172 Erwin Blumenfeld en matrassen van klam zeegras (zondag 7 oktober 1917)

Erwin Blumenfeld (arrest in Holland)

Au suivant! Next one! Der Nächste! Legers, het ene beter dan het andere, voorzien ook in vrouwen voor hun soldaten. Erwin Blumenfeld stond er achter het kasboek van een Duits veldbordeel.

159 Wilhelm van Pruisen en de hoefijzers van Wieringen (zondag 8 juli 1917)


‘De slachter van Verdun’. ‘Little Willy’. Het imago van de Duitse kroonprins was niet best. Toch kon Wilhelm van Pruisen enige realiteitszin niet ontzegd worden.

Met die afhangende schouders en dat lange gezicht van ‘m, waar een spitse neus uitstak, leek de kroonprins van Duitsland maar weinig op de ferme soldatenkoppen die hij in heroïsch houtskool schetste, kennelijk om de tijd aan het front in Frankrijk wat te doden. Als ‘Feldskizzen des deutschen Kronprinzen’ is er in 1918 nog een boekje van gekomen. Toen het Amerikaanse magazine LIFE in maart 1940 ook nog wat van die prenten van Wilhelm publiceerde, werden ze van zuinig commentaar voorzien: ‘Friedrich Wilhelm Viktor August Ernst von Hohenzollern tekende misschien iets beter dan Adolf Hitler, omdat hij betere leermeesters had.’ Na zijn verbanning naar Nederland schakelde Wilhelm over op het schetsen van ‘fat Dutch children and farm animals’, zo merkte LIFE nog snedig op.

De kroonprins speelde overigens ook aardig viool. Op 28 juni 1914 stond hij op het punt om het eigen gezin voor het avondeten op de Traümerei van Robert Schumann te onthalen, toen een telegram over de aanslag in Sarajevo zijn spel kwam verstoren. Hij sprak zijn talen daarbij naar behoren. Men kon al met al wel aan de kroonprins merken dat zijn overgrootmoeder, keizerin Augusta, nog paardje had mogen rijden op de knie van Johann Wolfgang von Goethe.

Wilhelm een fijnbesnaard type noemen, gaat dan weer veel te ver. In het heetst van de Zabern-affaire uit 1913 – Elzassers voelen zich geprovoceerd door Duitse militairen – moet Wilhelm het plaatselijk gezag de oplossing in een telegram hebben aangereikt: ‘Immer feste druff!’ Vrij vertaald ‘sla d’r op!’ Al is de kroonprins later gaan ontkennen die woorden gebezigd te hebben, ansichtkaarten met zijn beeltenis en daaronder de toverspreuk ‘Immer feste druff’ zouden gretig aftrek gaan vinden onder Duitsers die van zachte heelmeesters stinkende wonden zagen komen.

Van zijn onbesuisde imago is Wilhelm nooit losgekomen, al kon een zekere realiteitszin hem moeilijk ontzegd worden. ‘Wij hebben de oorlog verloren, hij zal nog een hele tijd duren, maar hij is al verloren’, vertrouwde hij na de Marne-slag in 1914 een stomverbaasde Amerikaanse correspondent toe. En ook in 1916, tijdens de Slag om Verdun, waarmee zijn naam onlosmakelijk is verbonden, moet hij de zaken al snel in het juiste perspectief hebben gezet. De kroonprins onderkende in elk geval eerder dan Erich von Falkenhayn, zijn militaire leermeester nota bene, dat het niets ging worden met het plan om de Fransen leeg te laten bloeden bij Verdun, door kroonprins Wilhelm het ‘hart van Frankrijk’ genoemd. Zijn wijsheid achteraf zag er als volgt uit: ‘Op de avond van 24 februari was het verzet van de vijand feitelijk gebroken. De weg naar Verdun lag open. Zo dicht bij de overwinning waren we! De vermoeidheid van onze troep na een enorme, militaire prestatie en het gebrek aan reserves kostte ons de overwinning. Ik uit geen beschuldiging. Ik noteer enkel het feit.’

‘Hij mag dan een onstuimige losbol zonder verantwoordelijkheidsgevoel zijn geweest, toch was hij onder dit mom begiftigd met een inzicht en een fundamenteel gezond verstand dat zijn vader stellig vreemd was’ , prijst historicus Alistair Horne. Dat gezond verstand van hem bracht de kroonprins uiteindelijk ook in conflict met de stafchef van zijn eigen leger, het Vijfde. Deze Konstantin Schmidt von Knobelsdorf, een spijkerharde militair, deinsde er niet voor terug achter de rug van de kroonprins om nieuwe aanvallen bij Verdun te beramen. Augustus 1916 wist Wilhelm zich eindelijk van zijn plaaggeest te ontdoen en twee maanden later kreeg hij ook het opperbevel over zijn eigen legergroep Deutscher Kronprinz. ‘Little Willy’, zoals de Britten hem plagerig waren gaan noemen, heeft echter nooit de soevereiniteit aan het front uit weten te dragen waartoe die andere kroonprins, Rupprecht van Beieren, wél in staat was.

Nu was Wilhelm door zijn vader ook de oorlog in gestuurd om precies dát te doen wat zijn ervaren stafchef hem aanraadde. De keizer had duidelijk geen hoge pet op van zijn opvolger. ‘Leer die jongen hoe hij op een paard moet zitten’, riep hij eens in het bijzijn van manschappen een brigade-generaal toe. Wilhelm junior was op dat moment al bijna dertig. ‘Als ik mijn vader persoonlijk over iets wens te spreken en bij hem toegelaten word, praat hij een uur lang over het een of het ander, en dan is de tijd voor het gesprek om; ik heb niet kunnen zeggen wat ik wilde. En als ik mijn gedachten op schrift stel, zendt mijn vader ze naar de desbetreffende bureaus.’

Juli 1917 slaagt hij er toch in om bij zijn vader een voet tussen de deur te krijgen. De keizer moet zijn door de militairen veel te liberaal bevonden kanselier, Theobald von Bethmann Hollweg, de laan uitsturen. Met dat doel voor ogen heeft de zoon van de keizer samengespannen met aartsconservatieve krachten, de militair Max Bauer en de politicus Kuno von Westarp vooral. Als Bethmann Hollweg inderdaad zijn biezen pakt, is de kroonprins euforisch.

Dat is hij ook in het voorjaar van 1918, als de Duitsers eindelijk door het front heen breken. Granaten van Krupp ploffen al op Parijs neer. De keizer zelf is niet van het front weg te slaan en ook zijn zoon kan het niet laten een groep Britse gevangenen triomfantelijk toe te spreken in onberispelijk Engels: ‘Binnen vijftien dagen zitten we in Londen. Hoera, de oorlog is bijna voorbij.’ Als de kroonprins, een verstokt roker, de Tommies wat sigaretten aanbiedt, bedanken ze voor de eer.

Vier maanden later, juli 1918, geeft de aanstaande keizer echter opdracht om achter het front een tweede verdedigingslinie op te werpen: een duidelijk teken dat hij het geloof in een Duitse opmars kwijt is geraakt. De Eerste Slag aan de Marne, september 1914, leidde een status quo aan het westelijk front in. De Tweede Slag aan de Marne eindigt in augustus 1918 als opmaat voor de Duitse nederlaag. In die eindfase van de oorlog wordt Wilhelm van Pruisen door een mengeling van eigen onmacht en een zekere compassie met zijn manschappen overmeesterd: ‘Geschreeuw om aflossing en rust bereikte me en maakte mijn onvermogen duidelijk dat ik niet tegemoet kon komen aan de op zichzelf gerechtvaardigde eisen.’

De keizer schrijft hem op 9 november 1918 een brief die begint met ‘lieve jongen’ en eindigt met ‘je zwaar vernederde vader’. De mededeling daartussenin luidt: ‘Omdat de veldmaarschalk niet langer mijn veiligheid garanderen kan, en omdat hij niet langer borg kan staan voor de loyaliteit van de troepen, heb ik besloten, na een lange innerlijke strijd, het ineengestorte leger te verlaten.’ De vernedering geldt ook de zoon: de Amerikaanse president Woodrow Wilson is niet bereid met de Duitsers over vrede te onderhandelen zolang de keizer, de kroonprins én Erich Ludendorff nog in het zadel zitten.

**

Vader en zoon gaan apart van elkaar in Nederland in ballingschap. Voor de zoon wordt het Wieringen: een eiland, boven de kop van Noord-Holland, waar hij nog nooit van heeft gehoord. Een stoomjacht moet hem ernaartoe brengen. Op de kade van Enkhuizen wordt ‘de slachter van Verdun’ uitgejouwd. In de mist lukt het de kapitein dan ook nog eens niet om Wieringen te vinden. De volgende dag is de Zuiderzee rustiger en wacht op Wieringen alsnog een zwijgzame menigte Wilhelm op, in contrast tot de ‘praatgrage reporters uit de gehele wereld en handige fotografen’ die ook zijn uitgerukt. Zijn lot deprimeert hem. Uit zijn op Wieringen geschreven memoires: ‘Als een gevangene, geminacht, beweegt men zich in deze kleine kring tussen mensen die somber, schuw wegkijken, als men ze passeert, die nieuwsgierig soms een blik wagen uit half gesloten ogen. Ik ben de bloedzuiger en kindermoordenaar – men is kwaad op de regering, die mij vrij laat rondlopen op dit eiland – die dit eenzame eiland zo’n overlast bezorgde.’

Maar de sfeer zal allengs vriendelijker worden. De smid van het eiland leert hem hoefijzers te smeden. En Wilhelm gaat op Wieringen verder met zijn favoriete passie, die hij ook achter het front in Frankrijk met verve na heeft gejaagd: meisjes zijn bed in praten. Hoeveel bastaardkinderen precies hij op Wieringen achter heeft gelaten, is onderwerp van speculatie gebleven. Zijn huwelijk met Cecilie, hertogin van Mecklenburg, is door al die seksuele escapades in elk geval zwaar op de proef gesteld.

Na vijf jaar verlaat hij met de stille trom Wieringen. Nu hij verklaard heeft geen aanspraak op de troon te zullen maken, mag hij zich in de Weimar Republiek vestigen. De jonge Wilhelm zint echter wel degelijk op restauratie van de monarchie, maar in 1932 is er ook sprake van dat hij het bij de rijkspresidentsverkiezingen namens de nationalisten op gaat nemen tegen Hindenburg en Hitler. Vanuit Doorn grijpt vader in: Wilhelm wordt onterfd als hij het waagt trouw aan de republiek te zweren. Zoonlief gehoorzaamt en gaat dan maar de kandidatuur van Adolf Hitler steunen.

Op 21 maart 1933 zal hij in zijn geboorteplaats ook op de foto gaan met Hitler, als de nazi’s de Dag van Postdam vieren om hun verbondenheid met het Duitse keizerrijk van weleer te demonstreren: een listig staaltje propaganda van Joseph Goebbels. Maar al snel wordt het Wilhelm gewaar dat de Führer het huis Hohenzollern in zijn Derde Rijk links laat liggen. Wilhelm trekt nog wel een SA-uniform aan; tot de NSDAP zal hij echter niet toetreden. In de Tweede Wereldoorlog gaat de Duitse legerleiding niet op zijn aangeboden diensten in. Hij knoopt gaandeweg de oorlog voorzichtig contacten aan met Hitler-opposanten uit het monarchistisch kamp, maar na de val van de nazi’s gaat Wilhelm in hun malaise delen. Marokkanen in Franse dienst rekenen hem op 4 mei 1945 in het Oostenrijkse Voralberg in. Op enkele weken gevangenschap volgt een jarenlang huisarrest. Weinigen denken dan nog aan de voormalige keizer in spe van Duitsland. In 1951 komt hij een hartinfarct niet te boven. Wilhelm van Pruisen is 69 jaar oud geworden.

**

Op Wieringen, dat Sint Helena van Holland, zijn de sterke verhalen over de kroonprins nog lang de ronde blijven doen. Zo deelde hij op een goede dag aan Wieringse schonen badpakken van papier uit en keek hij vervolgens geamuseerd toe hoe die in het water uiteenvielen. De schavuit.

097 Mata Hari en de benen gevouwen onder het lichaam (zondag 30 april 1916)

Wat kon een wereldberoemde naaktdanseres, afkomstig uit het Hoge Noorden van de Lage Landen, aan militaire geheimen doorspelen? Het zal allemaal wel meevallen met het hoogverraad van Mata Hari, is de verwachting, als de Franse archieven in 2017 aan de openbaarheid prijs worden gegeven. Ze stierf in elk geval met opgeheven hoofd voor het vuurpeloton.

073 Sigmund Freud en de driften van Eros en Thanatos (zondag 14 november 1915)

De oorlog brengt de Weense psychiater Sigmund Freud op het thema van de vergankelijkheid. ‘Voorbij het lustprincipe’ gaat Freud op zoek naar de menselijke neiging tot destructie. Maar in een essay uit 1915 toont hij zich ook hoopvol: ‘We zullen alles opbouwen wat de oorlog vernietigd heeft en misschien op een stabieler en duurzamer fundament.’

De driften van Eros en Thanatos

In het onderbewuste krijgt de dood geen kans. Een mens wil er simpelweg niet van weten. Verdringt zijn einde. Onsterfelijk waant, ten diepste, ieder mens zich. Maar voor de dood van een ander geldt dat niet. Die is heel goed voorstelbaar. 

Het zijn dergelijke bespiegelingen die het collectieve sterven van ’14-‘18 bij de Weense psychiater Sigmund Freud losmaakt. In het decennium voor de oorlog heeft zijn psychoanalyse school gemaakt. Met Eros, de seksueel geladen levensdrift, meende hij de menselijke geest ontsloten te hebben. Nu krijgt hij oog voor die andere drift, de doodsdrift, die Thanatos zal worden genoemd. In ieder mens sluimert het verlangen naar de staat van rust die aan zijn bestaan vooraf is gegaan, zo is Freud gaandeweg de oorlog gaan beseffen.

Getraumatiseerde soldaten uit de Grote Oorlog zullen Freud ook ‘voorbij zijn lustprincipe’ gaan voeren. Als de mens uit is op maximalisatie van zijn geluk, het botvieren van zijn lusten dus, hoe kan het dan verklaard worden dat die arme drommels keer op keer door diezelfde hel trekken? Achter al dat herbeleven van gruwelen kan Eros onmogelijk schuilgaan. Het moet Thanatos zijn.

Doods- en levensdrift sluiten elkaar niet uit, meent Freud. Ze zijn wel in conflict met elkaar. Eros kan Thanatos beteugelen door diens agressie naar buiten te richten. Het verlangen naar de eigen dood keert zich zo tegen de ander. Agressie. Destructie. En uiteindelijk ook oorlog, zodra het korstje van de beschaving open is gekrabd; het ‘narcisme van de geringe verschillen’ de overhand krijgt; de mens tot zijn primitieve staat is teruggekeerd; en er geen rem meer op het onderbewuste staat. 

In het leven van alledag laat de oorlog Freud ook niet onberoerd. Zijn zonen worden voor het leger opgeroepen. Geen van de vier zal sneuvelen, behalve dan in een boze droom van hun vader, zoals die door hemzelf beschreven is. Voor de oorlog heeft hij het oedipuscomplex opgetrokken: een man staat zijn vader naar het leven. Maar in die droom over zijn gedode zonen herkent hij nu, via het spiegelbeeld, een andere, verborgen impuls: ‘De afgunst om de jeugd die door de ouderen wordt gevoeld.’ 

Zes kinderen heeft Freud gehad. De twee jongste, de meisjes, waren hem het liefst. Freud, de grote zielenvorser, stond niet bekend om empathie. Maar als zijn zondagskind, Sophie, in 1920 aan de Spaanse griep komt te overlijden, treedt een rouw in die hij negen jaar later liefdevol zal beschrijven: ‘Wat ook de plaats van dit verdriet in mag komen nemen, het blijft, ook als het die plaats volledig opvult, toch iets anders. En zo hoort het te zijn. Het is de enige manier om een liefde vol te houden die we niet op willen geven.’

Bij het uitbreken van de oorlog is hij nog vooral bezig met de pijnlijke breuk binnen zijn beweging. Híj, niemand anders, is de schepper van de psychoanalyse. Freud duldt het niet dat nota bene zijn gedoodverfde troonopvolger, de Zwitser Carl Gustav Jung, zijn cruciale theorie over seksuele verdringing als oorzaak van psychische stoornissen in twijfel trekt. In 1913, op een congres in München, is het conflict tussen meester en leerling uitgebarsten.

De oorlog verhoedt dat Freud in het openbaar de degens met zijn sceptici kan kruisen. De voorbereidingen voor een nieuw psychoanalytisch congres in Dresden moeten gestaakt worden. Terwijl er toch alle reden is om juist nu op zoek te gaan naar de oorzaken van waanzin, verstomt het psychiatrisch debat in Europa. ‘Zelfs de wetenschap heeft haar onverstoorbare onpartijdigheid verloren’, schrijft Freud. ‘Haar diep verbitterde dienaren zoeken bij de wetenschap de wapens om hun bijdrage te leveren aan de strijd tegen de vijand. De antropoloog voelt zich verplicht de tegenstander inferieur en ontaard te noemen, de psychiater om bij hem een mentale of psychische stoornis vast te stellen.’

Ook op de trap van Berggasse 19 in Wenen wordt het akelig stil. Opgedroogd is de gestage stroom van bemiddelde maar zenuwzieke patiënten, op weg naar de divan die dokter Freud met een Perzisch tapijt heeft omhangen. In het voorjaar van 1915 becijfert Freud dat de oorlog hem al 40.000 kronen heeft gekost. In de behandelkamer staren de antiquiteiten, minutieus verzameld gedurende lange tijd, de dokter aan. Er zijn veel studies gewijd aan de verzamelwoede van Sigmund Freud, maar iedere drift erachter lijkt betwistbaar.

In ‘De Duizelingwekkende Jaren’ plaatst Philipp Blom de dubbelhartige moraal van het vooroorlogse Wenen in het perspectief van Freuds leer van het bewuste en het onderbewuste. Dit was geen stad van universele waarden, maar van rivaliserende talen en nationalistische twisten, waarin ook Sigmund Freud, goddeloze zoon van orthodox-joodse ouders, zich thuis wist achter de façades waarmee de Habsburgers hun verval wisten te markeren; een valse schijn waaraan de oorlog een eind ging maken.

Zijn afschuw over de oorlog heeft niet lang op zich laten wachten, maar ook Freud beleefde de extase waarin de julicrisis van 1914 uitmondde. ‘Gans mijn libido behoort Oostenrijk-Hongarije toe’, heeft hij op geheel eigen wijze uitgeroepen. En op 26 juli 1914 schreef hij een vriend: ‘Ik voel mij misschien voor het eerst sinds dertig jaar een Oostenrijker en wil het nog één keer met dit weinig hoopvolle rijk proberen. De stemming is overal uitstekend.’

Op 22 september 1914 is Freud alweer bij zijn zinnen. In een brief aan een vriend schrijft hij over het zoontje van zijn dochter Sophie: ‘Mijn kleinzoon is een vriendelijk kereltje, die erin slaagt onbedaarlijk te lachen als iemand aandacht aan hem besteedt; het is een fatsoenlijk, beschaafd schepsel, wat dubbel waardevol is in deze tijden van ongebreidelde bestialiteit.’

November 1915 werkt Freud aan een kort essay dat pas een jaar later zal verschijnen. Hij noemt het ‘Vergankelijkheid’. Het begint als volgt: ‘Niet zo lang geleden vertrok ik voor een zomerse wandeling door een lieflijk landschap in het gezelschap van een zwijgzame vriend en een jonge maar al beroemde dichter.’

Grote kans dat Freud hier een droom beschrijft. De wandeling heeft waarschijnlijk nooit plaatsgevonden, maar het wordt aangenomen dat de karakters wel uit Freuds leven zijn gegrepen. Het zwijgzame type is dan Lou Andreas-Salomé, een vrouw met opmerkelijke contacten. Als psychoanalytica maakt ze deel uit van de beweging van Freud, maar ze onderhoudt ook een liefdesrelatie aan met de veel jongere dichter Rainer Maria Rilke, het andere personage uit de vergankelijkheidsvertelling van Freud. Beiden, de zwijgzame Salomé en de beroemde Rilke, staan onder de invloed van het gedachtegoed van Friedrich Nietzsche. Salomé heeft ook een stormachtige liefdesrelatie gehad met de filosoof die God voor Dionysius inruilde om op de drempel van de twintigste eeuw in volstrekte waanzin te sterven.

Meedogenloos heeft Nietzsche afgerekend met de christelijke cultuur. ‘God is dood en wij hebben hem vermoord’, luidde zijn necrologie van het westerse avondland. Maar als God dood is, wat voor leven blijft er dan voor de mens over? Het is die vraag waarmee Freud de jonge Rilke laat tobben in dat lieflijk landschap. Freud vervolgt: ‘De dichter bewonderde de schoonheid van het decor om ons heen, maar hij kon er geen vreugde in scheppen. Het verwarde hem dat al dat mooie tot verval gedoemd was, dat het met de winter zou verdwijnen, net als de menselijke schoonheid en alle schoonheid en pracht die de mens tot stand heeft gebracht of scheppen zal.’ 

Het is de vergankelijkheid die de dichter naar de keel grijpt, maar een denker als Freud weet haar wel naar zijn hand te zetten. Natuurlijk, het tijdelijke laat zich ook door hem niet ontkennen. Maar voor Freud stijgt de waarde van schoonheid juist naarmate de tijd korter is om ervan te genieten. Zijn gezelschap, ziet hij dan in, verzet zich voortijdig tegen het rouwen om wat verloren is gegaan. En rouw is voor de man van de wetenschap een raadselachtig verschijnsel. Bij verlies komt libido vrij, zet Freud uiteen, het vermogen om lief te hebben. Het is vrij om terug te keren naar het eigen ego of een ander object, maar de libido blijft zich pijnlijk vastklampen aan wat al weg is. Waarom toch? 

Het is op dit punt dat Freud de oorlog oppakt die de volgende zomer zou komen. Hij schrijft: ‘De oorlog vernietigde niet alleen de schoonheid van het landschap waar hij doorheen trok en uitingen van kunst die hij op zijn pad tegenkwam, maar het verbrijzelde ook onze trots op de verworvenheden van onze beschaving, onze bewondering voor zo veel filosofen en kunstenaars en onze hoop op een finale triomf over de verschillen tussen naties en rassen. Hij bezoedelde de verheven onpartijdigheid van onze wetenschap, hij onthulde onze instincten in al hun naaktheid en ontketende in ons de kwade geesten, die we voorgoed getemd hadden gedacht tijdens eeuwen van onophoudelijke studie door de nobelste geleerden. De oorlog maakte ons land weer klein en zette de rest van de wereld op grote afstand. Hij beroofde ons van alles wat we lief hadden en toonde ons hoe efemeer al die zaken zijn die wij voor onveranderlijk hielden.’

Overmand door melancholie zou een dichter het daarbij laten. Zo ongeveer is het ook gegaan met Rainer Maria Rilke, die tijdens de Grote Oorlog onder de wapenen werd geroepen. Zijn ervaringen als dienstplichtige waren zo ingrijpend dat hij lange tijd daarna als dichter zweeg. Maar Freud breit een happy end aan zijn essay, dat ook wel zijn ‘requiem’ is genoemd: ‘Hoe pijnlijk ook, rouw komt, zo weten we, tot een spontaan einde. Als hij alles wat verloren is gegaan heeft losgelaten, heeft hij zichzelf verteerd en is ons libido opnieuw vrij – voor zover we nog jong en actief zijn – om de verloren objecten te vervangen door nieuwe, die even dierbaar zijn of zelfs dierbaarder. Het is te hopen dat hetzelfde geldt voor de verliezen van deze oorlog. Als het rouwen voorbij is, zal blijken dat onze hoge achting van de schatten van de beschaving niets te lijden heeft onder de ontdekking van hun kwetsbaarheid. We zullen alles opbouwen wat de oorlog vernietigd heeft en misschien op een stabieler en duurzamer fundament.’ Dat klinkt nog hoopvol, maar in de naoorlogse jaren zal Freud zich als een cultuurpessimist laten kennen.

Invloedrijk zijn de theorieën van Sigmund Freud beslist geweest, maar vandaag de dag zijn ze eerder omstreden. De filosoof Karl Popper, een andere Wener, was het die op grond van zijn gezaghebbende falsificatietheorie Freud naar het domein van de non-wetenschap verwees. Wat niet weerlegd kan worden, aldus Popper, kan niet serieus worden genomen. De dromen van Sigmund Freund, ‘de charlatan van Wenen’, blijven bedrog voor de ware wetenschapper.

Pijnlijk is ook zijn eigen levenseind geweest. Sigmund Freud was in de Eerste Wereldoorlog al een man op leeftijd, maar hij zou pas in de eerste maand van de Tweede Wereldoorlog sterven. Een jaar van tevoren had hij vanwege het toenemend antisemitisme Wenen moeten inruilen voor Londen. De laatste zeventien jaar werden getekend door kanker. Rechterbovenkaak en verhemelte moesten verwijderd worden bij Freud, die zijn leven lang een verstokt roker van sigaren bleef. Een dertigtal operaties heeft Freud moeten ondergaan. September 1939 is de pijn ondraaglijk geworden. ‘Het is niets dan marteling en het heeft geen zin meer’, schrijft hij zijn dokter, die hem op verzoek drie doses morfine toe zal dienen. Sigmund Freud heeft gekozen voor euthanasie, voor ‘de goede dood’.

054 Lord Kitchener en de sok zonder naad (zondag 4 juli 1915)

De oorlog kon jaren gaan duren. Lord Kitchener had ervoor gewaarschuwd, in augustus 1914, maar hij was weggehoond. De koloniale ijzervreter bleek ook geen man voor de politiek te zijn. Het zou niet Kitcheners oorlog worden. Het jaar 1916 bracht behalve Kitcheners dood ook de dienstplicht en de Somme.