261 Helmut Frink en de glimlach voor de heldendood (zondag 22 juni 1919)

Helmut Frink

Helmut Frink

Als twee Duitse ministers in Versailles de vrede moeten tekenen, op 28 juni 1919, wordt in het stadje Diez an der Lahn ene Helmut Frink geboren. Aan zijn generatie gaat Adolf Hitler de oproep om Versailles te wreken adresseren. Helmut Frink, het vredeskindje, sneuvelt in de volgende wereldoorlog, 24 jaar oud. Postuum wordt hij tot held uitgeroepen. Wat daarvan rest, zijn versierselen.

  • Volgers van Veertien Achttien krijgen deze slotaflevering per mail (doc + mps3).
Advertisements

228 Wilfred Owen en kogels als zachte regen (zondag 3 november 1918)

Een week voor de Wapenstilstand sterft Wilfred Owen, dichter-soldaat. Bitterzoet en onwaardig is het om te moeten sterven voor je vaderland. Maar dat hoor je zelden als er herdacht wordt.

Wilfred Owen

Wilfred Owen

Kogels als zachte regen

Iedere avond om acht uur klinkt onder de Menenpoort van Ieper de Last Post als eerbetoon aan de gesneuvelde soldaten van de Grote Oorlog. Op bijzondere dagen is er altijd wel iemand die een gedicht voordraagt. Meestal zijn het de beroemde regels uit ‘For the Fallen’ (Voor de Gevallenen), dat Laurence Binyon al in 1914 schreef als devies voor nabestaanden:

At the going down of the sun, and in the morning
We will remember them

Dulce et decorum est is het bekendste gedicht van de bekendste war poet, Wilfred Owen. Je hoort het nooit eens voorgedragen worden onder die Menenpoort, die nota bene staat in de stad van het mosterdgas, het yperiet dus. Liever een oproep tot het herdenken van de doden dan een aanklacht tegen hun sterven? Bitterzoet en onwaardig is het om voor je vaderland te moeten sterven, verkondigt Owen de omgekeerde waarheid in de laatste regels van zijn gedicht. Daaraan vooraf gaat de beschrijving van een gasaanval waarin hij en zijn maten, doodvermoeid, terecht zijn gekomen. Eentje weet zijn gasmasker niet op tijd over zijn hoofd te trekken. Iedere nacht ziet Owen weer hoe die arme sukkel in het gas stikt. En dan wendt de dichter zich rechtstreeks tot zijn lezer, zijn luisteraar. In de vertaling van Tom Lanoye:

Als ooit, in nachtmerries, ook u zou moeten lopen
Achter de ezelskar waar wij zijn lijk op smeten;
Zag u die ogen draaien, paffig wit en open, in
Die omgekeerde duivelskop, verwrongen, aangevreten;
En hoorde u, bij elke bult, de gorgel van zijn bloed
Dat kwam geborreld uit door schuim verpeste longen,
Als een kapotgebeten tabakspruim geperst
Uit niet te helen zweren op reine kindertongen –

Mijn vriend, nooit meer verkocht u, trots en manifest,
Aan jongens, die dorsten naar wat vergeefse glorie
Uw Oude Leugen: Dulce et decorum est
Pro patria mori

Wilfred Owen heeft zijn grote oorlog niet overleefd. Vader en moeder, Tom en Susan Owen, kregen de kwade tijding van de dood van hun oudste zoon op 11 november 1918 – 11 november, Wapenstilstandsdag. Ook in Shrewsbury, waar de Owens woonden, beierden de kerkklokken omdat het eindelijk vrede was. Precies een week eerder was Wilfred Owen gesneuveld in Noord-Frankrijk, terwijl hij zijn manschappen aanmoedigde bij het oversteken van het kanaal tussen de Sambre en de Oise. Hij was 25 jaar oud – 25 jaar. In een militair hoekje van de begraafplaats voor de dorpelingen van Ors, een vlek in Noord-Frankrijk, staat de witte zerk van Wilfred Owen onberispelijk in een rijtje. Bezoekers laten bij hem wel beduidend meer poppy’s achter dan bij de anderen.

Vier dagen na zijn dood werd de toekenning van het Military Cross aan Wilfred Owen in het regimentsdagboek bijgeschreven. Hij had die onderscheiding verdiend door op de eerste oktober de bestorming van Joncourt, ten noorden van Saint-Quentin, aan te voeren. In de verlegen, introverte, studentikoze, barmhartige, verantwoordelijke maar ook ietwat naïeve Owen zat de soldaat ver weggestopt. Mei 1917 schreef hij zijn moeder nog: ‘Meer en meer ben ik een christen. Verdraag oneer en schande, maar grijp nooit naar wapens. Ze mogen je vernederen, woedend maken, vermoorden, maar moord niet.’ ‘Be killed, but do not kill.’ Hij wist waar Christus zich bevond: in het niemandsland. Vaak hoorden de mannen daar Zijn stem.

Maar in oktober 1918, bij Joncourt, was zelfs Wilfred Owen verworden tot een killer met dichtgeschroeide zintuigen: ‘My senses are charred.’ Zijn moeder krijgt dit verslag van Joncourt: ‘Na de granaten die we hadden ondergaan, en het gas, waren de kogels als zachte regen uit de hemel.’ En: ‘Ik verloor al mijn aardse eigenschappen en ik vocht als een engel… Ik maakte een Duits machinegeweer buit en nam een groot aantal mannen gevangen. Ik schoot er maar één met mijn revolver neer. Mijn zenuwen houden het prima.’

Owen moet zijn moeder hier ontzien hebben. De motivatie van het Military Cross leert dat Owen met het door hem veroverde machinegeweer de vijand ‘aanzienlijke verliezen’ toe heeft weten te brengen. ‘It is a great life’, bejubelt hij de vriendschapsband onder de soldaten in de allerlaatste brief aan zijn moeder, geschreven op de laatste dag van oktober. De kok hakte houtjes en het water spatte hoog op toen een oude soldaat zijn gejaste piepers in een pan wierp: zo ging het er in de habitat van de dichter-soldaat aan toe.

Wilfred Edward Salter Owen werd als de oudste van vier kinderen geboren in Oswestry, een dorpje in Shropshire, het graafschap dat grenst aan Wales, waar de helft van zijn stamboom ook wortelde. De bijbel en de gedichten van romantici als John Keats, Percy Bysshe Shelley en William Wordsworth vormden de gelovige jongeling. Voor een beurs schoten zijn cijfers tekort en thuis konden ze het geld voor een opleiding aan de universiteit van Londen ook niet opbrengen. In ruil voor inwoning ging hij diensten verlenen aan de vicar van het plaatsje Dunsden, ondertussen plantkunde studerend aan het University College in Reading. Owen raakte teleurgesteld in de zorg van de kerk om de armen en in de liturgie. Intellectueel werd hij ook niet door de vicar en zijn omgeving uitgedaagd.

In 1913 vertrok hij naar Frankrijk om er Engels te gaan geven op een school in Bordeaux. Later onderrichte hij aan huis twee jongens uit een katholiek gezin. Maar ook dat bracht hem weinig voldoening. Wel raakte hij bevriend met een oudere dichter, Laurent Tailhade, die in 1893 de Parijse bourgeoisie had geschokt door een aanslag van een anarchist op het Huis van Afgevaardigden goed te praten met de woorden ‘wat doet het slachtoffer ertoe als de daad mooi is?’

Na het uitbreken van de oorlog nam Owen zijn tijd om zich bij het Britse leger aan te melden. Hij heeft ook overwogen om zich bij de Fransen aan te sluiten. Op 21 oktober 1915 was hij niet langer bestand tegen de oorlogspropaganda en meldde hij zich alsnog als vrijwilliger bij het Officer’s Training Corps van de Artists Rifles. Zeven maanden duurde de training op een kamp in Essex. Pas op 1 januari 1917 kwam hij, ingedeeld bij het Manchester Regiment, in Frankrijk aan.

De oorlog in Frankrijk bracht hem de meest gruwelijke ervaringen. Januari 1917 verdedigde hij onder zwaar vuur vijftig uur lang een onder water gelopen dugout. In maart lag hij met een hersenschudding in het veldhospitaal. Weer een maand later werd Owen bij het bos van Savy, ten oosten van Saint-Quentin, door een loopgraafmortier de lucht in geworpen. Hij landde in een krater. Dagenlang lag de gevoelige ziel er te midden van de uiteengereten resten van een collega-officier – zo zou hij zich dat althans gaan herinneren.

Er was nu iets geknapt in die dromerige jongeman, die zo graag sonnetten schreef: shell shock. Als officier werd hij overgebracht naar het Craiglockhart Hospital in Edinburgh. Daar ontmoette hij een al gelauwerde poëet: Siegfried Sassoon. Allebei getraumatiseerd werd Owen door Sassoon gestimuleerd om zijn frontervaringen zonder omhaal onder woorden te brengen. Daardoor heeft niemand de horror van de Eerste Wereldoorlog zo dichtbij weten te brengen als Wilfred Owen in dat ene annus mirabilis van hem.

Owen verafgoodde Sassoon in een relatie die beslist ook homo-erotisch geladen was. Ze waren beiden ontdaan dat de ander vanuit het ziekenhuis weer naar het front terugkeerde. Owen werd in juni genezen verklaard. De volgende maand raakte Sassoon zwaargewond bij Hazebrouck.

Owen voelde het als zijn plicht om de plaats van zijn vriend in te gaan nemen. Als Sassoon niet meer kon verhalen van het leven in de loopgraven, dan moest hij dat maar voor zijn rekening nemen. In augustus stapte hij weer op de boot naar Frankrijk. Zijn moeder schreef hij eerder blij dan bang te zijn.

Voor de finale push van de geallieerde strijdkrachten bevond tweede luitenant Wilfred Owen zich in de voorhoede van het Vierde Leger. Om hem heen zag hij zijn mannen sneuvelen. Op de tweede oktober 1918 verloor hij drie brancardiers achter elkaar. Twee dagen later schreef hij in de zoveelste brief aan zijn moeder dat hij zijn jongens hielp door voor te gaan in de strijd én door hun lijden te aanschouwen. Op 4 november 1918 kwam aan zijn eigen lijden een eind, bij Ors.

Toen Owen onder Duitse kogels bezweek, waren er pas vier gedichten van hem gepubliceerd. Alles wat hij schreef vóór 1917, is amper de moeite waard geweest. De oorlog verhief hem tot een groot dichter, die in staat bleek de grootste gruwelen in erbarmelijke woorden te vangen. ‘My subject is war and the pity of war. The poetry is in the pity.’ De oorlog en de ellende ervan, daar moest hij over schrijven: ’All a poet can do today is warn.’ Ook in zijn brieven ging het hem erom de vinger op de zere plek te leggen. Zijn jongere broer Harold kreeg voorgeschoteld hoe het een soldaat met een verbrijzeld scheenbeen was vergaan. De dokter moest het bot ronddraaien en als een zuiger indrukken om de pus uit het been te krijgen. ‘Ik vertel je dit alles bewust om je te onderrichten over wat zich in een oorlog voordoet’.

Jonge broertjes komen ook voor in het sonnet ‘Lofzang op gedoemde jonge gasten’, zoals Tom Lanoye Owens ‘Anthem for Doomed Youth’ vertaalde. Ook al niet geschikt voor de Menenpoort:

Welk klokgelui betaamt voor wie vergaan als dieren?
Alleen het monsterlijke woeden van mortieren.

Of neen, alleen de ratel van een mitraillette -

Geen mens raffelt zo schoon een laatste schietgebed.



Voor hen geen bel of toeters, krans of kerkhofblom.
Geen treurmuziek – tenzij stampei van die orkesten

Die slechts bestaan uit slagwerk van kartets en bom
En bugels, jankend over droevige gewesten.



Waar brandt hun kaars? De vlam die hun ten afscheid heet?

Niet in de hand van jonge broertjes. In hun ógen

Laat nooit het vuur dat hen gedenken zal zich doven.



De bleekheid van verloofdes dient hun lijk tot kleed.

Eén bloem: de tedere berusting der beminden.

En elke schemering: het luiken van de blinden.

Het duurde een hele poos voordat Owens oorlogspoëzie echt het volle licht kreeg. Dat is in belangrijke mate de verdienste geweest van zijn vriend Siegfried Sassoon, die de oorlog wel overleefde. Benjamin Britten ging zijn War Requiem componeren rondom negen naar de keel grijpende gedichten van Owen. Aanleiding voor het stuk was de inwijding in 1962 van de nieuwe kathedraal van Coventry, dat platgebombardeerd uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Inmiddels leert de jeugd op Britse scholen behalve Shakespeare ook Wilfred Owen uit het hoofd. Maar of Horatius daarmee het zwijgen is opgelegd? Dulce et decorum est pro patria mori: de oude leugen regeert.

188 John McCrae en het graf dat een bed moet worden (zondag 27 januari 1918)

John McCrae

John McCrae, Canadees legerarts, dichtte In Flanders Fields – een oproep om de strijd voort te zetten opdat de doden kunnen slapen onder klaproos en leeuwerik.

Het graf dat een bed moet worden

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

We are the dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

Het is een bedrieglijk gedicht, dat ‘In Flanders Fields‘. Het beeld dat blijft hangen, in tal van bloemlezingen en bij tal van herdenkingsplechtigheden, is van een pastorale pracht. De klaprozen die bloeien tussen de kruizen, netjes in een rij. En de leeuweriken die met hun dapper gezang nog net boven de kanonnen beneden uit komen. We mogen berusten in la condition humaine.

Maar dan, in de eerste regel van het tweede couplet, verspringen toon en perspectief: ‘We are the dead’. Weg is het leven, weg de natuur. Liggend in Vlaamse velden hebben zij, die wij zijn, niets meer aan al het moois dat boven hen te beleven valt. En toch kunnen ze nog spreken, de doden, die niet daadwerkelijk dood blijken te zijn. Stervende zijn ze en nog altijd bij machte om een toorts te werpen. Wij, die ooit zij zullen zijn, moeten hem opvangen opdat de stervenden aan slapen toe kunnen komen. Zolang het graf geen bed is, knaagt het besef dat ze gefaald hebben in hun twist met de vijand. ‘Our quarrel with the foe’: dat geurt dan weer meer naar klaprozen dan naar kruit.

***

In Flanders Fields is geschreven door John McCrae, een Canadese legerarts. Hij werd in 1872 geboren in het plaatsje Guelph, Ontario. Zijn voorouders kwamen uit Schotland. Het Eilean Donan Castle, inmiddels een toeristische trekpleister op een eiland in de Schotse Hooglanden, is het thuis van de clan Macrae, de familienaam die zich laat vertalen als ‘zoon van genade’. John McCrae kon in Canada ook op genade aanspraak maken. Zijn jeugd speelde zich af in de Edwardian Summer, een gouden tijd die voorafging aan de Eerste Wereldoorlog. Hij groeide op met de presbyteriaanse deugden van zijn ouders: discipline en een sterk gevoel voor rechtvaardigheid. Op school haalde hij prima cijfers. Ook het krijgsbedrijf sprak de avontuurlijk ingestelde jongeling wel aan. Hij trad onder de hoede van zijn vader als adolescent toe tot een militie, waarvoor hij ook op de bugel ging blazen – hét instrument voor de Last Post aan het graf van een gesneuvelde soldaat.

De dood van het meisje waarop hij verliefd was geworden, dompelde hem onder in een peilloos verdriet. Maar toen al bood de poëzie hem troost. Een preoccupatie met de dood zou zijn kleine oeuvre van 29 gedichten gaan kleuren. ‘The Unconquered Dead, ‘The Dying of Pere Pierre, ‘The Dead Master ‘ en ‘The Anxious Dead – het funeraire gehalte is aan de hoge kant. En steeds lag vrede in de dood besloten.

In Toronto doorliep hij vlotjes een studie medicijnen. Maar een specialisatie in de pathologie stelde hij in 1899 uit om als vrijwilliger namens het Gemenebest te gaan vechten in Zuid-Afrika. ‘De jongens mogen hem wel – de populairste officier van het hele stel’, heeft een van zijn manschappen op laten tekenen. Aan de strijd tegen de Boeren hield McCrae een militaire medaille en een Toronto Welcome Home-medaillon over. In 1904 nam hij in Canada afscheid van de 1st Brigade of Artillery.

Tien jaar zou het duren eer hij dat legeronderdeel weer zijn diensten aan ging bieden. Hij was in 1914 al een gerenommeerd patholoog, die herhaaldelijk voor lezingen werd uitgenodigd en diverse publicaties in medische tijdschriften achter zijn naam had staan. Maar toen Canada enthousiast het moederland te hulp schoot in de strijd tegen Duitsland, wist ook McCrae wat hem te doen stond. ‘Het is een ellendige toestand en ik ga omdat ik denk dat iedere vrijgezel, vooral die met oorlogservaring, behoort te gaan’, schreef hij vlak voor vertrek een vriend. ‘Ik ben best wel bang hoor, maar nog banger ben ik om thuis te blijven met mijn geweten.’ John McCrae werd benoemd tot legerarts in de rang van majoor.

Een eerste kennismaking met Europa was de oorlog niet. Zijn vader had hem al eens meegenomen naar de bakermat van de familie in Schotland en een deel van zijn opleiding had McCrae in Engeland genoten. Door zich als scheepsarts aan te bieden wist hij later ook menige vakantie op het Europese vasteland te regelen. De oorlog werd geen holiday. Op 24 april 1915 werden Canadezen in West-Vlaanderen geconfronteerd met het onbekende fenomeen van een gasaanval. McCrae maakte het van nabij mee. Als een nachtmerrie heeft hij die Tweede Slag om Ieper beschreven: ‘Zeventien dagen en zeventien nachten lang heeft niemand van ons zijn kleren uit kunnen doen, zelfs niet zijn laarzen, op enkele keren na dan. Al die tijd dat ik wakker was zweeg het vuur van kanonnen en geweren nooit langer dan zestig seconden. En op de achtergrond was er constant de aanblik van de doden, de gewonden, de verminkten en hadden we het vreselijk angstige gevoel dat de linie het niet ging houden.’

***

Sinds 2005 herinnert een John McCrae Monument langs het Ieperleekanaal aan de tijd dat de dokter in een reeks van holen in de dijk zijn Advanced Dressing Station had ondergebracht. In zijn ‘eekhoornholen’, zoals de omschrijving van McCrae zelf luidde, stroomde het menselijk wrakhout van de oorlog binnen – aangeschoten of vergast.

Vlakbij verliet luitenant Alexis Helmer, een goede vriend van McCrae, op de zondagochtend van 2 mei 1915 zijn dugout. Ter plekke maakte een Duitse granaat, halverwege Ieper en Boezinge, een eind aan het leven van de 22-jarige officier, zoon van een brigadegeneraal. De lichaamsdelen werden in zandzakken verzameld en op een legerdeken gelegd voor de teraardebestelling, nog diezelfde avond. Bij afwezigheid van een geestelijke leidde John McCrae in het pikkedonker de plechtigheid. Hij haalde in een brief aan zijn moeder de laatste woorden aan die Helmer in zijn dagboek had genoteerd: ‘Het is wat rustiger geworden en ik ga proberen eens goed te slapen.’

‘Eens goed te slapen’ – het leidmotief van In Flanders Fields.

Is Helmer de muze geweest die onder het slapen gaan McCrae de woorden van In Flanders Fields influisterde? Bronnen beweren dat McCrae daags na de begrafenis zijn gedicht heeft neergekrabbeld, zittend op het opstapje van een ambulance met uitzicht op het vers gedolven graf van zijn vriend. Zo concreet is de getuigenis van zijn overste, Edward Morrison, echter niet. Volgens Morrison is In Flanders Fields wel ontstaan ‘uit letterlijk vuur en bloed tijdens de heetste fase van de Tweede Slag om Ieper’. Samen zouden ze herhaaldelijk toegekeken hebben hoe een regiment zijn doden begroef, rij na rij. In een brief aan Morrison moet McCrae ook aangeven hebben dat hij wachtend op een nieuwe lading gewonden zijn gedicht schreef. Met het metrum probeerde hij ondertussen wat te spelen.

De oorlog, die nog lang zou duren, heeft het graf van Alexis Helmer met zijn houten kruis erboven uitgewist. Alexis Helmer is een de 54.896 vermisten van wie de namen staan gegraveerd in de Menenpoort in Ieper. McCrae zou na de dood van Helmer niet lang meer in de Vlaamse velden blijven. Hij werd bevorderd tot luitenant-kolonel en kreeg de leiding over een Canadees hospitaal bij Boulogne, dat bestond uit een verzameling tenten die herhaaldelijk niet tegen sterke wind bestand bleken. McCrae, meer militair dan geneesheer, was ongelukkig met zijn benoeming. ‘Alle verdomde dokters in de wereld kunnen deze rotoorlog niet winnen’, heeft hij verzucht. ‘We hebben veel meer echte vechtjassen nodig.’

En toen werd hij zelf ziek. Is de astma uit zijn jeugd weer op gaan spelen? Hebben de chloordampen van Ieper zijn longen aangevreten? Zijn aanstelling als arts voor het Eerste Leger van de Britten heeft hij hoe dan ook nooit kunnen verzilveren. Hij is door longontsteking geveld en heeft er meningitis bovenop gekregen. Op 28 januari 1918 stierf John McCrae, 45 jaar oud. De Canadese bevelvoerder Sir Arthur Currie woonde de uitvaart bij. Als eerbetoon ging McCrae’s eigen paard Bonfire, die hij uit Canada had meegenomen, voorop in de rouwstoet; zijn rijlaarzen stonden volgens traditie omgekeerd in de stijgbeugels. John McCrae rust nog altijd op de begraafplaats van Wimereux, bij Boulogne, waar de grafstenen platliggen omdat ze in de duinen niet rechtop blijven staan.

***

Nog in 1915 heeft McCrae In Flanders Fields aangeboden aan de London Spectator, die er niks in zag. Zijn overste Morrison zou McCrae vervolgens overgehaald hebben om het naar Punch te sturen. Dat magazine publiceerde het gedicht wel, op 8 december 1915, overigens zonder de naam van de auteur erbij te vermelden. Een onstuitbare opmars volgde. McCrae heeft een stem aan de doden gegeven, zo heette het. Rekruteringsofficieren zagen in het gedicht eerder een handig instrument om soldaten voor de quarrel te ronselen.

Uit het gedicht is de klaproos, de poppy, als symbool van herinnering voortgekomen. Het meest prominente Eerste-Wereldoorlogmuseum in Ieper draagt de naam In Flanders Fields. Het gigantisch monument van de Canadezen bij Vimy herbergt een figuur die vol overgave een brandende toorts de lucht in steekt. En ter hoogte van Essex Farm Cemetery, in de Vlaamse Westhoek, staat het eenieder vrij om zich op de Site John McCrae door klaprozen in slaap te laten wiegen – poëzie als opium voor nabestaanden.

Wie zich niet wil laten bedwelmen, denkt aan Hill 60, Loos, de Somme, Beaumont Hamel, Courcelette, High Wood, Hill 62, Vimy, Mesen en Passchendaele – allemaal slagen die hun gewonden afgeleverd hebben in de bedden van John McCrae. Allemaal jongens die de toorts hoog hebben gehouden opdat de doden konden slapen onder klaproos en leeuwerik.

En opdat wij niet vergeten.

120 Sjowke en Toke Verheyen en de draden des doods (zondag 8 oktober 1916)

Vijfhonderd mensen – om en nabij – blijven hangen aan de Grenzhochspannungshindernis, waarmee de Duitsers Nederland van Cadzand tot Vaals hebben vergrendeld. Tweeduizend volt staat erop. Onder de slachtoffers bevinden zich Sjowke Verheyen en haar zus Toke. (foto’s heemkring Amalia van Solms)