137 August Borms en de Bier-Abend in Berlijn (zondag 4 februari 1917)

August Borms

August Borms

‘De Klok van Vlaanderen’, August Borms, kreeg voor collaboratie met de Duitse bezetter van zijn land twee keer de doodstraf. De laatste werd hem, in 1946, fataal: ‘Dietsland Houzee!’

De Bier-Abend in Berlijn

Naar een man die in twéé wereldoorlogen heulde met de bezetter van zijn land en daarvoor twéé keer de doodstraf kreeg, waarvan de laatste ook voltrokken werd, is in het hart van Antwerpen het ‘documentatie- en archiefcentrum voor de geschiedenis van de Vlaamse Beweging’ vernoemd. Het August Bormshuis vind je aan de Volkstraat – waar anders? Buiten Vlaanderen moge het bevreemding wekken, zo’n eerbetoon aan een ‘landverrader’, midden in het stadsgewoel. Maar de geschiedenis van de ‘Vlaamse ontvoogding’ is dan ook een complexe aangelegenheid. Vele schakeringen kent het flamingantisme.

Activisten werden ze genoemd, de Vlamingen die tijdens de Eerste Wereldoorlog hun zelfstandigheid bij de Duitse bezettingsmacht meenden te kunnen regelen. Borms was verreweg de beroemdste. Vlaggende menigten trokken in de jaren twintig voor zijn vrijlating door de straten. In de schaduw van Borms bereikte ook anderen zo’n status van martelaar. Jef van Extergem, bijvoorbeeld, zou in 1928 uit de gevangenis komen, een half jaar voor Borms het cachot verliet als laatste in de rij van boetelingen. Nadat Borms in 1928 door een administratief foutje vanuit de gevangenis kandidaat gesteld had kunnen worden voor een Antwerpse zetel in de volksvertegenwoordiging, behaalde hij een klinkende verkiezingszege. Ook de net vrijgelaten Van Extergem was toegetreden tot het ‘eenheidsfront rondom de Bormskandidatuur’.

En dat terwijl die twee ideologisch toch ver uit elkaar lagen. Borms besprenkelde zijn Vlaams bewustzijn met wijwater uit Rome. Van Extergem was een overtuigd socialist die de arbeidersbeweging met Duitse steun achter het Vlaams banier meende te kunnen krijgen. In de Tweede Wereldoorlog zou hij, anders dan Borms, de nazi’s de rug toe gaan keren. Gemarteld door de Gestapo stierf Van Extergem de hongerdood in een concentratiekamp – even trouw aan kameraad Stalin als aan zijn Vlaanderen.

Borms is het België van de franskiljons tot zijn laatste snik blijven vervloeken, maar het is als keurig patriot dat hij de Eerste Wereldoorlog in was gegaan. Ook Borms sprak schande van de verkrachting van zijn land in naam van de Duitse keizer. ‘Vlamingen, doet u gelden op het slagveld en overal’, schreef hij tien dagen na de Duitse inval in een Vlaamse krant. Voor de oorlog had hij zich bovendien als Belg laten ridderen in de Orde van Leopold II. Het leidde tot een jubelend artikel in ‘Ons Volk Ontwaakt’: ‘Ik heb zijn volle zwaar gedragen stem hooren klinken als een noodklok in de groote vergaderzalen onzer steden, in de gelagkamers onzer dorpsherbergen, in open lucht op ‘n tafel of ‘n ton – voor grooten en kleinen, geleerden en armen van geest… En waar hij kwam en sprak is er in de gemeente, bij den werkman en den boer, bij den ontwikkelde, den geleerde, iets gebleven van wat er in zijn hart ligt, van de liefde tot eigen grond en Vlaamsche moedertaal.’

***

August Borms werd in 1878 geboren in Sint-Niklaas. Zijn vader had zich er opgewerkt tot winkelier en handelsreiziger. Tabak, likeuren, wijnen: het was een geestrijke omgeving waarin de jonge Borms opgroeide. Aan de Katholieke Universiteit van Leuven studeerde hij in het eerste jaar van de nieuwe eeuw af in de Germaanse filologie. In dienst van een Belgische overheidscommissie ter verbetering van het onderwijs werkte hij van 1903 tot 1906 in Peru. Terug op zijn geboortegrond trok hij orerend rond tot in Frans-Vlaanderen, door flaminganten eerder ‘Zuid-Vlaanderen’ genoemd, om er ’t oude Vlaamsche stambewustzijn wakker te schudden. Hij deed dat met een welluidende stem, die hem zijn bekendste bijnaam opleverde: ‘De klok van Vlaanderen’.

Visionaire vergezichten gingen er niet van hem uit. Een man zonder eigenschappen was de patroonheilige van Vlaanderen, de vleesgeworden symboolpolitiek. Voor Vlaanderen week wel alles, vrouw en kinderen incluis. ‘Indien ik Vlaanderen kon redden met een staatsgreep, ik deed het onmiddellijk’, kraaide hij in december 1917. Borms was toen allang overstag gegaan. Beïnvloed door berichten van Vlaamse frontsoldaten die schreven te zuchten onder de franskiljons boven hen, is hij zijn kaarten op de Duitsers gaan zetten. Het gelui van zijn klok ging nog verder dragen toen Borms zich in 1915, met dank aan de Duitse Pressestelle, een monopolie op de Antwerpse pers wist te verwerven aan het hoofd van het Vlaamsche Nieuws.
In februari 1917 zag de Raad voor Vlaanderen het licht, met August Borms als boegbeeld naast voorzitter Pieter Tack. Het idee was om de Raad als parlement van Vlaanderen te manifesteren. Een maand na oprichting al liet een afvaardiging van de Raad, Borms inbegrepen, zich ontbieden bij de Duitse kanselier Von Bethmann Hollweg. Door de foto van het Vlaamse gezelschap in Berlijn te publiceren, hoopten de Duitsers de buitenwereld ervan te overtuigen dat het niet als verkrachter van het Latijnse België, maar als bevrijder van het Germaanse Vlaanderen de grens over was gestoken. De Raad paste ook in het plan van de Duitsers om België administratief op te delen in Vlaanderen en Wallonië. Hoogtepunt van die Flamenpolitik werd de zo lang verbeide vernederlandsing van de Gentse universiteit, waarvoor ook Borms zich al voor de oorlog sterk had gemaakt.

Om het volk achter de Flamenpolitik te krijgen was er de Duitsers veel aan gelegen dat de activistische Vlamingen eensgezind naar buiten gingen treden. Het zou gouverneur-generaal Moritz von Bissing voor zijn heengaan in 1917 niet lukken. De radicale Jong-Vlamingen, die regelrechte annexatie door Duitsland voorstonden, waren niet op één lijn te krijgen met de meer gematigde flaminganten. Ook de Raad voor Vlaanderen, geblameerd door de Berlijnse foto en het bijbehorend verhaal van een genoeglijke Bier-Abend in de Duitse hoofdstad, wist zich slechts een geringe aanhang onder de Vlamingen te verwerven.

Deportatie van jonge Belgen naar de Duitse oorlogsindustrie kwam de populariteit van de collaborateurs ook bepaald niet ten goede. Het was al met al een kleine poel van activisten waaruit de Duitsers hun hoogleraren te Gent en hun bestuurders voor Vlaanderen moesten vissen. Om de zaak alsnog te forceren besloot de Raad op 22 december 1917 eigenmachtig de zelfstandigheid van Vlaanderen uit te roepen. De Duitsers werden er onaangenaam door verrast. Ze hadden net koning Albert I een aanbod tot afzonderlijke vrede gedaan.

Op 18 februari 1918 bereikt de weerzin tegen de activisten een kookpunt. Hoewel de Duitse bezetting nog niet voorbij is, laat een Belgische rechter voorzitter Tack van de Raad voor Vlaanderen en August Borms arresteren op verdenking van een aanslag op de staatsveiligheid. ‘Weent niet kinderen, ’t is voor Vlaanderen’ , neemt Borms afscheid van zijn gezin voor hij zich laat afvoeren. De Duitsers grijpen echter in en laten de twee onmiddellijk weer vrij. Magistraten worden als straf naar Duitsland gedeporteerd, waarna de gehele rechterlijke macht het bijltje erbij neergooit. Het failliet van de Flamenpolitik is dan evident.

Na de oorlog neemt de Belgische overheid de tijd voor een strafrechtelijk onderzoek naar de rol van de activisten. Borms, die er principieel vanaf heeft gezien om naar Nederland te ontkomen, wordt op 8 februari 1919 gearresteerd. Ondanks aandringen van het Vaticaan op clementie voor de fijn gelovige katholiek , krijgt August Borms de doodstraf, die echter omgezet zal worden in levenslange dwangarbeid. Kansen op vervroegde vrijlating vergooit hij willens en wetens. Aan de voorwaarde om zich eenmaal buiten van politieke activiteiten te onthouden wenst hij niet te voldoen. Te trots is hij ook om genade te vragen. Ondertussen vult hij in het gevangeniskrantje ‘Streven naar beter leven’ een rubriek met belevenissen uit zijn tijd in Peru. Er komt na zijn vrijlating, onder druk van de Vlaamse publieke opinie, ook een Kuifje-achtig boekje van: ‘Vier jaar in het land der Inca’s’.

De schrijver Marnix Gijsen zag hem als een ‘professor Unrat verdwaald in de politiek’. Karel Dillen, oprichter van het Vlaams Blok, noemde Borms juist ‘de Kristus van de Vlaamse Beweging’ en ‘de uitgepuurde vuurkern van ons nationalisme’. En ook Willem Elsschot, gevierd schrijver, hemelde Borms na zijn executie in een spraakmakend gedicht op.

Al werd uw oude romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.

Elsschot kroonde Borms postuum als de ‘kreupele koning van Vlaanderen’. En daarmee doelde hij niet op ’s mans gedachtegoed, maar op de krukken waarmee de oude Borms op 12 april 1946 naar zijn executiepaal is gestrompeld – met ‘Dietsland Houzee!’ als laatste woorden op zijn lippen. Een verkeersongeval in Duitsland, waar hij in 1944 naartoe was uitgeweken, had van hem een invalide gemaakt. In het Bormshuis worden – samen met zijn neusknijper en zijn trouwring – de twee krukken van August Borms bewaard: twee stokskes van Oldenbarnevelt als het ware.

In 2005 schreef Christine van Everbroeck de eerste, wetenschappelijke biografie van Borms, met oog voor zijn ‘grootheid én zijn zwakheden’. Het blijkt ondermeer dat Borms ook voor zichzelf wist te zorgen. In de Tweede Wereldoorlog mocht hij van de Duitsers een commissie voorzitten die schadevergoedingen kon gaan toekennen aan na de Eerste Wereldoorlog vervolgde activisten. Borms speelde zichzelf een riante som toe.

Borms, de mens en de mythe, zal nog wel even een open zenuw in Vlaanderen blijven, al moet ook zijn verering aan inflatie onderhevig zijn. Dit affiche van ‘3 geweldloze wereldrevolutionairen’ lijkt in elk geval ietwat over the top: ‘Zoals Gandhi leed en streed voor zijn Volk, zo leefde – leeft Borms voor Vlaanderen. Neergekogeld zoals Nobelprijswinnaar Martin Luther King. Leve Jezus in de 20e eeuw!’

Advertisements

095 Sir Roger Casement en zijn 20.000 geweren (zondag 16 april 1916)

Sir Roger Casement

Sir Roger Casement

Voor de oorlog stelt hij de wandaden van de Belgische koning in de Kongo aan de kaak. Hij is voor dat werk tot ridder geslagen. Maar dan gaat sir Roger Casement zich clandestien wijden aan de vrijheid van het Ierse volk waaruit hij is voortgekomen. Het wordt – in de oorlog – zijn strop.

 

094 Philippe Pétain en het vuur dat doodt (zondag 9 april 1916)

De man die als held van Frankrijk uit de Eerste Wereldoorlog komt, ‘de Redder van Verdun’, die krijgt na de tweede de doodstraf. De kruisweg van Philippe Pétain krijgt nog een bizar, postuum slot als in 1973 zijn lijk uit de graftombe op het Ile d’Yeu wordt geroofd.

Het vuur dat doodt

Op een maandagochtend in 1973 trekken de krassen van een beitel de aandacht van een grafdelver op het eilandje van Yeu, een winderige puist van graniet voor de kust van West-Frankrijk. De man kijkt nog eens goed naar de witte, betonnen zerk van Henri Philippe Pétain. Niet lang daarna wordt duidelijk dat het lijk van de maarschalk uit zijn graf is geroofd.

***

Het jaar is 1951 als maréchal Pétain sterft op Île d’Yeu. Op zijn laatste verjaardag heeft zijn bemoeizieke vrouw Nini voor een taart met 95 kaarsjes gezorgd in de kleuren rood, wit en blauw. Pétain veert op. ‘Hoe mooi toch’, zegt hij, terwijl hij met zijn vinger wijst naar het ene kaarsje dat maar niet wil branden. De dagen daarna stijgt hij bazelend en brabbelend weer op naar seniele sferen.

November 1945 betrekt Pétain zijn gevangenis op Île d’Yeu. Een jury heeft hem de doodstraf gegeven: veertien stemmen voor, dertien tegen. Een communistische afgevaardigde voor de Somme geeft de doorslag. Maar daarna maakt president Charles de Gaulle, als soldaat zijn ondergeschikte in de vorige wereldoorlog, er levenslang van. Hoe dan ook, Pétain is tot een landverrader verworden. Als de dictatoriale chef van Vichy-Frankrijk heeft hij zijn volk aan de Duitsers overgeleverd. Dat zijn ambtenaren op grote schaal Franse Joden in de armen van de Duitsers hebben gedreven, laat de rechtbank amper meewegen. De aanklacht richt zich niet zozeer op collaboratie, maar op de schandelijke capitulatie van juni 1940, nota bene beklonken in de treinwagon van Compiègne, waarin 22 jaar eerder de Duitsers hun vernederende wapenstilstand onder ogen hebben moeten zien. De foto waarop Pétain de hand van Adolf Hitler drukt, dateert van oktober 1940.

Een onbetwiste held is Pétain nog in het interbellum, dat hij als ambassadeur in Spanje afsluit. Representant van traditionele waarden van eer en gezag en verklaard tegenstander van het parlementair systeem, dient hij in 1934 vanuit het kabinet zijn land. Maar ook onder minister Pétain van Oorlog raakt het Franse leger verder achterop. Luchtmacht, landmacht en marine moeten het zien te rooien met verouderd wapentuig.

Een decennium eerder is Pétain nog een warm pleitbezorger van de Maginotlinie, die met haar betonnen fortificaties en kazematten de Duitsers in een volgende oorlog buiten de deur moet gaan houden: dwaas plan zal in 1940 blijken. In 1925 gaat Pétain zelf nog voorop in de strijd. Spanje te hulp snellend leidt hij de Franse troepen tegen de Berbers in de Tweede Marokkaanse ofwel Rif Oorlog. Hij mag zich dan al maarschalk noemen: die rang voor het leven wordt hem niet lang na de wapenstilstand van november 1918 verleend. Dat eerbetoon doet hem goed, al is hij nooit een man van uiterlijk vertoon geweest. Zeven sterren op zijn mouw of niet, tijdens de overwinningsparade van 1919 rijdt hij onder de Arc de Triomphe door in het horizon blue, het uniform van de poilu.

De laatste fase van La Grande Guerre is hij onderhorig aan de geallieerde generalissimo Ferdinand Foch – de twee Fransen liggen elkaar bepaald niet. Het jaar 1918 laat opeenvolgende Duitse offensieven zien, die samen de Kaiserschlacht vormen. Lang houdt Pétain vast aan zijn behoedzame tactiek van verdedigen in de diepte. ‘Defaitist’ noemen critici hem. Maar met voldoende Amerikaanse regimenten en Renault FT-17 tanks aan zijn zij, ontkomt Pétain er toch niet aan om in de tegenaanval te gaan. Op 18 juli 1918 kantelt aan de Marne de oorlog definitief.

De Duitse opmars van 1918 drijft wel een wig tussen Fransen en Britten. Pétain is de Britse generaal Douglas Haig aan de Somme en het St. Quentinkanaal met zeven Franse divisies nog wel bij komen staan, maar bij een nieuwe smeekbede van Haig geeft Pétain nul op het rekest. De Franse generaal verwacht nog altijd het beslissende Duitse offensief zuidelijker, in de Champagne en de Elzas. De verdediging van Parijs stelt Pétain boven het strategisch belang van aansluiting met de Britten. Onder de zware Duitse druk is Haig er inmiddels aan toe om onder één geallieerde opperbevelhebber van Franse origine te dienen, maar Pétain lust hij niet meer. En ook de Franse premier Georges Clemenceau kiest die andere, wél doorpakkende generaal: Ferdinand Foch.

De Franse militair heeft genoeg geleden. Daarvan is Pétain meer en meer overtuigd geraakt. Als soldaat onder de soldaten is hij dan ook de uitgelezen bevelhebber om de rust in de loopgraven na de Nivelle-muiterijen te herstellen. Vier dagen nadat hij in mei 1917 het opperbevel van Robert Nivelle over heeft genomen, maakt hij, zijn belangrijkste adviseurs negerend, een eind aan onzinnige offensieven. Die bij de Chemin des Dames is daarvan een maand eerder het schoolvoorbeeld geweest. Rantsoenen en onderkomens voor de poilus worden op last van Pétain verbeterd, verlofregelingen uitgebreid. Wie als soldaat meent dat hij op langer verlof recht heeft dan hem is toebedeeld, mag voortaan zijn superieur om tekst en uitleg vragen. Wat pure repressie betreft volstaat Pétain met het terechtstellen van 49 muiters, op een totaal van 554 doodvonnissen. Een groot aantal deserteurs wordt naar de beruchte Franse strafkolonie in Frans-Guyana gezonden.

***

In een mum van tijd wordt een klopjacht in het hele land op touw gezet: waar is de kist van maarschalk Pétain gebleven? De politie werpt roadblocks op en speurt in aangehouden vrachtwagens naar het lijk. Op de uitgestrekte begraafplaats van Douaumont, aan de voet van een ontzagwekkend knekelhuis, worden graven geopend. Het vermoeden bestaat dat de maarschalk heimelijk op Douaumont te rusten is gelegd. Rechtse krachten hebben immers al jaren campagne gevoerd voor een hereniging van Pétain en zijn strijdmakkers, die in 1916 bij Verdun zo glorieus voor ‘la Patrie’ zijn gevallen.

***

Slechts twee van de tien maanden die ‘Verdun’ duurt, voert Pétain daadwerkelijk het commando over de Franse troepen. Maar in december 1916 komt hij toch als de ‘Redder van Verdun’ uit de strijd. De mythe dicteert dat híj de man is die voor Frankrijk ‘de oorlog binnen de oorlog’ heeft gewonnen op onverschrokken wijze, al strookt de zenuwtic in een ooglid van Pétain niet met dat beeld.

De climax van de strijd om Verdun is in de laatste week van juni bereikt. Als de Britse artillerie aan de Somme zich voor het eerst laat horen, als de Fransen met hun nieuwe gasmaskers uit wolken van dodelijk fosgeen levend tevoorschijn komen, als Duitse infanteristen tijdens hun stormloop wel onder het Franse veldgeschut bezwijken, dan tekent het zich duidelijk af: Verdun houdt stand. ‘Houd moed!’ heeft Pétain zijn troepen in april dan ook voorgehouden. ‘We krijgen ze wel.’ ‘Courage! On les aura!’

Toch is Joseph Joffre, chef van het Franse leger, niet tevreden over Pétain, die zijn aandacht alleen bij de verdediging van Verdun lijkt te hebben. Joffre is al in de ban van het aanstaande geallieerde offensief aan de Somme. Hij ontneemt Pétain in april 1916 het commando over het Tweede Leger ten faveure van Robert Nivelle, op wie de statistieken van gesneuvelde soldaten minder zwaar drukken. Verder weg van het front mag Pétain zich over de Centrale Legergroep gaan ontfermen.

In maart 1916 is de Parijse pers interesse gaan tonen in de generaal die zijn mannen stand laat houden in de Teutoonse hel. Het kost de kranten moeite een foto van deze Pétain te achterhalen. La Voie Sacrée, zo gedoopt door de propagandist Maurice Barrès, is ook Pétains heilige pad naar eeuwige roem. Een onafzienbare stroom aan manschappen, munitie en voorraden perst zich dag in dag uit over de landweg die Pétain met steenslag heeft geplaveid. Het hoofdkwartier van Pétain, in het dorpje Souilly, ligt er pal naast. Met de mannen helemaal vooraan toont Pétain ondertussen compassie. Hij ziet erop toe dat ze in hun loopgraven tijdig afgelost worden door nieuwe contingenten.

Februari 1916 barst de hel boven Verdun los. Joffre doet op een beroep op de bevelvoerder van het Tweede Leger, Philippe Pétain. Maar die is in geen velden of wegen te bekennen. Uiteindelijk wordt hij in het holst van de nacht door zijn adjudant getraceerd in Hôtel Terminus, vlakbij de Gare du Nord in Parijs, ver weg van het front bij de Maas. Pétain, een onvervalste Don Juan, bevindt zich in de armen van zijn ruim twintig jaar jongere maîtresse Eugénie Hardon, een gescheiden moeder, met wie Pétain pas in 1920 zal trouwen: zijn Nini.

***

Na twee dagen belegt een Algerije-veteraan, Hubert Massol, een persconferentie. Hij belooft de kist van Pétain terug te geven op voorwaarde dat de regering overgaat tot rehabilitatie van de maarschalk. Maar na zijn arrestatie slaat Massol al snel door en voert hij de politie naar een garage in de Parijse voorstad Saint-Ouen.

***

De oorlog heeft zijn militaire carrière in een stroomversnelling gebracht. Generaal van het 33e korps in oktober 1914, van een divisie in september, van een brigade in augustus. Hij onderscheidt zich tijdens de mislukte offensieven in de Artois, maar ook tijdens de succesvolle Slag aan de Marne.

De vrede, die heeft hem niet verder dan de rang van kolonel gebracht. Hij is 58 jaar oud als hij zich in de lome zomer van 1914, na militaire omzwervingen binnen de grenzen van Frankrijk, op een bestaan als burgerman voorbereidt.

Het is een rotsvaste overtuiging die zijn loopbaan op een dood spoor heeft gebracht. Opgeleid aan de École Spéciale Militaire de Saint-Cyr gelooft Pétain niet in de aanvalsdoctrine die de legertop uitdraagt. Le feu tue is zijn motto: vuur doodt. Hij gruwelt van bajonetten die zich op mitrailleurs werpen. Pétain gaat uit van de verdediging, een ketterse filosofie in de ogen van hen die bovenaan de ladder staan. Hij mag in het eerste decennium van de eeuw zijn tactische ideeën dan wel verkondigen aan de leerlingen van de École Supérieure de Guerre, hogerop in het leger geraakt hij niet. Pietje Precies (‘Précis le sec’) heeft hij zich als bijnaam verworven. De afgemeten dictie waarmee hij spreekt, hoort daarbij.

Philippe Pétain mengt zich zo weinig mogelijk in publieke discussies. De scheiding van kerk en staat, doorgevoerd in 1905, laat de lakse katholiek onbesproken. Ook aan de Affaire des Fiches een jaar eerder – antiklerikale oorlogsminister laat katholieke militairen bespioneren – gaat Pétain voorbij. Naar zijn exacte standpunt in het grootste schandaal van republikeins Frankrijk, de Dreyfusaffaire, moeten historici later een slag gaan slaan. Zijn haat tegen links is wel duidelijk terug te voeren tot de gebeurtenissen van 1871: de opstand van de Parijse Communards die volgt op de nederlaag tegen Pruisen.

De adolescent Philippe Pétain besluit een toekomst als priester uit zijn hoofd te zetten en het voorbeeld te volgen van het indrukwekkende infanteriebataljon dat bij Saint Omer is gelegerd. Op school heeft hij redelijk gepresteerd. Tien jaar oud wordt hij op een boerenkar van thuis naar het Collège Saint-Bertin gereden. Door een erfenis van een oudoom kunnen zijn ouders de kostschool van streng-katholieke signatuur voor hun zoon betalen. Hij is, na drie dochters, hun geschenk uit de hemel geweest. In Cauchy-à-la-Tour, een dorpje van 400 inwoners in het Noord-Franse departement van Pas-de-Calais, wordt hij op 24 april 1856 geboren: Henri Philippe Bénoni Omer Pétain.

‘Bénoni’ is de naam van zijn grootvader geweest. Maar weinigen dragen hem. In het boek van Genesis baart Rachel, tweede vrouw van Jacob, een zoon ten koste van haar eigen leven. Jacob zal later voor het kind de naam van Benjamin uitkiezen, maar zijn moeder heeft hem nog Bénoni kunnen noemen. Het betekent: ‘de zoon van mijn zorgen’.

***

Daar liggen dan de foute dan wel heroïsche botten van maarschalk Pétain, in een vermolmde eikenhouten kist, geladen op een vrachtwagen. Deze garage in Saint-Ouen is het onderkomen voor Frankrijks onverwerkte geschiedenis. President Georges Pompidou aarzelt niet en gelast de herbegrafenis van Philippe Pétain op het Île d’Yeu. De maarschalk ligt weer in zijn graf van ballingschap en de doden van Verdun doen er het zwijgen toe.