelde ook onze trots op de verworvenheden van onze beschaving, onze bewondering voor zo veel filosofen en kunstenaars en onze hoop op een finale triomf over de verschillen tussen naties en rassen. Hij bezoedelde de verheven onpartijdigheid van onze wetenschap, hij onthulde onze instincten in al hun naaktheid en ontketende in ons de kwade geesten, die we voorgoed getemd hadden gedacht tijdens eeuwen van onophoudelijke studie door de nobelste geleerden. De oorlog maakte ons land weer klein en zette de rest van de wereld op grote afstand. Hij beroofde ons van alles wat we lief hadden en toonde ons hoe efemeer al die zaken zijn die wij voor onveranderlijk hielden.’

Overmand door melancholie zou een dichter het daarbij laten. Zo ongeveer is het ook gegaan met Rainer Maria Rilke, die tijdens de Grote Oorlog onder de wapenen werd geroepen. Zijn ervaringen als dienstplichtige waren zo ingrijpend dat hij lange tijd daarna als dichter zweeg. Maar Freud breit een happy end aan zijn essay, dat ook wel zijn ‘requiem’ is genoemd: ‘Hoe pijnlijk ook, rouw komt, zo weten we, tot een spontaan einde. Als hij alles wat verloren is gegaan heeft losgelaten, heeft hij zichzelf verteerd en is ons libido opnieuw vrij – voor zover we nog jong en actief zijn – om de verloren objecten te vervangen door nieuwe, die even dierbaar zijn of zelfs dierbaarder. Het is te hopen dat hetzelfde geldt voor de verliezen van deze oorlog. Als het rouwen voorbij is, zal blijken dat onze hoge achting van de schatten van de beschaving niets te lijden heeft onder de ontdekking van hun kwetsbaarheid. We zullen alles opbouwen wat de oorlog vernietigd heeft en misschien op een stabieler en duurzamer fundament.’ Dat klinkt nog hoopvol, maar in de naoorlogse jaren zal Freud zich als een cultuurpessimist laten kennen.

Invloedrijk zijn de theorieën van Sigmund Freud beslist geweest, maar vandaag de dag zijn ze eerder omstreden. De filosoof Karl Popper, een andere Wener, was het die op grond van zijn gezaghebbende falsificatietheorie Freud naar het domein van de non-wetenschap verwees. Wat niet weerlegd kan worden, aldus Popper, kan niet serieus worden genomen. De dromen van Sigmund Freund, ‘de charlatan van Wenen’, blijven bedrog voor de ware wetenschapper.

Pijnlijk is ook zijn eigen levenseind geweest. Sigmund Freud was in de Eerste Wereldoorlog al een man op leeftijd, maar hij zou pas in de eerste maand van de Tweede Wereldoorlog sterven. Een jaar van tevoren had hij vanwege het toenemend antisemitisme Wenen moeten inruilen voor Londen. De laatste zeventien jaar werden getekend door kanker. Rechterbovenkaak en verhemelte moesten verwijderd worden bij Freud, die zijn leven lang een verstokt roker van sigaren bleef. Een dertigtal operaties heeft Freud moeten ondergaan. September 1939 is de pijn ondraaglijk geworden. ‘Het is niets dan marteling en het heeft geen zin meer’, schrijft hij zijn dokter, die hem op verzoek drie doses morfine toe zal dienen. Sigmund Freud heeft gekozen voor euthanasie, voor ‘de goede dood’.