197 Ferdinand Foch en de wapenstilstand van twintig jaar (zondag 31 maart 1918)

Ferdinand Foch

Het Duitse Voorjaarsoffensief van 1918 dwingt Britten en Fransen om hun strategie in één hand te leggen: die van Ferdinand Foch. De generalissimo mag de oorlog voeren, maar de vrede niet maken. ‘Dit is geen vrede’, zal hij voorspellen, ‘dit is een wapenstilstand voor twintig jaar.’

 

125 Bernard Freyberg en twee vuile vingers in een wond (zondag 12 november 1916)

Commandant van de Nieuw-Zeelandse troepen in WOII, had Bernard Freyberg aan WOI al een heldenstatus overgehouden. Zijn zwempartij naar Gallipoli, zijn doodsverachting aan de Somme, zijn verovering op 11 november 1918: perfect cv voor een VC.

107 Sir Henry Rawlinson en de gok op het onbeperkt offensief (zondag 9 juli 1916)

Zijn vader stond aan de basis van de assyriologie en ontcijferde het spijkerschrift. Maar de wrede Assyriërs van vaderlief zouden met stomheid zijn geslagen door de Grote Oorlog, waaraan de zoon deelnam. Vooral bekend als de man van de ‘first day on the Somme’ mocht sir Henry Rawlinson uiteindelijk in vrede sterven na een potje cricket en polo.

105 Wilfred Nevill en de Grote Europacup Finale (zondag 25 juni 1916)

Zestigduizend man speelden de Britten kwijt op 1 juli 1916, de eerste dag van de Slag aan de Somme. In het eerste uur van de aanval liet ook captain Wilfred Nevill het leven. Door zijn jongens achter vier voetballen in het niemandsland aan te sturen, maakte hij van het slagveld een speelveld.

De Grote Europacup Finale

‘On through the hail of slaughter where gallant comrades fall
Where blood is poured like water they drive the trickling ball.
The fear of death before them is but an empty name.
True to the blood that bore them the Surreys play the game.’

Een voetbal als een druppel in een poel van bloed. Mannen die de doodsangst niet eens bij naam noemen, terwijl hun kameraden op galante wijze om hen heen vallen. Omdat het in hun bloed zit, spelen die van Surrey hun wedstrijd.

Zo verhaalde al in de oorlog een parmantig vers in de Daily Mail over de voetnoot die het achtste bataljon van het East Surrey Regiment plaatste op 1 juli 1916. Het was de dag waarop het Britse leger zijn Big Push aanving, na een week de Duitse loopgraven achter de Somme omgeploegd te hebben met anderhalf miljoen granaten, de bergen aan blindgangers weliswaar inbegrepen.

Een van de mannen die op 1 juli ‘over the top’ gingen, was captain Wilfred Percy Nevill, die ze thuis Bill of Billie noemden. Nevill was een onstuimig officier, die graag op de firestep van zijn loopgraaf mocht gaan staan om de Duitsers eens goed uit te kunnen schelden. Hij was twintig toen hij gehoor gaf aan de oproep van Lord Kitchener om het vaderland te dienen. In de elf maanden die hij in de loopgraven van Picardië doorbracht, schreef hij meer dan tweehonderd brieven aan de achterblijvers thuis. Citaat uit één zo’n brief, gericht aan zijn moeder: ‘Mag ik van de gelegenheid gebruik maken te zeggen hoe fantastisch u bent in het toezenden van precies dát wat ik vraag, in plaats van iets waarvan u gedacht zou hebben dat het me wel van pas kwam.’

Billie kwam uit een warm nest vol zussen en broers. Welvarend en christelijk waren ze thuis. Uit het bijbelboek van Jozua haalde hij zijn leidraad: ‘Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.’ Zijn vader overleed toen Billie pas negen jaren telde, maar voor het overige was zijn jeugd onbekommerd geweest. Op school blonk hij uit in cricket en hockey. Maar aan de klassieke opleiding die hij ging volgen aan het Jesus College in Cambridge, kwam na een jaar al een eind. Ineens was de oorlog daar en ook Wilfred Nevill wou van de partij zijn.

Eenmaal in Frankrijk bekwaamde hij zich in paardrijden en maakte hij zich de Franse taal meester. Z’n contactuele vaardigheden hielpen hem snel promotie te maken. ‘Het is zeldzaam, zelfs in het leger, dat een man de liefde wint van zijn metgezellen, maar onze gevoelens voor Capt. Nevill gingen dieper dan die van bewondering en er was geen man in het bataljon die hem níet overal gevolgd zou hebben’, schreef een sergeant aan de moeder van Billie Nevill. Er was een aanleiding voor die brief. Kapitein Nevill had al in het eerste uur van de Slag aan de Somme het leven gelaten.

Niet lang nadat Nevill uit zijn loopgraaf was geklommen, vond een Duits machinegeweer hem. Maar het is niet daarom dat hij nog altijd herinnerd wordt. Honderden mannen per minuut stortten ter aarde in die vroege zaterdagochtend, door de dichter Siegfried Sassoon omschreven als ‘the kind commonly called heavenly’. De dood van Neville was niets bijzonders. Hij leeft voort door de vier voetballen die hij van verlof in Engeland mee had genomen: voor elk van zijn pelotons één. Nevill ging er het vuur in zijn mannen mee aanwakkeren. Wie als eerste zijn bal in een Duitse loopgraaf wist te trappen, wachtte een prijs. Eén peloton voorzag zijn bal van dit opschrift: ‘The Great European Cup. The Final. East Surreys v Bavarians. Kick Off at Zero’. Op een andere bal kwam ‘No referee’ te staan: ‘Geen scheidsrechter’.

Half acht in de ochtend was zero hour. Officieren die op hun horloge keken. Kopjes navy rum die uitgedeeld werden. Mannen die elkaar voor hun ladders de hand drukten in een gewijde stilte. En dan: het schrille geluid van een fluitje. Wat bracht die jongens ertoe om de veiligheid van hun loopgraaf te verlaten? Kameraadschap? Niet voor elkaar onder willen doen? Of het besef dat er nu eenmaal niets anders op zat? Een deserteur kreeg de kogel.

Billie Nevill heeft zelf de aftrap verricht, staat her en der te lezen. Maar een auteur als Malcolm Brown spreekt dat met klem tegen. Dit ooggetuigenverslag komt van een soldaat uit een aanpalend regiment: ‘Terwijl het kanonvuur wegstierf, zag ik een infanterist over de borstwering in het niemandsland klimmen, anderen wenkend om hem te volgen. Ondertussen trapte hij tegen een bal; een goede trap, de bal klom en legde een heel stuk af in de richting van de Duitse linie.’

Het bataljon van Nevill had Montauban als mikpunt. Aan het eind van de voor de Britten zo desastreus verlopen dag was de verovering van dat plaatsje een van de weinige lichtpunten. De eerste van de 141 dagen die de Slag aan de Somme ging duren, kostte de Duitsers 8000 verliezen, tegen 60.000 voor de Britten, waarvan 20.000 doden.

Het stroomgebied van de Somme was al tijdens de conferentie in Chantilly, december 1915, voor een geallieerd offensief uitgekozen. Belangrijkste reden, met name voor de Franse opperbevelhebber Joseph Joffre, was dat in dit overlapgebied de Britten wel gezamenlijk met de Fransen op moesten gaan trekken. Maar naarmate de Fransen in de loop van 1916 steeds dieper wegzakten in de hel van Verdun, verwijdde het Britse front zich vanaf Ieper helemaal tot aan het moerassige Somme-dal vlakbij Péronne. Verdun is er dan ook de reden van dat de ‘Somme’ vooral een Britse aangelegenheid is geworden. Van de veertig door Joffre geplande divisies aan Franse zijde hebben zich er op 1 juli maar vijf in de strijd gestort. Die vijf hebben het er overigens stukken beter vanaf gebracht dan de Britse eenheden.

Als Douglas Haig en zijn stafofficieren al niet schuldig zijn geweest aan de zwartste dag uit de militaire geschiedenis van Groot-Brittannië, dan toch zeker het landschap. De Duitsers zetelden sinds 1914 hoog en droog op krijtheuvels, waartegen de Britse soldaten zich met hun 35 kilo zware bepakking omhoog moesten worstelen. Velen hebben zich afgevraagd waarom de Britten zich die onmogelijke omstandigheden op hebben laten dringen. Maar ook hun suïcidale strijdwijze mocht verbazing wekken. Waarom niet de pijlen gericht op de zwakke plekken in de Duitse verdediging in plaats van een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van de aanval? Die kritiek staat zelfs in de British Official History, de toch tamelijk onderkoelde geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog, waarvan de 28 delen tussen 1923 en 1949 verschenen. Het antwoord op de prangende vraag hebben de legerhistorici erbij geleverd. De problemen die het slaan van een semi-beleg en het concentreren van artillerie met zich meebrachten, waren voor de oorlog nu eenmaal geen onderwerp van studie geweest.

Het optimisme van de Britse staf had trekken van carrièrejacht, zelfbedrog en blinde loyaliteit, typeert historicus Basil Liddell Hart, zelf overigens een veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Liddell Hart haalt het voorbeeld aan van een legercommandant die zich zei te voelen als ‘Napoleon voor de Slag bij Austerlitz’. Een generaal als Sir Henry Rawlinson zag het offensief voorbij de Somme als een kans om de vijand af te matten. ‘Zoveel mogelijk Duitsers doden met zo min mogelijk verliezen voor onszelf’, was zijn simpele filosofie. Maar Haig wou meer. Haig, van wie gezegd wordt dat hij de Schot is die de meeste Engelsen heeft gedood, achtte een doorbraak van het front mogelijk. Pas nadat de volle omvang van 1 juli tot hem doorgedrongen was, viel Haig terug op Rawlinsons concept van de uitputtingsstrategie.

Groot was het vertrouwen geweest in de oorverdovende artilleriebarrage, die een week lang de lucht had doen trillen en de Duitsers bijkans gek had gekregen. Maar de veerkracht van hun verdediging bleef bewaard in de diep uitgegraven schuilplaatsen. Het omgewoelde terrein vormde daarbij voor de oprukkende, Britse infanterist juist een extra handicap. Zo werd het met hun mitrailleurs prijsschieten voor de Duitsers, die de Britten zagen naderen in de hun voorgeschreven, trage tred – schouder aan schouder.

‘Als demonstratie van moed was het groots, als voorbeeld van tactiek doet de herinnering je huiveren’, luidde het commentaar achteraf van Sir Edward Spears, verbindingsofficier bij de Fransen. Een Duitse infanterist begreep er na afloop ook niets van: ‘Je hoefde niet te richten, we schoten gewoon op ze in. Hadden ze maar gerend, dan zouden we overlopen zijn.’ Het geweeklaag van stervende Tommies ging door merg en been. Een Britse rifleman werd in zijn rug geschoten en had nooit gedacht het nog na te kunnen vertellen: ‘Ik legde mijn hoofd op mijn armen en ging liggen om te sterven. Het enige wat ik kon denken was: stel je voor, meer dan vijftien maanden trainen voor dit.’

***

Zoveel jaren later gelden de ballen van Neville als de metafoor van de waanzin die de Grote Oorlog was. Wie in godsnaam maakt van een slagveld zijn speelveld? ‘Eigenlijk was die W.P. Nevill, als ik het goed begrijp, dus een ongelooflijke opportunistische sukkel zonder enige realiteitszin en is hij daarom een soort legende geworden’, liet een bezoeker van de site forumeerstewereldoorlog.nl achter. ‘Zo’n beetje het toppunt van naïviteit en daarom verworden tot curiositeit.’

Uniek was de voetbalwedstrijd van de East Surreys op 1 juli 1916 overigens niet. De bal die attaquerende Canadezen op 17 april 1917 naar de top van Vimy Ridge trapten, is nog altijd te bewonderen in een Canadees museum. Maar al voor Nevill, in 1915 bij Loos, was het een Londens regiment onder vuur dat een bal meenam in het niemandsland. Toch werd het partijtje van captain Nevill al snel na het wapenfeit in Engelse kranten ten tonele gevoerd als een uitzonderlijk display van sportsmanship en bravery.

In de jaren zeventig maakten de Vlaardingse dichter Lévi Weemoedt en programmamaker Rob van Olm voor de VPRO-radio een vierdelige serie over de Slag aan de Somme en de voetballen van captain Nevill in het bijzonder. Het werd een huiveringwekkende zoektocht, die de twee onder meer voerde naar het graf van Nevill op de begraafplaats van Carnoy, vlakbij de plaats waar hij viel. Ze vonden ook een van de vier ballen terug in een Engels museum. ‘Een soort meloen van aan elkaar genaaide lapjes leer’, beschreef Weemoedt het relikwie. Aan het eind van hun queeste wisten Weemoedt en Van Olm het zeker: ‘Oorlog was voetbal’.

092 Erich von Falkenhayn en vijf Fransen voor twee Duitsers (zondag 26 maart 1916)

De Fransen bij Verdun ‘weissbluten’: die kille strategie komt in 1916 uit de koker van de Duitse chef-staf Erich von Falkenhayn. Lang geniet hij het vertrouwen van de keizer, maar als Einzelgaenger moet Falkenhayn uiteindelijk het veld ruimen voor Hindenburg. Op een succesvolle campagne in Roemenie volgen nederlagen in Palestina en de spreekwoordelijke nachtkaars in Wit-Rusland.